God zoekt de mens op (4)

Inleiding

God had na de zonde van het eerste mensenpaar opnieuw het initiatief genomen voor een samenzijn met de mens. Hij zorgde voor een ontspannende en rustgevende ontmoeting in de avondkoelte (Stb.39). In het gesprek dat zich daarna ontwikkelde, had God de mens van zijn genade en trouw verzekerd. Vanuit zijn intens goede en liefdevolle hart beloofde Hij de mens heil en voortgaande zegeningen voor heden en toekomst.

Daarnaast had God gewezen op de onafwendbare gevolgen van hun verkeerde daad. Het kwaad en de vloek zouden eveneens hun invloed laten gelden in hun verdere leven. Dit zou op alle terreinen van het menselijk bestaan naar voren komen (Stb.40). En dit zou tevens een enorme vertraging teweeg gaan brengen in de uitvoering en volledige realisatie van Gods plan met mensen.

Sterven

God vervolgt in Genesis 3:19 zijn uiteenzetting over de gevolgen van de zonde. Hij gaat daar met Adam en Eva spreken over het komende einde van hun leven op aarde, over het sterven. En daarmee komt Hij terug op de reeds eerder gedane waarschuwing uit Genesis 2:17 in verband met het eten van de boom der kennis van goed en kwaad: Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.

In Studieblad 32 is al aangegeven wat er in eerste instantie met dit 'sterven' wordt bedoeld: het in (geestelijke) ballingschap geraken en de daarbij behorende ellende gaan ervaren. Dit geschiedt door het macht krijgen van Dood in het leven van de mens. Het treedt direct in na het begaan van de zonde (Stb.30/5). Adam en Eva hadden dit al ervaren (Stb.37/2,3). Zij waren reeds begonnen te sterven (naar Rom.7:9).

Proces

Doch dit was inderdaad slechts het begin. Het sterven van mensen is niet zo zeer een gebeuren dat op een bepaald moment in het leven van een mens plaatsvindt, doch veeleer een proces dat gedurende zijn leven zich voltrekt. Tijdens het verloop hiervan komen onder meer de volgende kenmerkende elementen naar voren: neergang en achteruitgang, remming en stillegging, scheiding en beëindiging, verval en ontbinding. Louter negatieve zaken!

Dit proces is niet uit God en derhalve ook niet 'des mensen'. Door de zonde komt de mens in deze neergaande spiraal terecht en alleen een 'nieuw feit' kan er een ommekeer in brengen (zie ook Stb.40/8).

In twee werelden

De mens is door God geschapen voor een leven in twee werelden. Daartoe heeft de mens vanaf het meest prille begin een geestelijk en een natuurlijk lichaam. Van aanvang af is hij een mens, een 'geest-ziel-lichaam' wezen.

De start van elk proces dat zich in het leven van de mens voltrekt, komt tot stand in het diepste wezen van de mens, het hart. Het beginpunt ligt dus altijd in de geestelijke wereld. Wanneer zo'n proces eenmaal op gang gekomen is, blijft dit niet in het hart van de mens verborgen. Het openbaart zich van 'binnen' naar 'buiten'. Het komt in de geestelijke en de natuurlijke wereld te voorschijn.

Beginpunt

Het proces van sterven van mensen begint in de geestelijke wereld. Zodra Dood zijn intrede doet in het leven van de mens, komt de mens in de geestelijke situatie die door deze geest wordt bewerkt: de dood.

Dit moment is het begin van het proces. Er komt een rem op alles wat God in het leven van mensen bedoelt: opgang, ontwikkeling en groei naar volheid. Er wordt door de doodsmachten een zekere scheiding en 'afstand' aangebracht tussen de mens en zijn God. Door hun aanwezigheid is er een tweede invloedssfeer in het leven van mensen ontstaan.

De mens raakt hierdoor echter niet geheel verstoken van het licht vanuit het Koninkrijk Gods; dat is pas aan de orde wanneer de mens werkelijk in de zonde gaat 'leven' en de duisternis liever heeft dan het licht (naar Joh.3:19). Zo'n totale misvorming in het leven van mensen kan niet na de eerste zonde plaatsvinden; zij is het resultaat van een volharden in de zonden.

In Studieblad 31 is de hierboven bedoelde beginsituatie beschreven als de 'lichtzijde' in het dodenrijk (blz.8,9).

Vernedering

Voor de mens brengt deze verandering in zijn geestelijke situatie wel een duidelijke vernedering met zich mee. In plaats van naar Gods bedoeling te kunnen heersen over alle dingen in en rondom hem, en zijn leven samen met God te mogen beheersen en geheel aan zijn wil te laten beantwoorden, wordt de mens onderworpen aan de macht van Dood. Hij wordt vanaf dat moment in de geestelijke wereld overheerst door machten uit het dodenrijk. Hij heeft zijn leven daardoor niet meer in eigen hand en kan het dus ook niet meer tot een goed einde brengen. Het kan niet meer zonder ingrijpen van buitenaf tot zijn goddelijke bestemming komen.

Deze vernedering werkt door in het hele leven van de mens. Zijn hele bestaan is hierdoor vernederd. De bijbel spreekt in dit verband over een vernederd lichaam (Fil.3:21). En daar wordt dus niet alleen het stoffelijke, natuurlijke lichaam mee bedoeld. De mens is door zijn zonde in zijn geheel - naar geest, ziel en lichaam - onderworpen geraakt aan een mensvijandige macht, die niets anders beoogt dan neergang en verval, ontaarding en ontbinding.

Gevolgen

Deze vernedering heeft voor de mens enorme gevolgen gekregen. Het hele menselijke denken en doen is er door beïnvloed. De hele wereld is erdoor veranderd. Fouten en vergissingen zijn 'menselijk' geworden. De onvolmaakt-heid is 'norm' geworden. Het geweld heeft zijn intrede gedaan. Het goede en geordende kan niet langer gewaarborgd worden. De absolute veiligheid en geborgenheid evenmin. Misstanden, wantoestanden, ongelukken... ze zijn niet meer te voorkomen. Het normale en oorspronkelijke is daardoor zover naar de achtergrond gedrukt, dat het aan de ogen van de meeste mensen onttrokken is. Maar alzo is het van den beginne niet geweest!

Verdeeld

De mens raakt door het vestigen van de heerschappij van de dood in zijn leven innerlijk verdeeld; de innerlijke eenheid wordt verbroken. De prachtige en harmonieuze samenhang tussen het geestelijke en natuurlijke lichaam kan daardoor niet meer in volheid worden gehandhaafd. Het geestelijk lichaam kan niet langer in optima forma als neshamah - als levensgeest - in het natuurlijke lichaam functioneren (Stb.6/4). Ontregelingen en geweld van buitenaf kunnen daardoor niet altijd meer worden opgevangen of tegengegaan. Ziektemachten kunnen zich toegang verschaffen tot de hemel van de mens en allerlei ziekten bewerken en laten voortgaan. Hierdoor wordt een verdere uiteenvallen van het zo prachtig door God geschapen menselijk lichaam teweeg gebracht. En zo schrijdt het proces van sterven verder voort.

Eindpunt

Het eindpunt van dit proces is de lichamelijke dood. Het verband tussen het geestelijke en natuurlijke lichaam kan dan niet meer worden vastgehouden. Het geestelijke lichaam kan het stoffelijke lichaam niet meer onderhouden. Er ontstaat een scheiding tussen hetgeen door God was samengevoegd. Het geestelijke lichaam van de mens blijft in de geestelijke wereld bestaan in de situatie waarin het op dat moment verkeert. Het natuurlijk lichaam kan op zichzelf niet blijven bestaan. Het sterft af en valt uiteen. Het keert tot de aardbodem weder.

Dit moment van overlijden wordt meestal het sterven genoemd. In wezen is het dus het eindpunt van het stervensproces.

Eerste dood

Het totale gebeuren van zondigen en sterven wordt in de bijbel aangeduid met het komen in 'de eerste dood'. Met het overlijden van de mens is dit proces van zondigen en sterven voltooid. Het eindpunt is bereikt. Er kunnen geen nieuwe zonden meer bij komen. En dus ligt ook de mate waarin Dood zijn heerschappij over de mens heeft kunnen uitbreiden dan vast.

Het bestaan van de mens houdt echter niet op. Daaraan is geen einde gekomen. In de geestelijke wereld blijft hij - in zijn geestelijk lichaam zijnde - voortbestaan. Zijn situatie in het dodenrijk wordt bepaald door wat hij in zijn leven heeft verricht, hetzij goed, hetzij kwaad (naar 2Cor.5:10). Dit heeft reeds voor zijn overlijden geleid tot een positie aan de lichtzijde van het dodenrijk of in de duistere zijde daarvan, de afgrond.

In deze situatie verandert na het lichamelijk sterven niets meer. Er treedt een 'status quo' in. De mens blijft 'bewaard' tot het laatste oordeel voor de rechterstoel van Christus. Daarover later meer.

Intermezzo

Het bovenstaande geldt voor alle niet-wedergeboren mensen. In hun leven is geen ommekeer gekomen door het werk van Jezus Christus. Het gehele proces van sterven heeft zich daardoor in hun bestaan kunnen voltrekken.

De heerlijke mogelijkheden die door het 'nieuwe feit' - het werk van Jezus Christus - voor mensen zijn ontsloten, kunnen binnen het kader van dit artikel niet naar voren worden gebracht. De betekenis en de doorwerking van de wedergeboorte en de opstanding uit de dood zullen in latere studies worden uitgewerkt.

Gods bedoeling?

Het hele proces van zonde en dood is uit de duivel en niet uit God. God heeft de mens niet uit stof genomen om hem in een later stadium weer tot stof te laten wederkeren. Integendeel, de mens is van oorsprong bestemd om deel te hebben aan de goddelijke natuur en van daaruit bedoeld om te gaan delen in Gods heerlijkheid. Dus om vanuit de door God geschapen beginsituatie door middel van een proces van groei en ontwikkeling in twee werelden te komen tot volwassenheid, vervulling met heilige Geest en uiteindelijk tot verheerlijking.

Heerlijkheid

We zien dit gerealiseerd in het leven van Jezus. Hij zegt, nadat Hij dit door God bedoelde proces geheel heeft doorlopen: En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was (Joh.17:5). Deze woorden duiden niet op een bestaan van Jezus bij God eer de wereld was, maar op het bestaan van de heerlijkheid bij God, voor Hem en voor alle mensen. Dat is wat God van oudsher voor mensen bedoelde! Dat ligt van voor de grondlegging der wereld besloten in zijn plan met mensen, zijn logos. En daar refereert Jezus op dat moment aan.

Deze heerlijkheid ligt bij God voor elk mens persoonlijk gereed! Dat is zijn bestemming. Daartoe wordt ieder mens ook persoonlijk geroepen. Tot dat punt zou de ontwikkeling van elk mens onder Gods bezielende leiding hebben gevoerd. Heerlijkheid voor eeuwige tijden, heerlijkheid tezamen met God tot in eeuwigheid.

Voorbereiding

Om tot dit heerlijke einde te komen had God Zich in zijn oneindige wijsheid voorgenomen om - ter voorbereiding van deze volheid der tijden - al wat in de hemelen en op de aarde is, onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten (Ef.1:10). Voordat de heerlijkheid in en over alle mensen - die in hemel èn op aarde zouden leven - geopenbaard zou worden, zouden eerst allen worden bijeengevoegd in de Gemeente.

Daartoe was Adam geroepen. Hij zou tot die 'Christus-positie' in de Gemeente mogen uitgroeien en daarin mogen functioneren met Lucifer als engel der Gemeente naast zich (zie ook Stb.22 e.v.). Hij zou - in geestelijk volwassen toestand gekomen - als eerste mens gedoopt gaan worden in en tegelijkertijd vervuld gaan worden met heilige Geest en vanuit die gezalfde positie vele andere mensen tot datzelfde punt hebben mogen leiden. Zo wilde God Zich een lichaam bereiden, een Gemeente, een vrouw voor Hem, delend in al zijn heerlijkheid!

Onderbroken

Dit door God bedoelde proces van groei naar heerlijkheid is door het - niet door Hem bedoelde - proces van zonde en dood doorkruist en onderbroken. Zonder Gods eigen ingrijpen zou dit voorbereidingsproces ook nooit meer opgenomen kunnen worden, en dus ook niet meer kunnen worden voltooid.

Maar God heeft wel ingegrepen. Prijs zijn grote en heilige Naam!

In zijn Zoon Jezus is de voorbereiding op de grote volheid van alle tijden weer ter hand genomen. Hem heeft God nu én tot Here én tot Christus gemaakt (Hand.2:36). In Hem - Jezus Christus - zal nu alles worden samen-gevat. Hij is nu als Hoofd gegeven aan de gemeente. Hij zal alles in allen volmaken (Ef.2:22,23). Hij zal in deze voorbereidingsfase alles volbrengen wat God heeft bedoeld.

Uitwissen

In dit werk voor mensen, aan mensen en in mensen zal Jezus tevens alle gevolgen van het proces van zonde en dood in hun bestaan uitwissen. Er zal geen dood, geen rouw en geen moeite meer zijn. Alle tranen zullen worden afgewist. Ja, zelfs zo volledig, dat er nimmer meer teruggedacht zal worden aan hetgeen vroeger was. Het zal niemand meer in de zin komen (Jes.65:17)! De eerste dingen - en dus ook de eerste dood - zullen dan voorbijgegaan zijn (Op.21:4). De heerlijkheid Gods zal dan voor eeuwig bij en in de mensen zijn (vers 3). Zij zullen - geheel naar Gods wil - als koningen heersen tot in alle eeuwigheden (22:5).

Beschikking

Door de zonde en de dood moest de mens deze heerlijkheid - voorlopig - derven. God moest dit uitstellen totdat zijn Zoon de werken des duivels en de macht des doods verbroken zou hebben. Totdat zijn Zoon het eeuwige oordeel, de eeuwige scheiding tussen mensen en machten zou hebben aangebracht. En daarom is het de mens beschikt om eenmaal te sterven en daarna het oordeel (Heb.9:27). Daarin ligt niet Gods afwijzing van de in zonde gevallen mens besloten, maar juist zijn genade voor de mens. Hij wil dat alle mensen behouden worden door Jezus Christus (1Tim.2:4). Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde (Joh.3:17). God wil dat alle mensen zodoende behouden blijven voor zijn bedoeling en uiteindelijk toch toekomen aan de heerlijkheid die allen bij Hem hadden, eer de wereld was.

De beschikking om 'eenmaal te sterven' is het gevolg van de zonde van de mens, en zeker geen predestinatie, geen eeuwige voorbeschikking van God.

Eenmaal

We mogen uit het geciteerde vers uit Hebreeën 9 nóg een heilrijke gedachte halen. Het is de mens beschikt om éénmaal te sterven. De Canisiusvertaling is op dit punt nog duidelijker: Het is voor de mensen vastgesteld één enkele maal te sterven. Met andere woorden: God bedoelt voor geen enkele zondaar de tweede dood, de hel (zie ook Stb.31/3)!

Niemand onder de mensen zal ooit door Jezus Christus of door God in de poel des vuurs gebracht worden, die voor - en in feite ook door - de duivel en zijn engelen is bereid. Indien er bij het laatste oordeel mensen in deze poel 'geworpen' worden (Op.20:15), is dat op grond van hun eigen keuze - zij hebben tijdens hun leven de duisternis liever gehad dan het licht. Zij zullen op dat moment zélf - tezamen met de machten der duisternis - naar deze afschuwelijke situatie vluchten.

Tot stof wederkeren

God geeft in Genesis 3:19 aan dat de moeite en de smart de (niet-wedergeboren) mens zullen achtervolgen totdat hij tot de aardbodem wederkeert. Pas dan zal het voorbij zijn. Dan zal het proces van zonde en sterven ten einde zijn en zal hij in alle stilte - en mede gedragen en vertroost door de engelen Gods - mogen wachten op het verlossende oordeel van de Messias.

Het tweede gedeelte van dit vers dienen we goed te verstaan: Gij zult terugkeren tot de grond, waaruit gij genomen zijt (Can). De NBG-vertaling geeft in dit vers aanleiding tot een misverstand: Totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt. Het voegwoord 'omdat' verbindt het voorlopige einde van de mens - het wederkeren tot de aardbodem, het sterven - geheel ten onrechte aan zijn formatie uit stof. De mens zou dan van oorsprong bestemd zijn om te sterven. Het sterven zou dan 'des mensen' zijn. Maar niets is minder waar!

Nasleep

God zegt: Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren (Gen.3:19b). Dit 'stof-zijn' van de mens duidt op de normale en door God bedoelde uitgangspositie van ieder mens die ter wereld komt: de aanwezigheid van een natuurlijk, stoffelijk lichaam. Daarin is niets minderwaardigs. De gehele mens, naar geest, ziel en lichaam, is juist bestemd voor de verheerlijking.

Doordat de mens in zonde is gevallen, kan hij voorlopig niet aan die heerlijkheid toekomen en zal zijn door zonde en dood vernederde lichaam derhalve tot stof moeten wederkeren. God duidt dus op de logische nasleep van de zonde. Hij geeft de mens duidelijk te verstaan op welke wijze het nu zal verder gaan.

Vervolg

In de volgende artikelen zullen we de verdere woorden en daden van God die in dit hoofdstuk zijn opgetekend, gaan bespreken. Ook dan zal duidelijk worden dat God daarin zijn goedheid en liefde openbaart en van zijn trouw en genade voor de mens blijk geeft.