God schiep de mens naar zijn beeld

Inleiding

De mens is het hoogste wezen dat in hemel en aarde door God is geschapen. Meer dan enig ander schepsel draagt de mens de wezenskenmerken van God zèlf in zich. In Genesis 1:27 is dit verwoord: Toen schiep God de mens naar zijn beeld; naar het goddelijk beeld heeft Hij hem geschapen (Reisel). Uit deze woorden blijkt dat er een nauwkeurige overeenstemming moet bestaan tussen het mensbeeld en het Godsbeeld. We willen in dit artikel op deze gedachte ingaan.

Welk beeld hebben wij van God?

In Studieblad 6 en 7 hebben we een beeld geschetst van de mens voor wat betreft zijn geestelijk en natuurlijk lichaam, waarin de samenhang en de eenheid van de geest, de ziel en het lichaam van de mens naar voren komt.
Op deze wijze willen we nu ook in alle eerbied en ontzag bezig zijn met het beeld dat wij van God hebben. Wat wordt er in de bijbel over God gezegd voor wat betreft zijn bestaansvorm in de geestelijke wereld? Zijn er tekstplaatsen die licht werpen op het innerlijk van God? Wat voor samenhang bestaat er tussen God zèlf en de Geest van God? Hoe zit het met de ‘drie-eenheid’? Opnieuw zullen we Schrift met Schrift dienen te vergelijken en geestelijke zaken met geestelijke woorden uitleggen (1Cor.2:13 Br).

God is een persoon met een geestelijk lichaam

In zowel het Oude als in het Nieuwe Testament vinden we vele plaatsen waar gesproken wordt over God als persoon: en God zeide... en God zag... en God deed... en God hoorde. Nergens vinden we in de bijbel enige grond voor een gedachte aan iets ‘onpersoonlijks’, zoals vele grote denkers (waaronder Plato) in het verleden (en in het heden) naar voren hebben gebracht. Het woord ‘God’ duidt niet op ‘de Voorzienigheid’ of op ‘de Werkelijkheid’; God is niet het ‘hoogste Idee’. De bijbel is niet vaag of onduidelijk op dit punt: God is een geest (Joh.4:24 SV); het woord ‘God’ is de naam van een geestelijk Wezen; het duidt op een Persoon met een persoonlijkheid; het is de naam van de Schepper van hemel en aarde (Gen.1:1).
Daarnaast zijn er teksten die spreken over de mond des Heren, de arm des Heren, zijn machtige rechterhand, over zijn voeten en over de ogen en oren des Heren. Er wordt melding gemaakt van de diepten Gods en van het hart van God. Als we al deze geestelijke dingen bij elkaar voegen, ontstaat er opnieuw een beeld van een (geestelijk) lichaam.
Heeft God dan ook een geestelijk lichaam? Gelijkt God hierin op de mens? Ik geloof dat we de zaak dan precies omdraaien: God gelijkt niet op de mens, maar de mens is naar het beeld van God geschapen; de mens lijkt op God. Omdat God een Persoon is met een geestelijk lichaam, heeft de mens een geestelijk lichaam. Omdat God een geestelijk hart heeft, bezit de mens het ook. De mens kan spreken, zien, horen, omdat God dit kan. Bij het scheppen van de mens heeft God iets gecreëerd dat gelijkvormig is aan zijn eigen wezen. Dit geldt niet alleen voor het geestelijk lichaam van de mens, maar ook voor diens natuurlijk lichaam.
Het zichtbare is verbonden met het onzichtbare en vormt daar een weergave van. Hierdoor is het voor ons mogelijk geworden om vanuit het duidelijk waarneembare stoffelijke lichaam een stap te maken naar, en een beeld te vormen van het in eerste instantie wat minder duidelijk waarneembare onstoffelijke, geestelijke lichaam van de mens. We mogen nu op grond van Genesis 1 nog zo'n stap gaan maken en vanuit het totale mensbeeld een duidelijk beeld krijgen van God.

Vergelijking

Als Johannes in zijn evangelie zegt dat God een geest is, bedoelt hij daar zeker niet te stellen dat God een geest is zoals vele anderen, of dat God op één lijn zou staan met alle andere geesten in de geestelijke wereld. God is de Persoon in de geestelijke wereld die alles draagt, uit wie en door wie en tot wie alle dingen zijn (Rom.11:36). Hij is het begin en het einde van alles wat is. In deze zin is God met geen enkel ander wezen te vergelijken (Jes.40:25).
God is niet een geest zoals de engelen geesten zijn; God heeft de engelen geschapen en gaat hierdoor de gehele engelenwereld te boven. God heeft hemel en aarde geschapen; alles wat is, dankt zijn bestaan aan God. God gaat al het geschapene te boven, omdat dit het werk zijner handen is.
Als we het geestelijk lichaam van God gaan vergelijken met het geestelijk lichaam van de mens, dienen we van het bovenstaande doordrongen te zijn. De mens is naar het beeld van God geschapen; er zijn dan ook duidelijke overeenkomsten aan te wijzen, maar tot in alle eeuwigheden blijft het verschil bestaan tussen de Maker en zijn maaksel.

Bijbels taalgebruik

Bij de behandeling van het mensbeeld is reeds naar voren gekomen dat het taalgebruik in de bijbel soms aanleiding kan geven om te gaan of te blijven denken aan afzonderlijke, min of meer zelfstandige functionerende delen van de mens. Zo is er ook ten aanzien van het huidige onderwerp veel mis-verstand ontstaan naar aanleiding van bepaalde bijbelgedeelten.
Opnieuw geldt dat wij niet alleen dienen te lezen wat er staat, maar ook dienen te verstaan wat we lezen. Als ‘de Schrift’ zegt dat de Christus komt (Joh.7:42) ... wie zegt er dan wat? Is ‘de Schrift’ een persoon met een eigen mond? Nee, niemand zal op deze wijze met deze tekst omgaan, omdat iedereen begrijpt wat er bedoeld wordt. De woorden worden ‘verstaan’, geïnterpreteerd. Zo zijn er ook vele plaatsen waar ‘de wet’ iets zegt of spreekt (bijvoorbeeld Rom.3:19), of ‘het woord’ iets tot stand brengt. Maar wie zegt of spreekt er in wezen, wie brengt er in werkelijkheid iets tot stand? Bij al deze dingen willen we gaan denken aan de persoon die hierachter ‘schuilgaat’, hierin ‘verborgen’ is.

De Geest Gods

In de bijbel wordt op velerlei wijze gesproken over de Geest Gods, letterlijk de Geest vàn God. Met behulp van een concordantie kunnen we vele plaatsen opzoeken waar de volgende termen voorkomen: de Geest Gods, de Geest des Heren, de heilige Geest, uw heilige Geest, zijn heilige Geest, mijn Geest, de Geest uws Vaders, de Geest des levens, de Geest der waarheid, de Geest der genade, de Geest uit God, de Geest van wijsheid en van openbaring... Dienen we bij het lezen van al deze teksten te denken aan allemaal verschillende personen of gaat het hier in wezen om één Persoon? Met name voor wat betreft de heilige Geest zijn velen geneigd om aan een tweede persoon naast God te denken.
Is de heilige Geest dan ook een God? Nee, er is maar één God: de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie wij zijn (1Cor.8:6). Is er dan verschil tussen God en Gods Geest, de Geest Gods, de heilige Geest? Is er dan ook verschil tussen mij en mijn geest, tussen de geest van de mens en de mens?
We komen hier op de kern van de zaak. Vanuit het mensbeeld waarin de eenheid van geest, ziel en lichaam duidelijk naar voren is gekomen, kunnen we óók een goed beeld krijgen van God, Gods Geest, God zelf, de diepten Gods... Het mensbeeld is nauw verbonden met het Godsbeeld en andersom. Een goed gefundeerd bijbels mensbeeld is dus niet ‘zomaar’ iets; het is niet zomaar een interessante theorie erbij. Het heeft vele consequenties en bepaalt heel veel van ons voorstellingsvermogen van de geestelijke werkelijkheid.

Naam

Elk mens heeft een naam en met die naam wordt iets bedoeld. Het duidt enerzijds op het diepste innerlijk van de persoon, zijn persoonlijkheid, zijn hart, zijn ziel. Anderzijds slaat het ook op alles wat met dat hart verbonden is: de persoon in zijn geheel, zowel innerlijk als uiterlijk. Hiermee willen we overigens niet zeggen dat elke hedendaagse naam de karaktereigenschappen van de persoon beschrijft, zoals sommige bijbelse namen een weergave zijn van het wezen van de mens die deze naam draagt. Wel mogen we stellen dat elke bepaalde naam (of bijnaam) bij een bepaald persoon ‘behoort’.
God is een geest, een wezen zonder stoffelijk lichaam, een persoon die de naam God draagt. Het woord ‘God’ doelt dus enerzijds op het diepste wezen van God, zijn hart, de diepten Gods, de kern, zijn persoon(lijkheid), maar anderzijds ook op alles wat daarmee verbonden is, zijn Geest, zijn geestelijk lichaam. In één woord worden kern en totaal verbonden en benoemd.
De naam ‘God’ is daarnaast ook een beschrijving van het wezen van de Schepper en geheel met het unieke van de Formeerder aller dingen verbonden. Geen ander wezen mag en kan deze naam dragen.

Omhulling

Het hart, de ziel van de mens is gehuld in en omgeven door zijn geest; tezamen vormen ziel en geest het geestelijk lichaam, de innerlijke mens (Stb. 7). Het wezen van een geest is op overeenkomstige wijze gehuld, verborgen in die geest; ook hier mogen we spreken van een geestelijk lichaam (Stb.3).
Dat bij de mens het geestelijk lichaam bovendien nog verbonden is met een stoffelijk lichaam en daarin als ‘neshamah’, als levensgeest functioneert, onderscheidt de mens van elk ander geestelijk wezen. Mensen zijn personen met een geestelijk en een natuurlijk lichaam, door middel waarvan zij spreken, zien, werken en functioneren in twee werelden tegelijk.
Het wezen van God, het hart van God, God zèlf dus, is gehuld in zijn Geest, in de Geest Gods. God is een geest, een Persoon met een geestelijk lichaam, door middel waarvan God spreekt, werkt, Zich manifesteert, Zich openbaart.

Voorbeelden

Als we op deze wijze de bijbel erop naslaan, komt er een duidelijk beeld van God naar voren. In 2 Kronieken 16:9 staat dat ‘des Heren ogen over de gehele aarde gaan’. Niemand zal hierbij denken aan iets zelfstandigs, dat onafhankelijk van God werkzaam kan zijn; God zèlf ziet (met zijn geestelijke ogen) uit over de gehele wereld om krachtig bij te staan de mensen die Hem zijn toegewijd.
Als Gods krachtige rechterhand ondersteunt, is dat niet een arm op zich; het is God die ondersteunt. Als de Geest Gods over de wateren zweeft, is dat niet alleen de geest van God; God zelf beheerst de wateren. Als de mond des Heren heeft gesproken, wie heeft er dan gesproken? Als de Geest des Heren met en in mij is, wie is er dan met en in mij? Als ik geleid wordt door de heilige Geest, door wie wordt ik dan geleid? Als de heilige Geest iets openbaart, wie openbaart er dan wat? In al deze uitdrukkingen gaat het over God: God spreekt, God is met mij, God leidt en openbaart.
In de heilige Geest, de Geest Gods, zetelt de persoon ‘God’. Het wezen van God is gehuld in de Geest van God en vormt het hart, het centrale ‘gedeelte’ van die Geest.
De heilige Geest is niet een (tweede) God, maar is een aanduiding van God zèlf: God is (een) geest. De heilige Geest is het lichaam van God waarin het hart van God verborgen is.
Wij mogen de heilige Geest niet (meer) scheiden van God zelf; het gaat om één geestelijk Wezen, één Persoon met het meest omvangrijke geestelijk lichaam dat maar in te denken is!

Drie-eenheid

Als de heilige Geest geen aparte God is, is Jezus dat dan wel? Bestaat er dan wel een drie-enig God die één in wezen is?
In Studieblad 5 is de positie van Christus in het plan van God al naar voren gekomen. Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader (Fil.2:11). Er is maar één God, de Vader, en er is één Heer, Jezus Christus (1Cor.8:6); er is maar één middelaar tussen God en mensen, de mèns Jezus Christus (1Tim.2:5).
Jezus is geen tweede God en de heilige Geest is geen derde God. De bijbel spreekt over twee personen. In de eerste plaats over God, de Vader, de Schepper en drager van alle dingen; een Geest, een puur geestelijk wezen met een geestelijk lichaam, zo omvangrijk, zo geweldig groots... bijna onbeschrijfelijk, met daarin het hart van God, de diepten van God. Daarnaast spreekt de bijbel over Jezus, de Heer, het hoofd van de gemeente, de Zoon van God; een (verheerlijkt) mens, een geest-ziel-lichaam wezen, helemaal verbonden met de Vader.
Jezus en God zijn tot één; één in denken, één in streven, één in bedoelingen, één in woord en werk; het zijn twee personen die in elkaar opgaan, zonder hun eigen identiteit daarbij te verliezen. God is nooit mens geworden door zijn vereniging met Jezus in heilige Geest. Toen Jezus gedoopt werd in heilige Geest werd zijn geestelijk lichaam omhuld door en vervuld van de Geest Gods, maar hij bleef een mens; hij werd geen geest, geen tweede of derde God.
Eén van de belangrijkste plaatsen in de bijbel waarop de gedachte aan de drie-eenheid is gebaseerd is 1 Johannes 5:7,8. In het boek ‘Tekst voor Tekst’, waarin de heilige schrift kort verklaard en toegelicht wordt en waarvan de schrijvers - volgens het voorwoord - uit brede kerkelijke kring, voor een belangrijk deel uit de gereformeerde gezindte werden aangetrokken, staat bij dit gedeelte van de Johannesbrief het volgende: vers 7b, 8a is een latere toevoeging die in de oudste Griekse handschriften van het Nieuwe Testament nog niet voorkomt .... en ook het verband min of meer breekt! Vooral de laatste opmerking stemt tot nadenken.
In Londen ligt de codex Sinaïticus, een handschrift uit de vierde eeuw, voor het publiek ter inzage, met een vergrootglas erbij op deze plaats... Duidelijk is te zien dat dit gedeelte er later is bijgeschreven.
Het gaat in deze verzen niet om een drie-eenheid van personen, maar om de eenheid in het getuigenis: ‘Er zijn dus drie getuigen: de heilige Geest, zijn doop in water en zijn dood aan het kruis. En ze zeggen allemaal hetzelfde: Jezus Christus is de zoon van God’ (1Joh.5:7,8 HLW).
Wij dienen de leer van de drie-eenheid los te laten; het staat een helder Godsbeeld en dus ook een helder mensbeeld in de weg.
Op het werk van de verheerlijkte Jezus vanaf Gods troon -door heilige Geest- aan mensen, in mensen en door middel van mensen, zullen we op dit moment nog niet kunnen ingaan. In een later stadium van onze studies over Gods plan met mensen zal dit uitgebreid aan de orde komen.

Bevestiging

De heilige Geest is het (geestelijk) lichaam van God waarin het hart van God verborgen is. Op gelijke wijze is het hart, de ziel van de mens verborgen in diens geestelijk lichaam. In 1 Corinthiërs 2:10b zegt Paulus: De Geest door-zoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods (het hart van God).
In Spreuken 20:27 wordt gesproken over de geest van de mens die al de schuilhoeken van het hart doorzoekt. Een uitdrukking ten aanzien van de mens die sterke overeenkomst vertoont met het woord van Paulus met betrekking tot God.
In vers 11 trekt Paulus de vergelijking verder door: Wie toch onder de mensen weet wat in de mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo (dus op dezelfde, overeenkomstige wijze) weet ook niemand wat in God is, dan de Geest Gods.
In deze woorden van Paulus vinden we een enerzijds een ondersteuning van het beeld van God en anderzijds een bevestiging van de overeenkomst tussen het mensbeeld en het Godsbeeld.

Dichtbij

Hoewel de concrete geestelijke werkelijkheid van God zèlf voor ons nog nauwelijks voorstelbaar is, komt in dit Godsbeeld de persoon van God ons zeer nabij. Wij mogen in al het ‘werk van de heilige Geest’ de persoon van God gaan onderscheiden. Hij zèlf ziet ons, sterkt ons, draagt en schraagt ons; Hij zèlf geeft ons kracht en moed. Hoe dicht kwam U ons nabij, zingen we in een lied. En dat is ook een realiteit. We kunnen het beleven elke dag.
Het is goed om in ons woordgebruik over de mens en over God zo duidelijk en zo direct mogelijk te zijn, juist om oude denkbeelden af te leggen. Als wij van dag tot dag vernieuwd willen worden in ons denken, is het ook belangrijk onze woorden daarin mee te nemen: vernieuwing van denken houdt tegelijkertijd een vernieuwing van spreken in, en niet alleen dàt, het houdt een totale levensvernieuwing in.
Een juist beeld van God en een juist beeld van onszelf maakt een juist functioneren in twee werelden naar de wil van God haalbaar. Met elkaar willen wij doortrokken raken van Geest Gods om zo al Gods bedoelingen met mens en schepping te gaan realiseren. Dan zullen wij zijn tot lof zijner heerlijkheid.