Uit de hof van Eden

Inleiding

God is de mens na diens zonde trouw gebleven. Hij bleef hem liefhebben en met barmhartigheid en vergevingsgezindheid tegemoet treden. God wilde de mens zijn genade schenken in woord en daad. Hem blijven zegenen en begeleiden en te allen tijde voorzien van al het nodige. Hij wilde de mens inleiden in en betrekken bij zijn mogelijkheden en oplossingen en hem voorbereiden op de nieuwe volheid des tijds, waarin de Messias geboren zou gaan worden. Door deze mens Gods zou de heerlijke belofte van God aangaande de uiteindelijke en volledige overwinning op het rijk van Satan gerealiseerd worden. Door deze Christus zou de mensheid alsnog kunnen toekomen aan haar oorspronkelijke en goddelijke bestemming.

God zag het nog steeds helemaal 'zitten' met de mens, zijn mensheid. Dat is gebleken in de vorige studies.

Klok terug?

Doch daarmee kon God de klok op dat moment voor de mens niet terugdraaien. Gedane zaken nemen geen keer. Geestelijke 'feiten' kunnen niet worden genegeerd. Dat zijn nu eenmaal de wetmatigheden in de geestelijke wereld.

Er was een behoorlijke kink in de kabel gekomen met alle gevolgen van dien. De mens was gevallen voor Satan, waardoor deze macht over hem had gekregen. De dood was werkzaam geworden in het leven van de mens (Stb.37,41). De mens had kennis gekregen van goed en kwaad, en zou derhalve de doorwerking van zowel de zegen als de vloek gaan beleven (Stb.40). Satan was overste der wereld geworden, Dood was als koning gaan heersen. Slechts door 'nieuwe feiten' zouden er in de toekomst wezenlijke veranderingen in de ontstane situatie kunnen worden aangebracht en de vele negatieve gevolgen van de zonde kunnen worden gecompenseerd. En zo wilde God voorzien!

Aanvaarding

Zolang deze nieuwe gebeurtenissen nog niet hadden plaatsgevonden, moesten de vele consequenties van de zondeval door God en mensen worden aanvaard. Van werkelijke en algehele verzoening kon - zolang het offer van Jezus Christus voor de zonde van de gehele wereld nog niet was gebracht - geen sprake zijn. Omdat de volmaaktheid in het leven van de mens verloren was gedaan en de onvolmaaktheid was ingetreden, kon de mens de door God bedoelde groei naar geestelijke volwassenheid niet meer doorlopen. Doop en vervulling met heilige Geest bleven buiten zijn bereik. Een volledige overwinning op het rijk van Satan was voorlopig onmogelijk geworden. De geestelijke situatie van de mens had een wezenlijk verandering ondergaan.

Hemel en aarde

Vanwege de veranderingen in de positie van Adam in de hemel, moesten er ook wijzigingen optreden in zijn positie en plaats op aarde. Dat was een logisch gevolg, omdat deze twee vanaf zijn schepping met elkaar verbonden waren. De hof van Eden waarin de mens geplaatst was, duidde niet alleen op een bepaalde locatie op aarde, maar tevens op een bijbehorende situatie in de hemel (zie bijvoorbeeld Stb.21/2 en Stb.32/7,8). De gebeurtenissen rondom de mens in de hof waren altijd verbonden met gebeurtenissen in de hemel. Dat is in de voorgaande Studiebladen eveneens naar voren gekomen.

God besluit zijn gesprek met het eerste mensenpaar met een woord en een daad die slechts binnen dit kader te begrijpen zijn.

Afwijzend?

In eerste instantie zouden deze woorden en deze daad van God 'hard' en 'afwijzend' kunnen overkomen. Maar in die sfeer is het gesprek niet aangegaan en verlopen; God is de mens in liefde tegemoet getreden en heeft hem in mildheid en bewogenheid gewezen op de diverse gevolgen. In dit klimaat bezig zijnde brengt God ook de laatste consequentie van de verkeerde daad onder ogen: zij zullen de hof van Eden moeten verlaten!

Conclusie

En de Here God zeide: Zie, de mens is geworden als onzer één door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven (Gen.3:22). Dr. Reisel vertaalt dit vers in zijn 'eenvoudige transcriptie van het Hebreeuws': Zie, de mens is geworden als één van ons, wat het kennen van goed en kwaad betreft.

We dienen hierbij te bedenken dat het hele gesprek tussen God en de mens heeft plaatsgevonden bij de boom des levens (Stb.39/1). En tevens dat de slang tijdens dit gesprek in de boom der kennis van goed en kwaad aanwezig is geweest (blz.5). God heeft de slang - en daarmee de duivel en zijn rijk - in een bepaalde fase van zijn gesprek met de mens rechtstreeks aangesproken en hem daarbij totaal veroordeeld. In de eindfase van het gesprek zal de slang er nog steeds 'bij' zijn geweest: de duivel zal alles hebben gehoord.

God brengt tenslotte zijn eindconclusie over het gebeuren met de mens in twee werelden onder woorden; Hij spreekt voor mensen en engelen, ten aanhoren van de gehele hemel en aarde!

Wezensverandering?

Het lijkt alsof God spreekt van een wezensverandering van de mens en hem naar zijn innerlijk gaat vergelijken met andere geestelijke wezens. Maar niets is minder waar. De aard van de mens is door zijn zonde niet veranderd, maar zijn situatie (Stb.32/8,9). Trouwens, aan welk geestelijk wezen zou de mens dan gelijk zijn geworden, welk ander geestelijk wezen kent zowel het goede als het kwade?

God en zijn heilige engelen kennen alléén het goede, zij belichamen dit. Zij onderkennen al het andere als 'kwaad' omdat het niet overeenkomt met hetgeen er in hen is en van hen uitgaat (zie Stb.28/6,7). De duivel en zijn engelen kennen na hun val alléén het kwaad. Dat was voor hen inderdaad een totale wezensverandering. Zij belichamen het kwaad in al zijn vormen en hoedanigheden. In hen is niets goeds meer aanwezig. Van hen gaat alleen maar kwaad uit (Stb.29/3). Geen enkel wezen in de geestelijke wereld is naar zijn wezen en aard een belichaming van goed en kwaad. Daaraan kan God in deze woorden dus niet refereren.

Als één van ons

God spreekt niet van een wezensverandering van de mens, maar van een verandering in zijn situatie en positie. De mens, die van oorsprong alleen het goede kende en beleefde - en daarin alleen God toebehoorde - is door zijn zonde in aanraking gekomen met het kwaad, heeft door deze daad kennis gekregen van en aan het kwaad. Zijn situatie wordt voortaan gekenmerkt door het deelhebben aan en beleven van goed en kwaad. Enerzijds omringd, gedragen en gediend door de trouwe engelen Gods; anderzijds omgeven, belaagd en overheerst door de ontrouwe en afgevallen engelen van Satan en Dood. Beide rijken hebben invloed gekregen; de mens behoort niet meer onverdeeld toe aan God; hij is ook een slaaf geworden van de duivel.

God kon niet langer proclameren: de mens is alleen van Mij, behoort alleen bij Mij. God kon niet meer belijden: de mens is als één van Mij, de mens is Mijner één. Dat zou de geestelijke werkelijkheid van dat moment en de komende tijd niet juist weergeven. En daarom zei God in hemel en op aarde: de mens is geworden als één van ons: een wezen dat zowel tot Mij en tot mijn rijk behoort, als tot jou en tot jouw rijk, Satan.

Geen loslaten

Daarmee liet God zijn aanspraak en recht op de mens niet varen, integendeel. Hij bleef getuigen dat de mens nog steeds bij Hem behoorde, in zijn Koninkrijk thuishoorde. Hij sloot deze heerlijke situatie voor de in zonde gevallen mens niet af! Dan zou God wel gezegd hebben: Zie, de mens is geworden als één van u, als uwer één!

God erkende de ontstane situatie en aanvaardde de ook voor Hém zo droevige consequenties. Hij zou voorlopig moeten 'wachten' op de verdere invulling en vervulling van zijn plan met mensen. Hij zou de mens, zijn mensheid, niet meer voor Zichzelf hebben, maar voorlopig moeten 'delen' met zijn tegenstander.

Toekomst

Maar God wist dat dit niet de eindsituatie van de mensheid zou zijn. Wanneer de volheid der tijden zou aanbreken - de grote volheid van alle tijdperken - en al wat in de hemelen en op de aarde onder één hoofd, Christus, samengevat zou zijn (naar Ef.1:10) - zou Hij, God, worden alles in allen en dit tot in alle eeuwigheid zijn en blijven! Dan zal God opnieuw kunnen spreken en met een heerlijke variant op Genesis 3:22 kunnen proclameren: Zie de mensheid is (opnieuw) geworden tot Mijner één, door de kennis van Christus.

Boom des levens

Nu dan, spreekt God, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven (vs. 22b). In het 'nu dan' geeft God duidelijk aan dat Hij vanuit de daarvoor gemaakte conclusie verder gaat. In de ontstane situatie is het eten van de boom des levens niet meer aan de orde. De geestelijke toestand die daarmee verbonden is, kwam niet meer overeen met de werkelijkheid van dat moment. Het doel dat in en met het eten van die boom door God werd nagestreefd, was in de gegeven omstandigheden niet meer haalbaar. Het door God bedoelde leven voor de mens - met daarin de groei naar volwassenheid, het verkrijgen van heerlijkheid, het in eeuwigheid verblijven met God - zou door invloed van Dood onderbroken worden.

Duidelijk

God wilde aan alle kanten duidelijkheid verschaffen en elk mogelijk misverstand wegnemen. Vandaar dat Hij de mens niet meer kan toestaan om van de boom des levens te blijven eten. Die situatie is voorlopig voorbij. Het is beter voor de mens om niet langer in de hof te blijven vertoeven.

Met grote wijsheid maakt God duidelijk dat de mens voortaan - geheel in overeenstemming met de werkelijkheid in de geestelijke wereld - buiten de hof zijn verdere leven zal leiden. Dat Hij daarmee de mens niet aan zijn lot overlaat, is reeds gebleken uit de voorafgaande uitspraken en daden van God in de verzen 9-21. Hij laat genade en recht gelden en blijft van zijn kant al het mogelijke doen om de mens te vertroosten en hoop te geven voor de toekomst en hem aan te moedigen om vol geloof onder zijn liefdevolle en zegenrijke leiding verder te gaan.

Uit de hof

Adam en Eva worden weggezonden om de aarde te gaan bewerken en daarmee een leven te gaan oppakken zoals God hen had toegezegd. De periode in hun leven die werd gekenmerkt door de aanwezigheid van de boom des levens, was voorbij. De toegang tot de hof - en daarmee tot deze boom - werd afgesloten; er was geen weg terug.

Doch dit was voor Adam en Eva geen hopeloze 'afgang'. Juist in het samen verder gaan en onder Gods leiding doorgaan zouden zij - en alle mensen met hen - al Gods beloften in vervulling mogen zien gaan.

Toekomst

Er zou in de toekomst een nieuwe 'boom des levens' ontstaan en de weg daartoe zou geheel worden geopend. Niet een echte boom, maar de mens Gods, Jezus Christus, die als de ware 'boom des levens' zou functioneren. Hij zou de Christus zijn, die duivel en dood zou overwinnen en voor alle mensen onvergankelijk leven aan het licht zou brengen.

Voor ons is dit geen toekomst meer. Wij hebben dit heerlijke nieuwe feit al zien plaatsvinden in de heilsgeschiedenis. Wij mogen beleven dat de weg naar het hart van God geheel open is. Wij mogen door ons geloof in Jezus Christus in grote vrijmoedigheid en blijmoedigheid toetreden tot de troon der genade. Maar ook voor ons ligt juist in het doorgaan en vervolgen van onze weg met Jezus de gehele vervulling van Gods belofte.

Uiteindelijk zal de mensheid door geloof in Jezus en intense verbondenheid met Hem opnieuw geheel in het paradijs Gods mogen verkeren. Ja, ieder persoonlijk zal als boom des levens in dit paradijs mogen functioneren. De gemeente zal met haar Hoofd als het 'geboomte des levens' er mogen zijn voor God (Op.22:1-3). Dan zal niets vervloekts meer zijn. Daar zullen alle tranen zijn afgewist en zal er geen dood meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite. Dan zullen de eerste dingen voorbij gegaan zijn en zal God in grote vreugde kunnen proclameren: Zie, Ik heb alle dingen nieuw gemaakt (naar Op.20:4,5)!

Andere fase

Aan het einde van Genesis 3 is het gesprek met God ten einde. Er brak voor Adam en Eva - en daarmee voor de mensheid - een andere fase aan. Gods plan zou voltooid worden, maar wel met vertraging en langs een andere weg. We zullen in de komende studies in grote lijnen deze ontwikkelingen gaan volgen en deze trachten te verstaan.

We sluiten daarmee de serie artikelen over het paradijs en alles wat zich daar heeft voorgedaan, af. Vanuit dit zicht op het oorspronkelijke zullen wij ons met des te grote inzet met Jezus, onze Leidsman ter behoudenis, richten op het uiteindelijke: de verwezenlijking van Gods oorspronkelijk voornemen.

Prijs God voor zijn trouw aan ons, mensen. Prijs Jezus voor zijn heerlijk werk voor ons en door ons! Door lijden heen zal het gaan tot heerlijkheid, maar dan ook van heerlijkheid tot heerlijkheid! Amen.