Laat ons mensen maken

Inleiding

Nadat God de hemel en de aarde door zijn woord in het aanzijn had geroepen, brak op de zesde scheppingsdag het moment aan waarop God de kroon op zijn werk zou zetten. Zijn diepste gedachte kwam tot uiting: de mens, een wezen naar zijn beeld. Daarmee voltooide God zijn schepping en openbaarde Hij het motief en het doel van zijn handelen.

Aankondiging

En God zeide: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt (Gen.1:26). Een uitspraak die verschilt van alle voorgaande scheppingswoorden. Op geen van de vorige dagen heeft God gesproken over ‘laat ons’. Bij het scheppen van hemel en aarde wordt niets gezegd over meerdere personen die bij het formeren betrokken zouden zijn geweest. God was ‘alleen’ bezig zegt Jesaja 44:24. Er was niemand naast God of bij God met wie Hij in overleg trad of met wie Hij de dingen gezamenlijk aanpakte (Rom.11:34). God sprak en het was er; Hij gebood en het stond er (Ps.33:9). Waarom dan nu, op het hoogtepunt van het scheppend handelen Gods dit ‘laat ons’? Was er dan toch een tweede persoon? Duidt dit dan toch op de door velen veronderstelde aanwezigheid van Jezus Christus? Ik wil in deze fase van onze studie betreffende het oorspronkelijke ingaan op enkele schriftplaatsen die in deze richting zouden kunnen wijzen. In een latere fase zullen vele andere teksten en bijbelgedeelten die op dit moment buiten beschouwing moeten blijven, aan de orde komen.

Het woord

Als Johannes zijn evangelie begint met de al eerder geciteerde woorden: ‘In den beginne was het woord’, wordt door velen zonder meer gedacht aan de persoon van Jezus Christus. Men beroept zich dan onder andere op het veertiende vers: het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Men stelt dan het ‘vleesgeworden woord’ gelijk aan het ‘woord’. In zijn eerste brief spreekt Johannes over het woord des levens. Dit leven was bij de Vader en is aan ons geopenbaard (1:1-3). Ook hier wordt dan het ‘geopenbaarde woord des levens’ gelijkgesteld met hetgeen bij de Vader was. Dit zou dan doorgetrokken moeten worden in alle andere teksten waarin over het woord gesproken wordt. In Hebreeën 11:3 zou dan in feite staan dat de wereld door Jezus Christus tot stand is gekomen. Niet God, maar Jezus zou dan de Schepper zijn. Dit is dan wel in tegenspraak met wat Jesaja schrijft in hoofdstuk 44:24 en in 45:12. De bovengenoemde benadering werpt sluiers over het hele scheppingsgebeuren, over de plaats en positie van Jezus Christus, over zijn afkomst en geboorte en over de diepste bedoeling van God met de mens.

Het plan van God

Met het ‘woord’ bedoelt Johannes niet een ‘wezen’ tussen de ongeschapen God en de geschapen dingen, maar het totaal van het plan van God met mensen. Op grond van dit allesomvattende, volmaakte, intens goede plan is God gaan scheppen. Uit dit ‘woord’ zijn alle scheppingswoorden en daden voortgekomen: de hemel, de engelen, de aarde, het uitspansel, de zon, de maan, de sterren, de planten, de vogels, de vissen en alle andere dieren, de mens…. alles is ontstaan door het woord en op grond van dit woord. Nadat in een bepaald stadium van de ontwikkeling van de mens de grootste engel was gevallen en de mens tot zonde was gekomen, beloofde God de Messias (Gen.3:15). Ook dit kwam voort uit het ‘woord dat in de beginne bij God was’. God is altijd blijven denken en spreken vanuit zijn oorspronkelijke gedachten en bedoelingen. Jezus is óók voortgekomen uit het woord. Hij vormt in de geworden situatie zoals wij die nù met elkaar kennen, de kern van het plan van God met mensen. Hij is de mens Gods geworden waar God in Genesis 1:26 al op doelde. In Hem is de diepste zin van het woord Gods ‘vlees en bloed’ geworden. Het door God bedoelde leven is er in zijn bestaan helemaal uitgekomen. En daar spreekt Johannes van. Het ‘vleesgeworden woord’ is er op grond van ‘het woord’; het is daar uit voortgekomen, maar kan er niet gelijk mee worden gesteld. Het ‘woord’ is meeromvattend, het houdt meer in dan in het vleesgeworden woord openbaar is gekomen. Het gehele plan van God met mensen vanaf den beginne tot in alle eeuwigheden, met alles wat daarvoor nodig was en is, ligt in ‘het woord’ besloten.

De wijsheid

In Spreuken 8:22-31 wordt over de wijsheid gepredikt. De stijl die de spreukendichter hanteert, kan opnieuw aanleiding geven tot misverstanden. De wijsheid wordt als een persoon voorgesteld die vóór alle andere dingen geschapen zou zijn. De Here heeft mij tot aanzijn geroepen als het begin van zijn wegen, vóór zijn werken van ouds af (vers 22). Dit loopt parallel met de gedachte uit Johannes 1. De wijsheid die bij God was als een troetelkind (vers 30), komt overeen met het woord dat bij God was. Ook ‘de wijsheid’ behelst het totaal van Gods plannen en bedoelingen. Het is door dit woord en op grond van deze wijsheid dat God alle dingen heeft laten geworden die geworden zijn; dat Hij de hemel bereidde, de eerste stofdeeltjes der wereld maakte en de grondslagen der aarde bepaalde (26, 27, 29). In zijn eerste brief aan de Corinthiërs spreekt Paulus over Christus die ons van God geworden is: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing (1:30). Opnieuw komt naar voren dat Christus de ‘vleesgeworden’ wijsheid is. Hij is ons gegeven op grond van het oorspronkelijke plan van God: de wijsheid Gods, waaraan God trouw is gebleven ook na de zondeval en altijd trouw zal blijven tot in alle eeuwigheden. De wijsheid Gods houdt evenwel meer in dan wat er in Jezus Christus naar voren is gekomen. God heeft bijvoorbeeld in zijn oneindige wijsheid de tijden en gelegenheden aan Zich gehouden (Hand.1:7).

Eén God en één Here

Paulus belijdt: Voor ons nochtans is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn, en één Here, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn, en wij zijn door Hem (1Cor.8:6). Deze uitspraak van de apostel dienen we in al zijn volheid te gaan doorgronden. Er is voor ons maar één God: de Schepper, de bron van alle leven, de Formeerder van alles wat is. Tevens is er voor ons maar één Here: Jezus Christus. Hem heeft God én tot Here én tot Christus gemaakt, zegt Petrus op de Pinksterdag (Hand.2:36). En het is door Hem dat alle dingen (er) zijn en dat wij (er) zijn. Dit betekent niet dat Hij alles heeft gemaakt, maar het houdt in dat God door de gedachte aan ‘de Christus’ is gaan scheppen. In het woord dat bij God was, in de wijsheid die in de Vader was, vormde ‘de Christus’ de kern, de spil. Het is van den beginne Gods bedoeling geweest alle mensen onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten (Ef.1:10). Met en in Hem zijn alle mensen van vóór de grondlegging der wereld uitverkoren om in liefde als zonen van God te worden aangenomen (vs.4,5). In het plan van God, in het ‘woord’, neemt de mens(heid) in Christus, vervuld tot alle volheid Gods (Ef.3:19), een centrale plaats in. Van daaruit is God gaan scheppen en werken.

Niet zonder de mens

Het ‘laat ons mensen maken’ duidt op grond van het bovenstaande dus niet op een tweede God of op de aanwezigheid van Jezus Christus op dat moment. Wat houdt het dan wel in? Waarom dit meervoud?
Ik geloof dat het er niet zomaar staat. Het heeft een diepe betekenis. Alles wat God tot op dat moment had geschapen, zou dienstbaar mogen zijn aan wat God nù ging scheppen. Het gehele engelenheir zou al zijn begaafdheden en vermogens mogen gaan inzetten om de mens(heid) in diens ontwikkeling te ondersteunen, te dienen en te begeleiden, opdat de bedoeling van God met de mens er helemaal uit zou gaan komen. In die zin doet God met de uitspraak ‘laat ons’ een duidelijk beroep op de (blijvende) inzet van alle engelen. Hij geeft aan met welk doel Hij hen geschapen heeft.
Maar er is meer. Vanaf de zesde dag heeft God niets meer ‘alleen’ gedaan. Met het scheppen van de mens begon God met ‘samenwerken’. Hij zèlf zou de basis leggen, maar alles wat op die basis tot stand zou komen, zou slechts samen met de mens kunnen geschieden. Zo had God het op grond van zijn oneindige liefde voor de mens bepaald. De mens zou in wederliefde tot God, in een steeds hechter en intiemer wordende gemeenschap met Hem, mogen komen tot het doel van God: partner van Hem tot in alle eeuwigheid. Het ‘laat ons’ dat God in de aankondiging van zijn grootste scheppingsdaad laat doorklinken, wijst op dit verlangen van God om vanaf het allereerste begin te komen tot een gemeenschappelijk werken. Het laat heel mooi en duidelijk uitkomen met welke verwachting God begon aan de realisatie van zijn diepste gedachte. Het geeft de mens(heid) van meet af aan iets in handen van het toekomstige, het uiteindelijke. Het ‘partner van God zijn’ zou in de gehele ontwikkeling daar naartoe al een concrete inhoud mogen hebben. Dit ‘laat ons’ heeft God nooit meer losgelaten en zal God ook nooit loslaten. Alles wat in mensen, aan mensen en door middel van mensen naar Gods wil tot stand komt, is een vrucht van het samenwerken van de mens en zijn God. Ook Jezus is geboren na een hernieuwd ‘laat ons’. We zullen deze kerngedachte in Gods plan met mensen nog heel wat keren zien terugkomen.

Beeld en gelijkenis

In de aankondiging van de schepping van de mens spreekt God over mensen ‘naar ons beeld, als onze gelijkenis’. In de transcriptie vertaling van Dr. Reisel wordt vers 26 als volgt vertaald: Wij zullen maken een mens(heid) naar ons beeld, in overeenstemming met ons, en zij zullen heersen over…
Het gaat God dus om wezens, mensen, die net als Hij en al de engelen in de geestelijke wereld kunnen functioneren en die vanuit deze situatie en positie op aarde kunnen heersen. Wanneer God in vers 27 overgaat tot de concrete schepping van de mens staat er: ‘Toen schiep God de mens naar zijn beeld; naar het goddelijk beeld heeft Hij hem geschapen’ (Reisel). Dit vers geeft duidelijk aan door wie de mens is geschapen: door God, door Hem alleen! Daarin hebben de engelen God niet kunnen dienen of helpen; daar is ook de mens zelf niet bij geweest. God schiep de mens naar zijn beeld, naar Gods beeld schiep Hij hem. Er staat niet: ‘En zij schiepen de mens naar hun beeld, naar het beeld Gods schiepen zij hem’. De meervoudsvorm wordt alleen bij de aankondiging in vers 26 gebruikt. De engelen zullen er vol verwachting omheen gestaan hebben, gereed om door God ten dienste van de mens uitgezonden te worden; de mens zelf zou na zijn schepping ook ingezet worden, maar het begin is een zaak geweest van God zèlf. God schiep de mens naar zijn beeld.
In Genesis 5:1 wordt deze gedachte herhaald: Ten dage dat God Adam schiep, maakte Hij (!) hem naar de gelijkenis Gods. De mens is dus een beelddrager Gods, een zoon van God, in aard en wezen. De mens gelijkt op God, maar is niet aan God gelijk. God schiep de mens met eigenschappen en vermogens die overeenkomen met wat in Hem is. Hij schiep een menselijk wezen dat geheel complementair was aan zijn eigen wezen, met alle mogelijkheden tot volledige en eeuwigdurende gemeenschap. Geen wezen dat identiek was aan God, maar in alle opzichten harmonisch paste bij God. Bovendien legde God het reeds eerder genoemde unieke principe van groei en ontwikkeling in dit menselijk wezen. Vanuit deze volmaakte begintoestand zou de mens onder leiding van en in gemeenschap met God kunnen uitgroeien tot de volwassenheid die God voor ogen had: een leven op een Gode (gelijk)waardig niveau in een liefdes- en werkgemeenschap met God. Niet voor niets roept de Psalmist uit: ‘Gij gaaft de mens een haast goddelijke staat; met waardigheid hebt Gij met schoonheid gekroond die Gij heerser maakt over het werk Uwer handen’ (Ps.8:6,7 Gerhardt). Het ‘bijna goddelijk’ waar de NBG-vertaling van spreekt, duidt dus niet op een onvolmaakte aard (natuur), maar op een nog onvolwassen niveau (statuur). Bij het scheppen van de mens naar zijn beeld legde God zo'n intens goede en volmaakte basis, dat hierin alles, maar dan ook alles besloten lag voor een volledige realisatie van zijn bedoeling met de mens. God schiep geen ‘eerste mens’, om daar later nog eens een ‘tweede mens’ uit te voorschijn te doen komen, God schiep ‘de mens’. In een later stadium van onze studie zullen we op deze gedachte terugkomen en het verder uitwerken.

Totaal

In Genesis 1:26 maakt God zijn totale plan met de mens bekend. Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis opdat zij heersen over al het werk van mijn handen; zo zouden we het kunnen samenvatten. Het hoge woord komt eruit. Deze uitspraak van God was zo veelomvattend, het greep zo ver vooruit, dat alleen God zelf de draagwijdte ervan overzag. De engelen hebben in die fase niet kunnen doorzien en overzien wat God bedoelde. Petrus zou later schrijven dat engelen begeren een blik te slaan in de dingen die God met mensen bedoelt (1Pe.1:12). De engelen zullen wel iets ervaren hebben van intense vreugde die van God uitging toen Hij deze dingen bekend maakte. Zij hebben God horen spreken, maar ze zijn pas in een later stadium gaan begrijpen wat God in wezen bedoelde. Voor God was dit evenwel het grote moment; nu zou tot stand komen waar Hij van den beginne naar had verlangd.
Het ‘opdat zij heersen’ dienen we in al zijn volheid op te vatten. Het heersen van de mens(heid) over al het geschapene is slechts mogelijk vanuit een hemelse positie. Geen enkel wezen dat ‘slechts op de aarde leeft’, is in staat het hele leven op aarde in al zijn details te overzien, te beschermen en te bewaren. Dit is alleen mogelijk voor iemand die gemeenschap heeft met de Schepper van de aarde, zich op het niveau van die Schepper kan bewegen en kan werken met alle mogelijkheden die daaruit voortvloeien. God roept in deze scheppingswoorden de mens reeds op om ‘hoger op te klimmen’, om samen met God alles te gaan dragen, te gaan beheersen. Hierin doelt God dus reeds op het uiteindelijke: de mens met Hem op de troon.

Grote verwachting

Uit de aankondiging die God deed op de zesde scheppingsdag, kunnen we de enorme liefde en verwachting van God proeven. In volle zekerheid, vol van geloof sprak God zijn diepste verlangen uit. Dit alles is nog steeds in God en bij God. Het ‘laat ons mensen maken’ is een uitspraak die nog steeds hoogst actueel is. Het komt vandaag de dag ook naar ons toe. God doet in Christus voor heden en toekomst een beroep op ons aller inzet, om met alles wat in ons is, met alle (weder)liefde tot Hem te komen en samen met Hem te werken aan de voltooiing van wat God is begonnen te doen in Genesis 1:26. Wanneer wij hier werkelijk op ingaan en helemaal in meegaan, zullen alle beloften van God ten aanzien van de mens in Christus, in ons leven in vervulling gaan en zal Gods plan voltooid worden: God alles in allen.