De voortijd (1)

Inleiding

Nadat Adam en Eva aan het einde van Genesis 3 de hof van Eden hebben moeten verlaten (Stb.43), lezen we in de hoofdstukken 4, 5 en 6 over de verdere ontwikkelingen in de eeuwen die volgden. Het is een periode waarin het de mens niet goed afging. Het duivelse geweld nam hand over hand toe. Het resulteerde uiteindelijk in een wereldomvattende zondvloed, een catastrofe voor mens en schepping zonder weerga.

De bijbel noemt de tijd die tussen de zondeval en de zondvloed verlopen is de voortijd. We zullen in de komende studies bij deze periode stilstaan.

Gods bedoeling

De verwording en ontaarding die in de voortijd om zich heen gegrepen heeft en mensen, dieren en planten in een afschuwelijke, neergaande spiraal heeft gebracht, is zeer zeker niet het normale, logische en onafwendbare gevolg geweest van de zondeval. Anders had God daar met Adam en Eva wel over gesproken. God heeft zijn mens en zijn schepping niet losgelaten en aan de willekeur van de machten der duisternis overgeleverd. Hij wilde hen juist vol geloof vasthouden en met al het goede van Hem blijven omringen en inspireren. Ondanks de zondeval wilde God zijn plan tezamen met de mens gaan voortzetten en in de beloofde Messias - de komende Christus Jezus - geheel gaan voleindigen. Gods zegen, genade, kracht en leiding zouden het deel zijn van elk mens die - vanuit liefde tot God - in vol geloof zich zou willen inzetten voor de verdere realisatie van dit plan. Alle mogelijkheden daartoe waren nog steeds aanwezig. Dat was Gods bedoeling voor de periode die in Genesis 4 aanving.

Antiplan

De duivel had een geheel ander plan. Hij wilde vanuit zijn verworven positie als de overste der wereld zijn macht over de mens gaan uitbreiden en met alle beschikbare middelen en mogelijkheden zijn plan met mens en schepping erdoor gaan drukken: verderf en vernietiging van alles wat God in het aanzijn had geroepen en tot bestemming wilde brengen (zie ook Stb.30/1,2). Hij had na de zondeval een zondvloed voor ogen. Hij wilde het verval op alle terreinen op gang brengen, dit met geweld voortzetten en uiteindelijk laten resulteren in een allesverwoestende wereldramp. We zouden dit het 'antiplan' kunnen noemen: in elke onderdeel volkomen tegengesteld aan wat God beoogde.

Mens centraal

Maar ook dát voornemen zou door de mens heen gestalte moeten krijgen en slechts na een (lange) weg van gestage neergang en degeneratie zijn afschuwelijke voltooiing kunnen krijgen.

Wanneer de mens vanuit de geboden mogelijkheden van God onder diens leiding zou doorgaan, zou hij zichzelf en de wereld rondom hem kunnen behoeden voor verder verval. De mensen zouden zich vol geloof kunnen richten op de vervulling van de goddelijke beloften en met onderscheiding onder een geopende hemel zich kunnen voorbereiden op de komst van de Messias.

Wanneer de mens daarentegen zonde op zonde zou gaan stapelen en daarbij de mogelijkheden tot vergeving zou negeren en de genade Gods derhalve zou verachten, zou het kwaad allerwegen door hem heen tevoorschijn komen en de aarde gaan vervullen. De gehele verdere voortgang van de ontwikkeling van 'de wereld' zou afhangen van de ontwikkelingen in het leven van de mens(heid). De mens bleef een centrale positie houden!

Beknopt

De beschrijving van de voortijd in Genesis is uiterst summier. De bijbel beperkt zich tot een zeer korte typering van een klein aantal mensen uit die periode en beschrijft vervolgens in 'enkele' regels de wereldcatastrofe die de voortijd heeft afgesloten: de zondvloed. Wanneer er over die periode een geschiedschrijving zou zijn geweest zoals wij die in onze tijd kennen, zou alleen al het verslag van die wereldomvattende zondvloed waarschijnlijk de omvang van een boek hebben gekregen groter dan die van de gehele bijbel! Om over de periode die daaraan vooraf is gegaan nog maar te zwijgen. De bijbel volstaat met het signaleren van 'enige' feiten in het leven van slechts 'enkele' mensen. Daarin wordt het toenmalige wereldbeeld verpakt. Op basis van deze uiterst beknopte beschrijvingen zullen we de ontwikkelingen in het menselijk geslacht - en daarmee die van de wereld - in deze voortijd pogen te verstaan.

Vergelijking

Tussen de schepping van de eerste mens en de zondvloed ligt op basis van Genesis 5 een periode van ruim zestien eeuwen (1656 jaar). In de geslachtslijsten van 1 Kronieken 1 en Lucas 3 vinden we hiervan een bevestiging.

Om zo'n lange tijdsperiode te kunnen overzien is het goed om vanuit het heden eens 1656 jaar terug te rekenen. We zouden dan in de eerste helft van de vierde eeuw terechtkomen, enkele jaren na het eerste grote concilie te Nicea. Welk een ontwikkeling heeft zich sedert die tijd op allerlei terrein voorgedaan: geestelijk, sociaal, maatschappelijk, wetenschappelijk, technisch, industrieel, cultureel en economisch... maar ook bijvoorbeeld op het terrein van natuur, weer en klimaat... teveel om op te noemen. En wat heeft zich allemaal afgespeeld in en bij die mensen! In zestien eeuwen kan er zich een enorme ontwikkeling voltrekken in en rondom mensen. Dat dienen we bij het lezen van deze enkele hoofdstukken van Genesis wel te bedenken!

Grote veranderingen

Er is ook enorm veel gebeurd in die voortijd. De zondvloed is niet 'als vanzelf' over de wereld gekomen. Daar is een degeneratieproces van vele eeuwen aan vooraf gegaan. Het rijk der duisternis heeft zich door de geslachten heen meer en meer meester kunnen maken van de zich ontwikkelende mensheid, en - mede daardoor - ook steeds meer misvorming en verval teweeggebracht in de dieren- en plantenwereld.

Het wezen van vele dieren is aangetast, waardoor naast de normale ook andere, wildere soorten ontstonden. Vele dieren werden vleeseters en gingen daardoor een bedreiging vormen voor andere soorten. Daarnaast veranderde ook het uiterlijk van vele dieren. Denk alleen maar eens aan de afschuwelijke land- en zee-reptielen die in die tijd uit de door God geschapen diersoorten zijn ontstaan en in onze tijd als préhistorische diersoorten bekend staan: de vele soorten 'saurussen' (waaronder de zo bekende dinosaurussen), afzichtelijk, vaak monsterlijk groot, demonisch qua wezen en uiterlijk.

De zondvloed zélf is aan het einde van die periode daar nog eens 'overheen' gekomen met eveneens enorme en diep ingrijpende veranderingen en gevolgen.

Teneinde de aard en de omvang van deze veranderingen enigszins te gaan overzien, is het van belang om ons een beeld te vormen van de wereld vóór de zondvloed en daarbij te beginnen met de wereld zoals die er was direct na de zondeval.

Aarde

Op het moment dat Adam en Eva uit de hof van Eden werden verdreven, kwamen zij in een wereld terecht die wat betreft flora en fauna vrijwel overeenkwam met die van de hof. De grootste verandering voor hen betrof het niet meer kunnen eten van de boom des levens; die situatie was voorbij. Zij kwamen dus niet in een 'wildernis' terecht, vol doornen en distels en met allerlei wanstaltig en verscheurend gedierte, integendeel. De gehele aarde was in paradijselijke toestand in het aanzijn geroepen en zij ademde ook in die fase nog steeds in vrijwel alle delen de prachtige harmonie en volmaaktheid uit die God erin had gelegd.

De doornen en distels, waar God in Genesis 3:18 over had gesproken waren er niet onmiddellijk na de zondeval. Zij zouden in de komende periode gaan opschieten en veel van het oorspronkelijk aanwezige gaan overwoekeren.

Van alle door God geschapen dieren - door Adam naar hun oorspronkelijke, goede wezen benoemd - had op dat moment alleen de slang een blijvende wezensverandering ondergaan. De demonisatie van de dierenwereld moest in feite nog beginnen.

De veranderingen in de hemel van de mens zouden hun zichtbare gevolgen nog moeten gaan krijgen op de aarde.

Paradijselijk

Prof. Rehwinkel beschrijft op schitterende en bijbels verantwoorde wijze in zijn boek 'De zondvloed' de wereld zoals die er op dat moment naar alle waarschijnlijkheid heeft uitgezien. Hij doet dat op basis van uitgebreide theologische, geologische en archeologische onderzoekingen en laat daarbij de vele fossiele vondsten over de gehele wereld 'spreken'.

De schepping was inderdaad 'zeer goed'. Overal was er een volstrekt gelijkmatig, zacht en lenteachtig klimaat op aarde, aangenaam voor mens en dier. De aarde stond nog in zijn oorspronkelijke stand, loodrecht op het vlak van zijn baan rondom de zon en niet - zoals nu - ruim 23 graden gekanteld. Hierdoor kon het zonlicht de aarde altijd van pool tot pool bereiken met alle gevolgen van dien voor het klimaat.

Er waren nog geen dorre woestijnen, kale en onvruchtbare bergen, gebieden met strenge koude of streken met tropische hitte. Dit past ook niet bij onze liefdevolle God. Dit komt niet voort uit het enkel goede wezen van God. Zo heeft God de aarde niet geschapen.

Schoonheid

De aarde was verdeeld in land- en watergebieden. Met een weelderige vegetatie, lieflijke heuvels en valleien, rivieren en meren, open en beboste terreinen, etc. Zij was ongelofelijk rijk aan planten en dieren. De vogels waren zeer talrijk en in het water wemelde het van de levende wezens (naar Gen.1:20-22).

Deze wereld is niet meer te vergelijken met de wereld van vandaag. De meest fraaie eilanden in het subtropische gebied zoals wij die nu kennen, geven ons slechts een mager en onvolkomen beeld van de oorspronkelijk schoonheid van de aarde. De werken Gods getuigden over de gehele wereld van het wezen van de Schepper, van zijn overvloedige rijkdom en oneindige grootheid!

Mogelijkheden

Het was een aarde die in overvloed voedsel voortbracht van iedere soort, voor mens en dier en dat zonder grote inspanning van hun kant. Een wereld die daarom een bevolking kon onderhouden vele malen groter dan de tegenwoordige bevolking. Een wereld die door haar algehele toegankelijkheid daar ook alle ruimte voor bood. Geen ontoegankelijke poolgebieden en bergruggen, geen tropische onherbergzame oerwouden en oneindige oceanen... Geen wisseling van seizoenen; het twaalf maal vrucht dragen per jaar was de gewoonste zaak ter wereld.

Het was een wereld van ongekende mogelijkheden, geheel overeenkomend met Gods bedoeling voor haar: tezamen met de hemel en de heilige engelen de omgeving voor de mensheid, om zich naar alle kanten en in alle opzichten te kunnen ontwikkelen naar Gods plan (zie Stb.21/2,3).

Opnieuw

De hele wereld was de tuin van God, een werkelijk paradijs vergeleken met de wereld die na de zondvloed overbleef. Onze verbeelding schiet in feite te kort om ons daarvan een goede voorstelling te maken!

We zullen het eenmaal opnieuw mogen aanschouwen, in en na het duizendjarig vrederijk, op de nieuwe, de geheel vernieuwde aarde! Dan zullen alle sporen en gevolgen van de verwording en van de vreselijke zondvloed door Jezus Christus en zijn verheerlijkte Gemeente worden uitgewist en zal de aarde opnieuw in een paradijselijke toestand geraken. Het uiteindelijke zal geheel in lijn zijn met het oorspronkelijke - ja, daar de volle vrucht van te voorschijn laten komen.

Lang leven

De omstandigheden om in de voortijd te leven waren ook na de zondeval eigenlijk nog steeds 'optimaal'. De dood was dan wel ingetreden in het leven van de mens, het proces van sterven was begonnen, maar het duurde vele eeuwen voordat de eerste mens ook lichamelijk stierf. Adam leefde 930 jaar en dat was geen uitzondering in die tijd (zie Genesis 5:5 e.v.). De meeste mensen die de bijbel noemt, leefden bijna duizend jaar; dat was blijkbaar gewoon. De mens leefde alsof hij 'nooit' zou sterven.

Het geeft ons een beeld van hoe 'goed' de mens in feite door God geschapen is. Zelfs de mensen die mede door de geestelijke verwording in hun (voor)geslacht geheel buiten God waren komen te staan - de geweldigen uit de voortijd (naar Genesis 6:4) - konden zonder deel te hebben aan de genade van God de dood in die periode nog vele honderden jaren weerstaan!

Mensheid

In die zestien eeuwen is er uit het eerste mensenpaar een hele wereldbevolking ontstaan. In Genesis 5 wordt beschreven dat Mahalalel en Henoch op 65 jarige leeftijd hun eerste zonen verwekten en dat dit bij Noach op een leeftijd van 500 jaar is gebeurd. Blijkbaar kon men gedurende zo'n vierhonderd jaar vruchtbaar zijn, ongeveer een half leven lang. Dat er in zo'n periode zeer vele zonen en dochters geboren konden worden, is wel duidelijk. Dit wordt in Genesis 5 ook telkens vermeld. De leefomstandigheden in de natuurlijke wereld waren 'uitzonderlijk' goed. Al deze zonen hebben op hun beurt weer vele zonen en dochters verwekt.

Prof. Rehwinkel maakt op basis hiervan in het bovengenoemde boek een zéér voorzichtige schatting en komt daarmee - na de tien geslachten die in de bijbel worden genoemd - al uit op een bevolking minstens zo groot als de hedendaagse wereldbevolking!

Na verloop van ruim zestien eeuwen zal deze mensheid - bestaande uit vele miljarden mensen - zich over de gehele aarde hebben verspreid.

Vertegenwoordigers

De wereldbevolking is derhalve veel groter geweest dan die enkele mensen die in Genesis worden genoemd. De bijbel beschrijft slechts twee geslachtslijnen vanuit Adam. Eén via Seth, met daarin na vijf geslachten een man als Henoch en na tien geslachten Noach. En één via Kaïn, met daarin na vijf geslachten een man als Lamech.

Deze mensen mogen als 'prototypen', als vertegenwoordigers van alle mensen, worden beschouwd en de twee ontwikkelingslijnen in deze geslachten mogen als representatief voor de gehele mensheid worden aangemerkt. Alleen het meest essentiële wordt aangegeven. Alle geestelijke processen die zich in de voortijd hebben voltrokken, komen in deze twee geslachtslijnen naar voren: de positieve ontwikkeling, naar Gods bedoeling - en de negatieve, naar de bedoeling van Satan.

We zien dat Henoch volkomen opging in zijn God en daarmee onbereikbaar werd voor de duivel (Gen.5:22-24). Tezelfdertijd - eveneens na vijf geslachten - zien we dat een man als Lamech geheel in de greep van Satan is gekomen, waardoor hij juist onbereikbaar werd voor God (Gen.4:23,24).

Voordat we dieper op deze geestelijke ontwikkelingen zullen ingaan en van daaruit de aanleiding tot de zondvloed kunnen gaan verstaan, zullen we eerst nog enige woorden wijden aan de verdere beeldvorming van deze voortijd.

Vaders

In Genesis 4 wordt van Kaïn gezegd dat hij - als landbouwer (vs.2) - in het land Nod voor zijn gezin een stad bouwde (vs.17). Dit geeft niet alleen een indruk van de grootte van zijn gezin, maar ook van de mogelijkheden, het vakmanschap en de middelen die hem ter beschikking stonden.

De eerste mensen op aarde waren geen primitieve holbewoners, of mensen zonder enige beschaving, integendeel. Er wordt in dit hoofdstuk gesproken over een Jabal, die de vader is geworden van hen, die in tenten en bij de kudde wonen (vs.20). En over een Jubal, die de vader is geworden van allen die citer en fluit bespelen (vs.21). Blijkbaar kon hij deze instrumenten maken en bespelen.

Daarnaast wordt een man als Tubal-Kaïn genoemd als de vader van de smeden, van allen die koper en ijzer bewerken (vs.22). Hij zal enerzijds in staat zijn geweest om de vele ertsen die de aarde rijk is te winnen, en is anderzijds op het idee gekomen deze te smelten en te bewerken voor allerlei doeleinden.

Noach heeft een ark kunnen bouwen van ongelofelijke afmetingen; Hij zal met zijn zonen het timmermansvak tot in een zeer hoge mate van perfectie hebben ontwikkeld.

Onder leiding van deze 'vaders' heeft zich een cultuur kunnen ontwikkelen die zijn weerga nauwelijks heeft.

Wereldbeeld

Er heeft zich in de voortijd een mensheid gevormd, die niet alleen groot was in aantal, maar waarin ook 'mannen van naam' voorkwamen, vooraanstaanden op het gebied van landbouw, veeteelt, bouwkunst, muziek- en dichtkunst en allerlei vormen van ambachtelijk vakmanschap. We zouden ten aanzien van de natuurlijke zaken kunnen spreken van een 'gouden eeuw'.

In deze wereld heeft Satan zijn 'antiplan' wereldwijd kunnen uitwerken en bijna geheel kunnen volvoeren. Het geestelijk verval van mensen nam hand over hand toe. Ook in dat opzicht waren er 'reuzen' op aarde, de geweldenaars uit de voortijd. Dit wereldbeeld is van belang voor het verstaan van de oorzaken en de gevolgen van de zondvloed. Ondanks haar fraaie uiterlijk was de aarde - door de mensen die haar bewoonden - verdorven voor Gods aangezicht. De mensheid was verworden tot 'vlees'.

Behoudenis

Gods plan leek aan het einde van de voortijd aan een zijden draadje te hangen. En toch liep het God niet uit handen. Hij zocht en vond mensen waarin Hij zijn plan van behoud en herstel kon bewaren en voortzetten. Ten opzichte van de gehele wereldbevolking was dit slechts een zeer kleine 'rest'. Door acht getrouwe mensen heen kon God mens en schepping behoeden voor een totaal verderf.

God liet de schepping niet los en zal zijn schepping ook nooit loslaten. Hij heeft zowel in het hele demonische proces van misvorming en verwording dat in de voortijd ruim zestien eeuwen heeft geduurd, als in het puur duivelse, geweldadige zondvloedgebeuren aan het einde van die periode, steeds weer gezorgd voor genade, voor redding, voor geestelijke spijze te rechter tijd. En zo is onze God nog steeds, voor eeuwig en altoos! Daar staat Hij borg voor. Hij volbrengt wat zijn hand is begonnen te doen. Zijn plan wordt werkelijkheid!

Belangrijk

Het denken over de voortijd levert ons tevens kennis op over de eindtijd. Jezus zegt: Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn (Mat.24:37). Vandaar dat wij op deze zaken ingaan. Wij willen in de komende tijd zijn als een Noach, predikers der gerechtigheid, mensen Gods in wie het beeld van de Zoon Gods geheel openbaar komt. Wij willen leven als een Henoch, met God wandelend, onbereikbaar geworden voor duivel en dood. Dan zullen God en Jezus door ons heen tot hun doel komen en zal al het geweld van de boze verstommen en zal alle schade die hij daarmee heeft aangericht, hersteld worden. Alles zal werkelijk nieuw gaan worden en geheel naar Gods wil de volle vrucht gaan voortbrengen. Prijs de Heer voor dit heerlijk toekomstperspectief en voor zijn grote trouw aan de mens, aan ons!