God zoekt de mens op (3)

Inleiding

God is de mens na diens misstap vol liefde en genade in een klimaat van rust en vrede tegemoet getreden. Hij wilde inzicht geven in de situatie die in hun beider leven was ontstaan en duidelijkheid over de gevolgen daarvan. Maar ook uitzicht op de heerlijke mogelijkheden die er voor hen aanwezig waren bij Hem, ondanks alles wat had plaatsgevonden. Vanuit die gezindheid is God gaan spreken. Dit is in de vorige Studiebladen beschreven. We zullen dit spreken Gods nu verder gaan volgen.

Veranderingen

Door de zonde van de mens is er in zijn geestelijke situatie veel veranderd. De primaire gevolgen daarvan - het vestigen van de heerschappij van de dood in hun bestaan - hebben Adam en Eva onmiddellijk ervaren. We hebben daar in Studieblad 37 al bij stilgestaan. Maar dit was niet het enige. Op alle terreinen van hun leven zouden zij - en alle mensen na hen - te maken gaan krijgen met de invloed en macht van Satan en Dood. Dit zou het leven op aarde voor de mens ingrijpend wijzigen. Geestelijke veranderingen in de hemel van de mens hebben voor hem altijd veranderingen op aarde tot gevolg; hij leeft immers in twee werelden tegelijk!

Van Godswege

Van deze veranderingen wilde God het eerste mensenpaar zelf op de hoogte brengen. Niet vanuit het klimaat van aanklacht en verwerping, zoals dat van de kant van de duivel te verwachten is, maar vanuit vergeving en aanvaarding van Godswege. Voordat God de consequenties van de zonde aan de orde stelde, had Hij eerst heel duidelijk de duivel en diens rijk als de veroorzaker van alle ellende aangewezen en veroordeeld. Daarna had Hij de mens verzekerd van zijn hulp en bijstand in de strijd tegen dat mensvijandige rijk en hem zijn belofte van heil en genade voor heden en toekomst aangereikt (Stb.39).

Hetzelfde einde

In de strijd tegen het rijk der duisternis zou de mens(heid) uiteindelijk toch gaan zegevieren. Maar deze strijd zou voor de mens niet meer de strijd zijn waarop God hem in een eerder stadium van de ontwikkeling had willen voorbereiden (Stb.32/2-5). Door de zonde van de mens was zijn positie in de geestelijke wereld ten opzichte van het rijk der duisternis verzwakt; de duivel had macht over hem gekregen. Geestelijke en lichamelijke schade zou daardoor in de komende confrontaties met dit rijk niet meer te voorkomen zijn. Het einde van de strijd die nú -na de zondeval- ontbrand was tussen de mens(heid) en de boze zou hetzelfde blijven: totale overwinning op en uitschakeling van het rijk van Satan. Dat stond voor God vast. Dat blijkt duidelijk uit de woorden die God in Genesis 3:15 uitspreekt: de kop van de slang zal vermorzeld worden. Tevens stond voor God vast dat de mens uiteindelijk tóch zou toekomen aan de volledige realisatie van zijn bedoeling: partner Gods tot in eeuwigheid.

Andere weg

De weg naar dit doel zou anders worden. Daarover wilde God de mens ook informeren. Er zou vertraging ontstaan, schade opgelopen worden. Er zouden overwinningen worden behaald, maar ook nederlagen worden geleden. De mensheid zou veel te verduren krijgen. De door God bedoelde groei en ontwikkeling zou daardoor meer tijd gaan vergen. Er zou herstel en genezing nodig zijn om de opgelopen schade geheel weg te werken. Maar God bleef geloven in zijn plan met mensen. En de vijand zou de verwezenlijking van dit doel van God niet kunnen tegenhouden.

Hiel

Op deze (om)weg duidt God als Hij in Genesis 3:15c tot de slang zegt: En gij zult het de hiel vermorzelen. Reisel spreekt van de hiel 'aantasten'. Andere vertalingen geven een nóg duidelijker beeld: Terwijl gij zult trachten het in de hiel te treffen (LeV); maar gij zult loeren naar zijn hiel (Can/Ob).

De voortgang van de mens zou door 'de hielenbijter' ernstig bemoeilijkt worden. Er zou vanuit het rijk van Satan voortdurend geloerd worden op kansen om de mens opnieuw tot zonde te verleiden, hem nog verder onderuit te halen en zo mogelijk nog meer te beschadigen. En omdat Dood reeds grip op het leven van de mens had gekregen, zou het voor de mens ondanks alle bijstand vanuit het Koninkrijk Gods niet eenvoudig zijn om in deze confrontaties met het rijk der duisternis stand te houden en verdere schade te voorkomen. Zijn hiel zou aangetast worden en het lopen met een dergelijke aangetaste hiel doet pijn en maakt een snelle voortgang bijna onmogelijk.

Toestemming?

Mogen we uit het feit dat God dit tegen de slang zegt, concluderen dat de duivel van God toestemming krijgt om de mens op deze wijze te mogen hinderen op zijn levensweg? Volstrekt niet! Het is een constatering van God, een nuchtere vaststelling van een feit. Hij doorziet en begrijpt dat de mens in de gegeven omstandigheden niet meer zal kunnen ontkomen aan de aanslagen van de boze. Op de moeite en nood die daarvan het logische gevolg is, duidt God als Hij zegt: de slang zal u de hiel vermorzelen. Het doet Hem verdriet dit de mens te moeten aanzeggen, maar de situatie is niet anders.

Straf?

Met het benoemen van de gevolgen van de zonde wil God de mens duidelijk-heid geven in de wetmatigheden van de geestelijke wereld. De vele veranderingen die de mens in zijn verdere leven zal bemerken, zijn allemaal terug te voeren op het feit dat Satan macht gekregen heeft over zijn bestaan. Dat feit lag er nu eenmaal.

Er is dus volstrekt geen sprake van 'straf' van God voor de mens. En dat dienen we in het verdere verloop van deze studie goed voor ogen te houden. God straft de mens niet. Hij keert Zich niet van de mens af. Hij trekt Zich nooit terug. Zo is God niet. God heeft de mens juist van zijn bijstand verzekerd en daarin is Hij trouw en altijd dezelfde. Hij is één en enkel goed.

Goed en kwaad

De straf wordt door de duivel bewerkt. Hij keert aan de mens het loon der zonde uit. En dat zou merkbaar worden in het gehele menselijk bestaan. In alle gezonde en positieve dingen die de mensen tezamen van Godswege mochten beleven, zou door de macht en invloed van Satan een verziekend en negatief aspect gaan opdoemen. In alle goede werken die zij onder Gods leiding mochten verrichten - waartoe de mens geschapen is - zouden zich door de heerschappij van de duivel kwade elementen aandienen. Het hele leven van mensen zou in het teken komen te staan van goed en kwaad - het logische gevolg van het eten van de boom met die naam (zie ook Stb.32/8).

Zegen en vloek

We zouden het bovenstaande ook met andere woorden kunnen beschrijven. God had aan het einde van de zesde scheppingsdag een heerlijke zegen over de mens uitgesproken (Gen.1:28, Stb.22). Deze zegen heeft God niet inge-trokken na de zonde van de mens. Integendeel. Mede op basis van deze woorden had God de mens na diens zonde opnieuw verzekerd van zijn algehele inzet. Hij had opnieuw een waarborg gegeven voor de realisatie van zijn beloften. Er was evenwel iets bij gekomen en tegenover geplaatst. Naast het goede van God, dat van oorsprong aanwezig was, had het kwade van de duivel zijn intrede gedaan in het leven van de mens. Naast de zegen van God was nu ook de vloek van Satan werkzaam geworden.

Wezenlijk verschil

In deze vloek wordt alles weersproken en weerstaan wat God met mensen bedoelt. Het richt zich op een volkomen tegenovergesteld doel met de mens. Het ademt een volslagen ander klimaat uit en bewerkt een geheel andere sfeer. Zegen en vloek staan scherp tegenover elkaar. Zij komen voort uit twee wezen-lijk verschillende bronnen, uit twee totaal verschillende rijken in de hemel.

De zegen komt van God. Zij blijft altijd verbonden met wat in God is. Deze zegen is werkzaam in het Koninkrijk Gods. Zij is voortdurend te ervaren voor alle mensen die met God daarin verkeren.

De vloek komt van Satan. Zij is te allen tijde verbonden met diens wezen. Deze vloek is werkzaam in het rijk der duisternis en dus in allen die in dat rijk verkeren of op enigerlei wijze met dat rijk verbonden zijn. We dienen dit goed te onderscheiden. God heeft de mens en de aarde niet vervloekt. Zij zijn getroffen door de vloek, onderworpen geraakt aan de bewerker van de vloek.

Beide werkzaam

God zou voortgaan met het zegenen van de mens. Zijn zegen zou werkzaam blijven. Daarin zou zijn genade en belofte ten volle openbaar komen! Het zaad van de vrouw zou de kop van de slang in de toekomst gaan ver-morzelen. Doch zolang deze kop nog niet vermorzeld was, zou de vloek van Satan eveneens werkzaam zijn in het leven van de mens. We zien dit te voorschijn komen in de volgende verzen van Genesis 3.

Smart

Aan de vreugde van het vruchtbaar zijn en kinderen baren (naar Gods wil -Gen.1:28), zou moeite, pijn en smart worden toegevoegd (Gen.3:16). Het kinderen-baren op zich wordt de vrouw - en daarmee de mensheid - dus niet ontnomen. Daartoe is de vijand niet in staat. Hij kan slechts moeite en ontregeling daarin teweeg brengen. Dat is de werking van de vloek.

Maar de zegen van God zou ook werkzaam blijven in het baren van kinderen. Dat blijkt in Genesis 4, waar Eva getuigt: Ik heb met des Heren hulp een man verkregen. Bovendien zou door deze blijvende, zegenrijke aanwezigheid van God in de volheid des tijds uit de vrouw (mensheid) de Zoon des mensen geboren worden, die de plaats van Messias en Verlosser zou kunnen innemen.

Overheersing

Ondanks de smart en de pijn bij het baren van kinderen, zou de begeerte van de vrouw naar de man blijven uitgaan en zou zij samen met hem verlangen om nageslacht te zien. Dit begeren naar uw man zal blijven bestaan, hoewel hij over u zal heersen (Gen.3:16c Reisel). Ook hierin zien we dat het positieve blijft bestaan en dat het negatieve eraan wordt toegevoegd.

De door God bedoelde verhouding tussen man en vrouw (Stb.33/6) zou door de werking van de vloek niet meer in de oorspronkelijke vorm kunnen worden bewaard en gehandhaafd. Door de macht en invloed van de boze zou de man de positie van 'hoofd der vrouw' niet langer naar de bedoeling van God kunnen invullen. En vanuit deze overheersing in eigen bestaan zou de man aangezet worden om - op zijn beurt - zijn vrouw te gaan overheersen.

Ondanks dit, zou het oorspronkelijke in de vrouw toch blijven voortbestaan. Het verlangen en begeren van de vrouw zou gericht blijven op haar man, om voor hem - zo goed als mogelijk is - een passende hulp te zijn. En daarin zou zij te allen tijde door God gezegend blijven.

Verhoudingen

Met de veranderingen in de verhouding tussen man en vrouw, zouden ook veranderingen optreden in de omgang van mensen met elkaar. De deformatie zou om zich heen gaan grijpen en gaan doorwerken in gezin en samenleving. De door God bedoelde ordening en samenhang tussen mensen onderling - de Gemeente (Stb.22) - zou door de werking van de vloek uit haar verband worden gerukt. Geweld en overheersing zouden het gezicht van de toe-komstige maatschappij mede gaan bepalen en ook hierdoor zou veel smart teweeg gebracht gaan worden in het leven van de mens.

Maar die gemeente zou er toch gaan komen. Daar stond God Zelf borg voor. De beloofde, toekomstige Zoon des mensen zou door een zeer bijzondere verwekking tevens Zoon van God zijn. Deze mens Gods zou de gemeente Gods gaan bouwen en voltooien (Stb.23). Dat zou Satan met alles wat hij in petto had, niet kunnen voorkomen!

Aarde

Ook in vers 17 blijkt het effect van de vloek: De aardbodem is om uwentwille vervloekt. De bewarende en verzorgende taak die de mens van Godswege had gekregen ten opzichte van al het geschapene (Gen.1:28 - Stb.22/5, 32/5) werd hem niet door God, maar door de duivel ontnomen. De mens kon door zijn onderworpenheid aan duivel en dood niet langer de aarde beheersen. Satan greep de macht en werd door de zonde van de mens de 'overste der wereld'. Met slechts één doel: alles te vernietigen wat God in grote liefde en wijsheid voor en rondom de mens had bereid. Zo wilde hij het leven van de mens zoals God het had bedoeld, onmogelijk maken.

Zwoegen

Het bewerken van de aarde zou de mens evenmin gemakkelijk afgaan. Ook daarin zou de invloed van de vloek merkbaar worden. Het bewerken van de aarde en de hof op zich was naar Gods wil. Daarin zou de mens rijk gezegend worden. De vruchtbaarheid van de aarde zou op allerlei wijzen openbaar komen. Het zou de mens grote voldoening en vreugde geven om op een dergelijke wijze voor God te mogen arbeiden. Mede hierdoor zou de aarde vol worden van de heerlijkheid Gods (Stb.22/4). In het 'zware' van de arbeid, in het zwoegen en zweten komt het negatieve naar voren. Dat hoort er van oorsprong niet bij. Evenmin als de doornen en distels die het resultaat van de menselijke arbeid in negatieve zin zouden gaan beïnvloeden.

Voorkomen?

Had God dit alles niet kunnen voorkomen? Had God het niet zo kunnen leiden dat de 'hielenbijter' weinig of geen mogelijkheden meer zou krijgen om de mens op allerlei wijzen dwars te zitten en te hinderen? God is toch almachtig?

Vanuit een dergelijke wijze van denken over Gods almacht kan ook de vraag gesteld worden: Had God de zonde van de mens dan niet kunnen voor-komen? Hij is toch almachtig?

Nee, God heeft de zonde van de mens - en ook de zonde van de engelen -niet kunnen voorkomen; zover gaat Gods almacht niet. Dit is bij de be-handeling van deze onderwerpen in vorige Studiebladen reeds naar voren gekomen. God kan dus ook de gevolgen van die zonden niet voorkomen. Dat is geen teken van onmacht, noch een tekortdoen aan zijn almacht.

God is één; Hij blijft te allen tijde Zichzelf! God gaat niet en nooit in tegen de wetten, wetmatigheden en principes die Hij zelf in zijn schepping heeft gelegd. God blijft trouw aan Zichzelf en in het betonen van zijn genade voor de mens blijft Hij dus ook rechtvaardig. Hij toont zijn rechtvaardigheid door het erkennen van de gevolgen van de zonde.

Nieuw feit

Slechts door een 'nieuw feit' zouden de gevolgen van de zonde op rechtmatige wijze kunnen worden opgeheven. Dat zou de grote verandering teweegbrengen in het lot van de mensheid. En ook daarin zou het principe van oorzaak en gevolg in volheid werkzaam zijn en blijven.

Dat ‘nieuwe feit’ is tot stand gekomen door het leven en werk van Jezus Christus. Hij, de Zoon des mensen en de Zoon van God, heeft als Lam Gods alle gevolgen van de zonde der wereld vrijwillig op zich genomen - van de mensheid overgenomen - en daarmee de zonde der wereld weggenomen (Joh.1:29). Door Jezus is de genade Gods - in de moederbelofte reeds aan-gekondigd - in volheid verschenen, heilbrengend voor alle mensen (Tit.2:11). Op intens goede en volkomen rechtmatige wijze heeft God daarmee de grote ommekeer gebracht in het proces dat na de eerste zonde in het leven van mensen opgestart is. Daarin blijkt zijn almacht. Hij is rechtvaardig, ook als Hij de mens rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is (Rom.3:26b).

Sterker

Uit dit heerlijke heilsfeit blijkt dat het goede van God sterker is dan het kwade van Satan. Het kwade kán het goede niet overwinnen; het goede blijft altijd bestaan, terwijl het kwaad aan zichzelf ten onder zal gaan!

Tevens blijkt dat de zegen van God het eindresultaat bepaalt en niet de vloek! Het duister heeft het licht nooit kunnen grijpen, laat staan kunnen verdrijven. Daarin blijkt wie God is en waartoe zijn genade in staat is. Prijs God voor zijn onmetelijke genade aan de mens betoond!

Vernieuwen

Wij dienen (ook) ten aanzien van het denken over Gods almacht en Gods alwetendheid een helder en zuiver Godsbeeld te krijgen, opdat we aan God niets ongerijmds meer toeschrijven en Hem gaan zien zoals Hij is (Stb.38/8).

De vernieuwing van denken dient in alle facetten van ons bezig-zijn over en met het evangelie door te werken en ons als mens geheel te doortrekken. Opdat wij in alle delen van ons bestaan hervormd zullen worden en - hersteld van elke misvorming - in volheid mogen erkennen wat de wil en bedoeling van God is: het goede, het welgevallige en het volkomene (Rom.12:2).

Het resultaat hiervan zal zijn dat elke vorm van heerschappij of macht uit het rijk der duisternis, elke invloed van het kwaad, elk effect van de vloek in ons leven door het deelhebben aan Christus zal worden opgeheven en de mens Gods alsnóg in volheid te voorschijn treedt.

Actueel

Wij mogen geheel onder de vloek uitkomen, daaruit weggroeien. Dat is mogelijk geworden op basis van het werk van Jezus Christus en door intense verbondenheid met Hem in heilige Geest. De oorspronkelijke en door God bedoelde werkingen, belevingen en verhoudingen zullen weer terugkeren en opnieuw in alle volheid naar voren komen. De wederoprichting aller dingen zal gestalte krijgen (Hand.3:21).

Laten wij daarom - in het huidige stadium van ontwikkeling - het begin van deze verzekerdheid tot het (heerlijke) einde onverwrikt vasthouden (Heb.3:14). Gods plan met mens en gemeente zal ondanks alles wat gepasseerd is, worden voltooid!