Jezus is de Zoon van God

Inleiding

De namen die de bijbel aan Jezus toekent, geven zicht op wie Jezus is en wat Hij doet. Tezamen tekenen zij Hem in de volheid van zijn wezen en zijn werk.

In de vorige twee bijbel­stu­dies over de naam van Jezus is reeds een duidelijk beeld ontstaan: Hij is de Heer Jezus Christus. De naam die nu aan de orde is, vult dit beeld op prachtige wijze aan: Jezus is de Zoon van God.

Deze benaming wordt in de bijbel niet willekeurig gebruikt. Wanneer Jezus op deze wijze wordt aangeduid, gaat het om fundamentele en essenti­ële zaken. Het is voor ons van belang om de bijbelse waarde van deze naam te leren kennen en het bewuste, doelgerichte gebruik ervan over te nemen.

Zoon van Jahweh

De naam 'Zoon van God' komt in het Nieuwe Testament (NBG) op vele plaatsen en in diverse vormen voor: de Zoon, de eniggeboren Zoon, de Zoon van God, de eniggeboren Zoon van God, de Zoon van de levende God, de Zoon van de allerhoogste God, de Zoon des Allerhoogsten, de Zoon van de Gezegende, de Zoon des Vaders, de Zoon Gods, Gods Zoon, en - vanuit God gesproken en gezien - mijn Zoon, zijn Zoon, zijn eigen Zoon, zijn enigge­boren Zoon, de Zoon zijner liefde (bv. Joh.3:35, 1:18, 1:34, 3:18, Mat.16:16, Mar.5:7, Luc.1:32, Mar.14:61, 2Joh.1:3, Op.2:18, Mat.14:33, 3:17, Joh.3:17, Rom.8:32, Joh.3:16, Col.1:13).

Al deze benamingen duiden onweerlegbaar op één cruciaal feit: Jezus is de Zoon van Jahweh, de Zoon van de enige en waarachtige God. Met andere woorden: de Schepper van hemel en aarde is de feitelijke Vader van de Heer Jezus Christus.

Betekenis

De naam 'Zoon van God' geeft in de eerste plaats duidelijkheid over de afkomst van Jezus, zijn directe verwantschap met Jahweh: Hij is als Zoon van de Vader uitgegaan (Joh.16:28); Hij is door God verwekt en daardoor recht­streeks uit God geboren (Luc.1:35).

In de tweede plaats tekent deze naam Hem in zijn innige relatie en allesom­vattende verbonden­heid met Jahweh, in de eenheid met zijn Vader: De Vader en Ik zijn één (Joh.10:30); de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzo (Joh.5:19).

Vervolgens staat deze naam voor Jezus' kennis van God. Jezus kent Jahweh als geen ander; Hij weet wie God is en wat er in het hart van God omgaat: Niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren (Mat.11:27). Hij is de enige die in staat is om ons de Vader te doen kennen: de Zoon van God is gekomen en heeft ons inzicht gegeven om de Waarach­ti­ge te kennen (1Joh.5:20).

Jezus lijkt als rechtgeaarde Zoon op zijn Vader. Hij is de ware beelddra­ger van Jahweh, in alle zuiverheid en klaarheid: Hij is het beeld van de onzichtbare God; in Hem woont de volheid van God lichamelijk (Col.1:15 en 2:9). Jezus zegt: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien (Joh.14:9).

Tenslotte geeft de naam 'Zoon van God' het blijvende, het vaste en eeuwigdu­rende van al de hiervoor genoemde kenmerken aan: de Zoon blijft in het huis (Joh.8:35).

Sterk en zeker

Het geheel van deze betekenissen van de naam 'Zoon van God' ademt het sterke en absoluut betrouwbare uit van Jezus' wezen en werk. Het wijst op het waarachti­ge en volstrekt goede daarvan. Het onderbouwt met goddelijke zekerheid het Christus-zijn en de Heerschappij van Jezus. Dit alles is tot één geworden in Hem: Jezus, de Zoon van God.

We gaan op een aantal van de bovengenoemde betekenissen nader in.

God als Vader

Jahweh wordt in de bijbel op verscheidene plaatsen als 'Vader' aangeduid in de zin van Schep­per en Formeer­der. Zo schrijft Paulus in Efeziërs 3:14,15 over 'de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt'. Op een andere plaats zegt hij: Voor ons is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn (1Cor.8:6).

Ook in het Oude Testament bieden schriftplaatsen hierover duidelijk­heid: Is Hij niet uw Vader, die u geschapen heeft, die u gemaakt heeft en toebereid (Deut.32:6)? Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen (Mal.2:10)? Maar nu, Here, Gij zijt onze Vader; Gij zijt onze Formeer­der en wij allen zijn het werk van uw hand (Jes.64:8).

In deze zin kan en mag al het geschapene Jahweh, de Schepper van hemel en aarde, als Vader aanspre­ken. Daarin wordt blijk gegeven van een juist zicht op de verhouding die er tussen het maaksel en de Maker bestaat: alles en ieder dankt zijn bestaan aan Hem. In die zin worden de engelen in het boek Job een aantal keren als 'zonen Gods' betiteld (1:6, 2:1, 38:7). In dit kader is het ook goed te begrijpen waarom Adam in Lucas 3:38 'de zoon van God' wordt genoemd. Hij is als mens door God geformeerd.

God als daadwerkelijke Vader

Met betrekking tot Jezus spreekt de bijbel in andere termen over God als Vader. In Psalm 2:7 lezen we: Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. Hetzelfde woord komen we een aantal keren tegen in het Nieuwe Testament. De engel Gabriël zegt tegen Maria, de aanstaande moeder van Jezus: De heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoog­sten zal u overscha­duwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden (Luc.1:35). Ook Jozef wordt door Gabriël van dit wonderlijke gebeuren op de hoogte gebracht: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest (Mat.1:20). Johannes spreekt in zijn evangelie over de eniggeboren Zoon die aan de boezem des Vaders is (1:18). De Engelse bijbel (KJV) heeft hier: the only begotten Son - letterlijk vertaald: de enigver­wekte Zoon.

Jahweh wordt in deze gedeelten de feitelijke, daadwerkelijke Vader van Jezus genoemd; in termen van onze tijd: de biologische vader.

Enige Zoon

Jezus is als 'zoon van God' dus niet door Jahweh geschapen of geformeerd, maar als 'Zoon van God' door Jahweh bij Maria verwekt. Er bestaat daardoor een wezenlijk verschil tussen de wording van Adam en die van Jezus, hoewel zij beiden 'zonen van God' genoemd worden. Bij het formeren van Adam is niemand anders actief geweest dan God alléén. Bij het begin van Jezus' bestaan en leven is naast Jahweh ook Maria betrokken geweest. Adam heeft alleen een Vader (Schepper), Jezus heeft een Vader en een moeder. Adam is de 'enigge­schapen' zoon Gods, Jezus de 'enigver­wekte' Zoon Gods.

De aanduiding 'Zoon van God' doelt wat betreft Jezus op een werkelijk unieke situatie: Hij is de enige mens van alle tijden en geslachten die op een zoda­nige wijze is verwekt, de enige die God zelf als 'natuurlijke' Vader heeft, de enige die zich op deze wijze 'Zoon van God' weet... en het ook daadwer­kelijk is!

Uniek

Jezus is als 'Zoon van God' uniek: niemand is als Hij. Hij blijft tot in eeuwigheid deze uitzonderlijke positie onder de mensen behouden: niemand zal worden zoals Hij. De gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon die God voor alle mensen in petto heeft (naar Rom.8:29), duidt niet op een algehele gelijkheid met de Zoon.

Zelfs als God in de voleinding zal zijn 'alles in allen', blijft Jezus het hoofd van het lichaam en zal zijn plaats te onderscheiden blijven van die van alle overige mensen: Hij is de Heer, de Christus, de Zoon van God.

Motief

Waarom heeft Jahweh Jezus verwekt? Wat is zijn motief geweest om in de volheid des tijds zijn Zoon uit een vrouw geboren te doen worden en in de wereld uit te zenden? Om alle mensen vrij te kopen en hen het recht van zonen te geven (naar Gal.4:4,5).

God wil Zich in en door liefde een partner verwerven met wie Hij tot in eeuwigheid samenleeft. Het is deze goddelijke liefde die Jahweh tot deze unieke daad brengt. Na de zonde van Adam laat God zijn mensheid niet los. In het verwekken, geboren doen worden en uitzenden van Jezus zien we alle genade en gerechtigheid Gods openbaar komen, heilbren­gend voor alle mensen.

Volheid des tijds

Op welke wijze dit wonder van genade zich in de volheid des tijds heeft voltrokken, is reeds uitvoerig beschreven in Studieblad 66. Daarom wordt nu volstaan met de hoofdzaken.

God begint niet opnieuw: er ontstaat geen 'andere' schepping. Hij ziet en benut de mogelijkheid om in en vanuit het bestaan­de, het nieuwe en alles vernieuwende te laten ontstaan. God formeert geen nieuw wezen, geen nieuwe mens; Hij schept nieuw zaad. En door middel van deze nieuwe, menselijke zaadcel komt - geheel binnen de kaders en wetten van de schep­ping - de (bovenna­tuurlijke) conceptie bij Maria tot stand. Dat is het moment waarvan geschreven staat: De heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen (Luc.1:35)... het unieke moment in de heilsgeschiedenis dat Jahweh op de hierboven beschreven wijze als Vader fungeert.

Woord wordt vlees

Op het moment dat Jezus wordt geboren, krijgt God een zoon, zijn Zoon. Niet eerder heeft Jahweh op deze uitzonderlijke wijze iets verwekt en tot stand gebracht. Wel is er vanaf het moment dat Adam in zonde valt in Jahweh het voornemen om dit te doen. God doelt daar al op in Genesis 3:15. Deze gedachte - deze liefdevolle oplossing van de ontstane moeilijkheid - is gestoeld op en ontsprongen aan het geheel van gedachten Gods, dat reeds van den beginne in God is (Joh.1:1), de logos: om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten (Ef.1:10).

Bij de komst van Jezus wordt dat voornemen Gods werkelijkheid; het woord neemt in Hem concreet gestalte aan. Vanaf dat moment is er in hemel en op aarde sprake van de Zoon, de eniggeboren Zoon des Vaders.

Gods plan gaat door

Jezus wordt vervolgens rechtstreeks door zijn eigen Vader - opnieuw geheel binnen de kaders en wetten van de schepping - geheiligd en tot geestelijke volwassenheid opgevoed (Stb.67), waarna Hij aan het begin van zijn bediening door Jahweh tot Christus en Heer wordt gesteld (Stb.68,69).

Na de val van Adam was dit voor Jahweh de enige weg om in de ontstane situatie alsnog een Christus en Heer uit de mensheid te doen voortkomen en zijn oorspronkelijk plan en eeuwig voornemen aangaande de mensheid voortgang te laten vinden (Stb.63). Prijs God voor zijn oneindige wijsheid en liefde aan ons mensen betoond!

Jezus is de Zoon van God

Jezus is dus degene in wie het zaad Gods gestalte aanneemt en het woord Gods vlees wordt. In Hem openbaart zich het wezen Gods op oorspronkelijke en 'natuurlijke' wijze. Hij spreekt de woorden Gods en doet de werken Gods; dat mag je van Hem - als Zoon- ook verwachten op grond van zijn recht­streekse afkomst van en verbonden­heid met Jahweh.

Wie Hem ziet en hoort, kan de Vader zien en horen spreken. Wat Hij zegt, is waarheid Gods. Wat Hij doet, is gerechtigheid Gods. Daar bestaat geen enkele onduide­lijk­heid over: Hij is de Zoon van God, de ware Zoon van de Vader, de geliefde in wie God een welbe­hagen heeft. Geen wonder dat de bijbel juist op dit soort momenten Jezus heel bewust de ZoonvanGod noemt.

Gedrag

In zijn hele optreden gedraagt Jezus Zich ook als de ware Zoon van God. De liefde Gods is en werkt in Hem op volmaakte wijze. Hij toont de juiste gezindheid; Hij laat zien hoe God denkt en doet, Zich opstelt ten aanzien van de mens. Ook laat Hij zien in welke relatie - dat wil zeggen in welke liefdes- en gezagsver­houding - de mens tot zijn God behoort te leven: in liefde verenigd, in volledige en volwassen-ge­worden afhankelijk­heid, in totale geloofsgehoor­zaamheid, in diepe verbondenheid: één van zin en één van Geest.

Uit Jezus' leven blijkt zonneklaar waartoe de mens in staat is en waartoe deze relatie opvoert. De gehele bedoeling van God met mensen is in Hem - de Zoon - zichtbaar geworden.

Zoon en Knecht

De ware Zoon van God gedraagt Zich ook als de ware Knecht des Heren. Jezus dient Jahweh, zoals een knecht zijn heer dient. Hij is er te allen tijde voor zijn Heer Jahweh, met heel zijn hart en al zijn kracht, dienstbereid, vol van ijver en vurig van Geest (naar Rom.12:11): Hij leeft voor Hem! En mede daarom doet Hij - de Zoon - alleen wat Hij de Vader ziet doen, niets meer en niets minder. Zijn Vaders wil is voor Jezus 'wet', zijn woord voor Hem als een 'gebod'. In Jezus leeft maar één wens: Uw wil geschiede!

Zijn liefde tot God, geloof in God en trouw aan God is onverbrekelijk verbonden met zijn ontzag en eerbied voor God en zijn gehoorzaamheid aan God. De door God bedoelde liefdesver­houding van Zoon tot Vader is in Jezus één geheel met de eveneens door God beoogde gezagsverhouding van Knecht tot Heer.

Liefde en gerechtigheid Gods

Mede op basis van het voorgaande heeft God zijn Zoon Jezus niet alleen tot Christus en Heer gemaakt, maar Hem ook voor ons allen overgege­ven en Hem als zoenmiddel voorgesteld voor de zonde der gehele wereld. Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtig­heid Gods in Hem (Rom.8:32, 3:25, 2Cor.5:21).

Wat een onuitspreke­lijk grote liefde Gods komt hierin naar voren. Wat een overweldi­gende rijkdom van genade wordt hierin geopen­baard. En hoe mooi en zuiver is het om juist in dit verband te spreken van de Zoon, Gods eigen Zoon. Dat doet recht aan de kern van de zaak. Het laat de goddelijke liefde van de Vader in het bijzonder tot uiting komen. Hij geeft het mooiste en beste van Zichzelf: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe (Joh.3:16).

Voor ons is het van belang om ons hart voor deze liefde te openen en onvoorwaardelijk te geloven in dit handelen van God en dit werk van zijn Zoon Jezus. Slechts dan kan de verzoening werkzaam worden en het doel dat God met dit alles heeft, werkelijkheid worden. Een ieder die in de Zoon van God gelooft gaat niet verloren, maar heeft eeuwig leven. Hij mag in gemeenschap met Jezus worden 'gerechtig­heid Gods in Hem'.

Geloven en belijden

Hier komt weer een belangrijk en uiterst actueel aspect van het 'Zoon van God'- zijn van Jezus naar voren. Het is opvallend hoe vaak juist deze naam van Jezus in het Nieuwe Testament wordt genoemd in samenhang met het persoonlijk geloven in Hem en het belijden van dit geloof. We geven daarvan de volgende voorbeel­den.

Simon Petrus ziet en belijdt als eerste van zijn tijdgenoten de heerlijke werkelijkheid van het Zoonschap van Jezus: Gij zijt de Chris­tus, de Zoon van de levende God (Mat.16:16)! Ook Martha komt enige tijd later tot een dergelijke geloofsbelijdenis: Ja, Here, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou (Joh.11:27). Johannes sluit zijn evangelie af met de woorden: opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, geloven­de, het leven hebt in zijn naam (Joh.20:31). De kamerling belijdt voordat hij door Filippus in water gedoopt wordt: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is (Hand.8:37). Paulus roept het uit: En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven (Gal.2:20). Tenslotte schrijft Johannes in zijn eerste brief: Al wie belijdt, dat Jezus de Zoon van God is; God blijft in hem en hij in God (4:15). Wie is het, die de wereld overwint, dan wie gelooft, dat Jezus de Zoon van God is (5:5)? Dit heb ik u geschreven, die gelooft in de naam van de Zoon Gods, opdat gij weet, dat gij eeuwig leven hebt (5:13).

Besef en zekerheid

Het luisteren naar Jezus, het geloven in Jezus, het belijden van Jezus, het hele leven met en door Jezus dient te gebeuren in de volle geloofsze­kerheid dat Hij de ZoonvanGod is. Wij behoren bij voortduur te beseffen dat Hij het ware beeld van God draagt en toont, dat Hij het vleesgeworden Woord Gods is, dat in Hem al de volheid van God woont en werkt. Jezus is niet 'zomaar' een profeet, een goed mens, iemand die mooie dingen zegt en ter navolging kan worden aanbevolen... Hij is de Zoon van God, de enige in wie de waarheid is en functioneert, de enige in wie het ware leven is, de enige die ons kan redden en verlossen uit de macht van Satan en Dood en ons het waarachtige leven Gods kan geven. Hij is de Heiland in wie de ganse genade van God verschijnt, degene die de gehele logos vlees laat worden en de volle gerechtigheid Gods gestalte laat aannemen in hen die in Hem geloven.

Laten we - in navolging van een Petrus, Paulus en Johannes - Jezus met deze naam aanspreken, juist wanneer we ons geloof belijden en uitwerken.

Door liefde werkend

Het geloven in Jezus als Zoon van God dient door liefde te werken (naar Gal.5:6). Dus in gemeenschap met Hem en een van harte liefhebben van Hem. Het gaat dus om veel meer dan een nuchter en zakelijk aannemen van een aantal feiten rondom Hem: bijvoorbeeld dat Hij de Christus is. Het gaat veel verder dan het kennis nemen van en geloof hechten aan zijn woorden. Dat kan allemaal 'verstandelijk' blijven, dat leidt niet tot een geloofsbe­le­ving, dat doet het ware leven Gods in jezelf niet ontstaan en groeien.

Het gaat om een geloof in Hem, als persoon, functionerend in liefde tot Hem. Dus om een persoonlijke omgang met Hem, een diepgeworteld vertrouwen in Hem, een werkelijk leren (be)kennen van Hem.

Je richt je dan niet meer zozeer op de woorden, maar op de Spreker; niet op de leer, maar op de Leraar. Je gelooft dan niet zozeer in verlossing en vrijheid, maar in de Verlosser en Bevrijder. Je bent niet zozeer uit op genezing en het herstel, maar op de intense verbondenheid met de Geneesheer en Herstel­ler. Je zoekt het dan niet in het functioneren van de geestelijke gaven, maar in het leven met de Gever. Je bent niet gericht op de groei en ontwikke­ling van het leven in jezelf, maar op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs (Heb.12:2).

In relatie

Het gaat om een persoonlijk en bevindelijk geloof in de Persoon in wie je alles kunt vinden, leren kennen en beleven wat God bedoelt te geven. Geen rationeel geloof, maar een relationeel geloof, een geloof door liefde werkende. Zo'n geloof in de Zoon van God leidt tot beleving van Hem, tot het ware leven door Hem.

Ook het 'kennen' van Jezus dient zich op deze wijze te ontwikkelen: in en door liefde tot Hem. Dat leidt dan niet tot rationele kennis van de Zoon, maar tot het relatio­nele kennen van Hem. Dat voert tot het bekennen van Jezus, tot de door God bedoelde gemeenschap met de Zoon.

De zonen Gods

De bijbel noemt zulke mensen 'zonen Gods'. Het gaat dan niet over engelen of schepselen in het algemeen, maar over wedergeboren mensen die door het geloof in Christus Jezus leven: Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus (Gal.3:26).

Johannes schrijft: Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen (zonen) Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn (Joh.1:12,13).

Dit 'uit God geboren' duidt niet zoals bij Jezus op de normale geboorte aan het feitelijke begin van het bestaan van de mens, maar op de wedergeboorte: het hernieuwde begin na vergeving van zonden en verzoening met God.

Aangenomen zonen

Wanneer deze wedergeboren kinderen Gods bovendien door Jezus gedoopt worden in heilige Geest - en daarmee van Hem 'de Geest van het zoonschap' ontvangen (Rom.8:15) - behandelt Jahweh hen als zonen (Heb.12:7). Alle mensen zijn daartoe door God bestemd en geroepen: In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus naar het welbeha­gen van zijn wil (Ef.1:5).

Deze mensen mogen Jahweh eveneens als Vader aanspreken. Niet omdat Hij hun Schepper is, of omdat Hij hen als Vader heeft verwekt, maar omdat Hij hen door het werk van zijn Zoon Jezus Christus als zonen aanneemt - adop­teert - en hen daarmee op wettige basis voorgoed in de positie van 'zonen' plaatst, hen het recht van zonen geeft (Gal.4:5).

Zo mogen wij onszelf bezien: als aangenomen, geadopteerde zonen van God, die in en door Jezus uit de hand van onze nieuwe, wettige Vader een plaats in zijn Koninkrijk hebben gekregen aan die van de enige, ware, eigen Zoon van God gelijkvor­mig.

Jezus en de boze geesten

Bij het bestuderen van het Nieuwe Testament valt het tenslotte op dat de duivel en zijn boze geesten Jezus in allerlei confronta­ties steeds weer als 'Zoon van God' aanspreken. Satan zegt bij de verzoekin­gen in de woestijn: Indien Gij GodsZoon zijt (Mat.4:3,6). Lucas be­schrijft: Van velen voeren ook boze geesten uit, roepende en zeggende: Gij zijt de Zoonvan God (4:41). Vlak voor de bevrijding en genezing van de bezetene in het land der Gerasenen, schreeuwt de man onder druk van het legioen demonen dat in hem huist: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoonvan de allerhoog­ste God? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt (Mar.5:7)!

Goddelijke kracht en autoriteit

In de benaming 'Zoon van God' is blijkbaar ook iets heel sterks aanwezig. Het duidt op het goddelijk gezag aan Jezus verleend, op de eenheid en verbon­denheid met Hem, voor wie de boze geesten sidderen (Jac.2:19). Dit wordt bevestigd door de tekstplaat­sen waarin de autoriteit van Jezus over het rijk der duisternis en des doods wordt vermeld: Hiertoe is de Zoon van God geopen­baard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1Joh.3:8). Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven (Joh.5:25).

De totale overwinning van Jezus over het rijk van Satan en Dood vormt volgens Paulus ook het bewijs en kenmerkvan het 'Zoonschap' van Jezus: Die naar de geest der heiligheid door zijn opstan­ding uit de doden is verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Chris­tus, onze Heer (Rom.1:4). In deze prachtige zin komen alle tot nu toe besproken namen van Jezus bijeen. Het tekent Hem in de volheid van zijn wezen en werk, zijn plaats en positie, zijn kracht en autoriteit.

Wij mogen in de naam van Jezus, de Zoon van God - en daarmee in de sterkte zijner macht - op slangen en schorpioenen treden en bemerken dat Hij ons - juist ook in deze naam - macht en gezag geeft over de het gehele rijk der duisternis (Ef.6:10, Luc.10:19).

Vele zonen

Wanneer wij op deze wijze leren leven door het geloof in de Zoon van God, kan Jezus het werk dat Hij in ons begonnen is, ten einde toe voortzetten en zo - geheel naar het voornemen Gods - vele zonen tot heerlijkheid brengen (Fil.1:6, Heb.2:10). De naam 'Zoon van God' zegt dus ook wat over onze plaats in Gods hart en de wijze van leven die Hij voor ons bedoelt. Wij mogen ons als zonen (leren) gedragen zoals Jezus dit doet: als zoon en knecht, met gezag en autoriteit over de boze geesten. Wij mogen door Hem een zoonsleven ontwikkelen waarin het wezen Gods gestalte krijgt, het woord Gods vlees wordt en de waarheid Gods werkelijk­heid wordt.

De schepping wacht met reikhalzend verlangen op de (volledige) openbaring van deze zonen Gods (Rom.8:19). Laten we daarom aan de belijdenis van Jezus, de Zoon van God, vasthou­den (Heb.4:14). Want wie de Zoon heeft, heeft het leven (1Joh.5:12). Genade, barmhartigheid en vrede zal met ons zijn van God, de Vader, en van Jezus Christus, de Zoon des Vaders, in waarheid en liefde (2Joh.1:3).

Jezus, de Zoon van God

Wat een enorme liefde Gods, waarheid Gods en kracht Gods is gebundeld en gewaar­borgd in Jezus Christus, onze Heer, de Zoon van God. Laten we Hem in ons leven alle ruimte geven opdat wij in elk opzicht naar Hem toegroei­en en wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereiken, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Chris­tus (Ef.4:13).

Wat een rijkdom om te mogen leven en groeien in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Hem zij daarvoor alle dank, lof en eer!