De wording van de aarde

Inleiding

Nadat God in den beginne de hemel met al wat daarin is had geformeerd, brak het moment aan dat Hij de aarde ging scheppen. Een wereld waarin het door God uitgedachte principe van groei en ontwikkeling gestalte zou gaan krijgen.
God deed de aarde ontstaan vanuit het ‘niets’; Hij schiep de aarde door zijn woord waarin de enorme kracht van zijn Geest werkzaam was. Een zaak die wij slechts door het geloof kunnen verstaan en begrijpen. In Hebreeën 11:1 wordt deze gedachte verwoord: Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods tot stand gekomen is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.

Stof

Zou de aarde en al wat daarop is in één moment zijn ontstaan? Ik denk dat God bij de schepping van de natuurlijke wereld vanaf het meest prille begin gefaseerd heeft gewerkt en waar mogelijk het principe van groei en ontwikkeling heeft toegepast. Ik meen dat God is begonnen met het scheppen van een basis, de materie, en vanuit deze meest fundamentele en elementaire grondstoffen het geheel opbouwde, het samenvoegde tot nieuwe eenheden en op deze wijze de aarde liet ontstaan. Een groot wonder.
In de hedendaagse natuurwetenschappen is men ervan overtuigd geraakt dat massa en energie gelijkwaardig zijn. Men kan processen beschrijven waarbij stof - massa - verdwijnt en er energie ontstaat en andersom: er ‘verdwijnt’ energie en er ‘ontstaat’ massa.
Er bestaat in de natuur een eenvoudige relatie tussen een bepaalde hoeveelheid onzichtbare energie en een zekere hoeveelheid zichtbare stof. Een rekenvoorbeeld leert dat in één duizendste gram materie een hoeveelheid energie ‘besloten’ ligt waarmee wij een jaar lang een huis kunnen verwarmen!
Als we nu bedenken dat de aarde een massa heeft van ongeveer een miljoen maal een miljoen maal een miljoen maal een miljoen kilogram - een voor ons onvoorstelbaar grote hoeveelheid materie - zult u met mij onder de indruk komen van de geweldige hoeveelheid energie die hierin is samengebald. Wat een energie moet er dan wel in dat woord van God aanwezig zijn geweest toen God de aarde schiep en die hele zichtbare wereld als het ware ‘uitkristalliseerde’ en vaste vorm kreeg. Welk een kracht moet er in Gods woord besloten liggen om zoiets in het aanzijn te roepen. Wat een wonderbaarlijke fase is dat geweest: door het woord van God ontstond de aarde vanuit de hemel, schiep God het waarneembare vanuit het onzichtbare. De engelen zagen het, zij waren er in grote vreugde en vol bewondering getuige van; zij juichten tezamen en jubelden (Job 38:7).

Dagen

De fasen waarin God de aarde gereed maakt voor haar bestemming, worden in Genesis 1 beschreven als dagen. Ik zou het begrip ‘dag’ willen omschrijven als een bepaalde ‘fase’ in het plan van God. De bijbel leert ons dat bij de Here één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag (2Pe.3:8).
Zo'n dag, zo'n fase begint met een ‘volheid des tijds’, een markant punt in de ontwikkeling van het geheel, de ‘morgen’. Als we het eerste hoofdstuk van Genesis doorlezen, valt het op dat elke nieuwe dag begint met een spreken van God: God maakt zijn plan voor de komende fase bekend; Hij openbaart welk deel van het grote geheel op dat moment aan de orde is.
Na dit spreken van God in de morgen worden deze woorden gerealiseerd, werkt God zijn plan uit en komt er tot stand wat Hij bedoelt (vs.6/7, 14/16,20/21,24/25).
Aan het einde van zo'n tijdperk - in de ‘avond’ - is alles voltooid; het woord Gods heeft dan gedaan wat God behaagde en volbracht waartoe het gezonden was (Jes.55:11). Bij het vallen van de avond ziet God dat het allemaal ‘goed’ is, dus geheel voldoet aan zijn verwachting en helemaal past bij zijn wezen. Het geheel is dan toe aan een nieuwe volheid des tijds, rijp voor een volgende dag waarin God weer zal spreken en weer zal toevoegen aan het steeds mooier en grootser wordende geheel.
Dat is de werkwijze die God vanaf het begin heeft toegepast. Zo werkt God nog steeds. Hij spreekt in een volheid des tijds om het daarna te gaan uitwerken. God doet de dingen in het openbaar, met de helderheid en de openheid die Hem kenmerkt. Elke morgen van zo'n nieuwe dag betekende een nieuw hoogtepunt. Elke keer weer zullen de engelen als het ware hun adem ingehouden hebben als God ging spreken. Ze zullen iedere keer weer opnieuw in gejuich en gejubel zijn uitgebroken over het geweldige nieuwe dat God aankondigde. Ze waren begerig naar alles wat God wilde gaan doen. Verwachtingsvol, hoopvol, vreugdevol ‘leefden ze mee’. En wat zal het voor God zelf geweest zijn; ook Hij zag met grote blijdschap en vreugde zijn schepping definitievere vormen aannemen.

Beginsituatie

God formeerde de aarde aanvankelijk in een begintoestand. Deze situatie wordt in Genesis 1:2 beschreven: De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag op de vloed en de Geest Gods zweefde over de wateren. De Canisiusvertaling zegt: de aarde nu was ongeordend..
Het (nog) woest en ledig zijn en het feit dat er (nog) duisternis over de vloed lag, duidt niet op de aanwezigheid van het ‘rijk der duisternis’. Dit rijk was er nog niet. De afval onder de engelen is pas gekomen nadat de mens geschapen was; daarover later meer. De aarde was in deze beginsituatie nog niet bekleed. God zou nog vele dingen toevoegen om haar geheel toe te bereiden voor haar taak. Van aanvang af heeft God de aarde in zijn hand gehouden; het was zijn werk. Hiervan getuigt het bovenstaande vers: de Geest Gods zweefde over de wateren.

Licht en duisternis

En God zeide: Er zij licht (vs.3). In de Statenvertaling staat dan zo mooi: en daar werd licht.. Er ontstond licht. God spreekt en het komt tot stand.
Vaak wordt aan dit gedeelte een puur geestelijke uitleg gegeven, mede omdat er pas op de vierde scheppingsdag gesproken wordt over zon, maan en sterren. We dienen deze verzen niet te gaan vergeestelijken; zij beschrijven het proces dat ná het formeren van de aarde door Gods woorden en werken heeft plaatsgevonden om alles voor te bereiden op het uiteindelijk bedoelde: de schepping van de mens.
Wat voor soort licht wordt hier dan bedoeld? Ik denk dat God op deze eerste dag, in deze eerste fase, lichtbronnen heeft gemaakt waarvan slechts het schijnsel op aarde zichtbaar werd. Ongetwijfeld zal door de grote hoeveelheden water die nog niet gescheiden waren door het uitspansel (tweede dag) er een nevel hebben gehangen waardoor deze lichtbronnen nog niet zichtbaar waren en er slechts diffuus licht de aarde kon bereiken.
Genesis 2:6 spreekt over deze nevel die over de aarde hing ten tijde dat God de aarde en de hemel schiep en er nog niets aan de aarde ontsproten was: een damp (een nevel LuV) steeg op uit de aarde. In een latere fase - de vierde dag - spreekt God woorden waarvan volgens M. Reisel de bedoeling kan zijn: Laten de achter nevel schuilgaande lichtbronnen nu op aarde zichtbaar worden (Gen.1:14 kanttekeningen bij de transcriptievertaling). In die fase krijgen de lichtbronnen hun duidelijk ‘zichtbare’ plaats; het vormt de afronding van wat in de eerste fase tot stand is gebracht.
Het scheiding maken tussen licht en duisternis heeft evenmin iets te maken met ontstaan van het rijk der duisternis. God bepaalde in zijn oneindige wijsheid dat het licht niet altijd te zien zou zijn. En waar geen licht komt, is het donker; dit is een gevolg.
Is dat negatief? Nee. Ik denk dat het heel goed is dat de wereld niet voortdurend in het licht is. Daar kunnen de meeste planten niet tegen; daar is de natuur niet op afgestemd. Hoe zou er nog dauw gevormd kunnen worden als het altijd licht is? In de natuur hebben ‘dag’ en ‘nacht’ een door God bedoelde functie. Dat in de bijbel in een later stadium het licht - de dag - en het duister - de nacht - gebruikt worden om een ontstane realiteit in de geestelijke wereld te verduidelijken, is een geheel andere zaak.

Het leven

Op de derde scheppingsdag spreekt God voor het eerst over ‘leven’. En God zeide: Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruchtbomen die naar hun aard vrucht dragen, welke zaad bevatten, op de aarde; en het was, het geschiedde (LuV) alzo. En de aarde bracht jong groen voort, gewas dat naar zijn aard zaad geeft en geboomte dat naar zijn aard vruchten draagt (Gen.1:11).
Op dat moment laat God iets te voorschijn komen in de natuur dat er voor die tijd nog niet was. In deze fase van het gereed maken van de aarde voor haar doel komt de eerste en laagste vorm van leven te voorschijn en treedt voor het eerst het door God bedachte principe van groei en ontwikkeling in werking.
Met het spreken, het handelen Gods werden er ‘groeikernen’ gelegd in de aarde. God voegde iets toe; Hij schiep het leven. Na enige tijd werd het resultaat daarvan zichtbaar: het eerste groen kwam op, steeds verder, steeds meer. Gras, bomen, struiken, gewas, vruchten, zaaddragend gewas enz. in een veelheid van kleuren, van vormen, van hoogten .. onvoorstelbaar mooi. In die fase werd de aarde op een schitterende en volkomen harmonieuze wijze ‘bekleed’. Het is de fase geweest waarin de aarde voor het eerst tot vruchtbaarheid kwam.
En dit was nog maar het begin. In de volgende fase kregen de zon, de maan, de sterren hun definitieve plaats en functie om het geschapene in alles te ondersteunen, zodat het zich optimaal kon ontwikkelen. Alles paste bij elkaar en sloot op elkaar aan.
Daarna kwamen de dieren erbij; een weer hogere vorm van leven. Eerst de vogels en de vissen en daaropvolgend de andere dieren, levende wezens naar hun aard.
En iedere keer staat er: en God zag dat het goed was.

Close up's

In al deze scheppingsfasen is zoveel gebeurd dat het nauwelijks in één keer onder woorden is te brengen. Daarin heeft God voorzien toen Hij dit alles aan de schrijver van het boek Genesis openbaarde. God heeft aan Mozes alles bekend gemaakt door middel van visioenen en openbaringen.
In Genesis 1 wordt als het ware de grote lijn aangegeven; er wordt gesproken over de dagen, de fasen, die op elkaar volgden.
In Genesis 2 worden verschillende delen hiervan opnieuw belicht. Zij vormen tezamen een aantal close up's die we dienen in te passen in het grote geheel. We hebben hiervoor reeds gezien dat Genesis 2:4b en 6 een aanvulling vormden op- en een verduidelijking betekenden van de eerste verzen uit Genesis 1. Hetzelfde geldt voor Genesis 2:19a als aanvulling op 1:20,21. God heeft maar één keer vogels geschapen; de verschillende gedeelten beschrijven één gebeurtenis. Zo dienen we ook Genesis 2:9a te verbinden met Genesis 1:11,12. Op deze wijze kan er vanuit Genesis 1 en 2 een totaalbeeld ontstaan waardoor wij meer inzicht krijgen in de werkelijkheid van die tijd.
Ik geloof dat God dit bedoelt. Zodoende zullen wij ook gaan verstaan waar God naar toe werkt: het boek Openbaring is op een zelfde wijze opgebouwd; we zullen er te zijner tijd aan toe komen.

Climax

God was blij met alles wat tot stand kwam. De engelen zullen begrepen hebben dat alles wat gebeurde naar iets uiteindelijks toe werkte. Zij zullen aangevoeld hebben dat er iets heel groots te gebeuren stond.
Bij het naderen van elke nieuwe volheid des tijds zinderde het in de hemel van vreugde en verwachting; wat zou God nu weer tot stand gaan brengen. Iedere volheid des tijds ging weer uit boven het voorgaande. Een opklimming naar een voor de engelen nog onbekend hoogtepunt.
God verlangde er ook naar; met dat doel was Hij begonnen; met vaste hand werkte Hij in volle rust, met grote energie toe naar de grote zaak: de schepping van de mens.
Op de zesde dag is God gereed met het treffen van alle voorbereidingen. De hemel was gereed en bereid om in actie te komen ten bate van de mens en de daaruit voortkomende mensheid. De aarde was gereed om de kroon der schepping te ontvangen. Zij was een omgeving geworden, een plaats van volmaakte harmonie waarin de mens optimaal en naar alle kanten toe zich zou kunnen ontwikkelen.
De aarde was in een paradijselijke toestand. Er was in hemel en op aarde een omgeving gecreëerd die God nodig achtte om met de mens die Hij nu zou gaan scheppen, te bereiken wat Hij van plan was.
Nu brak een volheid des tijds aan om hemel en aarde dienstbaar te doen zijn voor de te scheppen mens, waardoor én de hemel én de aarde én de mens tot hun goddelijke bestemming zouden gaan komen.