Gevoel

Inleiding

In het belichten van de innerlijke vermogens van de mens zijn de onderwerpen denken en verstand in de vorige Studiebladen naar voren gekomen. We hebben daarin de werking en het belang van het gezamenlijk functioneren van beide vermogens geschetst. Het bevestigde de uitspraak dat we op het terrein van de innerlijke mens in wezen niet te maken hebben met los van elkaar staande vermogens, maar dat we veeleer mogen spreken van één zeer uitgebreid en samengesteld vermogen om ‘innerlijk’ bezig te kunnen zijn. Ook wat betreft het onderwerp dat deze keer aan de orde is, het gevoel, dienen we deze gedachte vast te houden.

Uitingen

Voor het verstaan van de werking van ons gevoel is het belangrijk om onderscheid te maken tussen het vermogen en de uiting. Het vermogen stelt de mens tot iets in staat; bij het gebruik van dit vermogen ontstaat er een uiting. Zo zijn woorden uitingen van het vermogen om te spreken en gedachten uitingen van het vermogen om te denken.
Gevoelens zijn uitingen van het ingeschapen, innerlijke vermogen om te voelen. Door dit vermogen zijn wij in staat iets te kunnen aanvoelen, een bepaalde sfeer te proeven, iets al of niet intensief te beleven: blijdschap, vreugde, droefheid, verdriet, vrede, onrust, emotie, opwinding, lusteloosheid, een stemming, een klimaat... Het zijn allemaal uitingen van het (innerlijk) vermogen, dat omschreven wordt met ‘het gevoel’.
Wij zijn als mensen instaat bij alles wat we doen en meemaken iets te ervaren. Dit vermogen is dus vrijwel doorlopend actief; er zijn voortdurend uitingen... Een dergelijke opmerking hebben we gemaakt ten aanzien van het vermogen om te denken. We zullen in de loop van dit artikel zien, dat de vermogens om te denken en te voelen, en dus ook de uitingen ervan - de gedachten en de gevoelens - helemaal met elkaar verweven zijn.

Van God

Het vermogen om te voelen en te beleven is door God zelf in de mens gelegd. Hoewel velen menen dat het ‘hebben’ van een gevoel iets typisch menselijks is, dienen we te beseffen dat de mens naar het beeld van God is geschapen. De mens heeft dit vermogen omdat God het heeft. God kent voor Zichzelf uitingen van blijdschap (Ps.104:31) en droefheid (Ef.4:30). Hij ervaart zelf ook ten volle de vrede, de rust en de blijdschap die kenmerkend zijn voor het klimaat van het Koninkrijk Gods (Rom.14:17). Dit alles is in God en gaat van Hem uit. De engelen beleven dit eveneens met hun hele (geestelijke) hart. Ook zij zijn geschapen met het vermogen om te ervaren, te beleven en te voelen. Zij verblijden zich als een zondaar zich bekeert (Luc.15:10).
Het gevoel heeft een eigen en een niet weg te denken plaats en betekenis in het leven van de mens. Het dient op harmonieuze wijze bij te dragen in de algehele beleving van het door God bedoelde bestaan; hierdoor kan de mens de vrede, rust en blijdschap van het Koninkrijk Gods intens ervaren. Het is bedoeld om op een fijngevoelige manier mee te werken in het onderscheiden van alles wat er van buitenaf naar hem toekomt en actief te zijn bij het verwerken van deze indrukken. Het mag een warme zekerheid geven bij het nemen van (goede) beslissingen. Het dient tezamen met de andere innerlijke vermogens van de mens als eenheid te functioneren.

Eén geheel

Het feit dat dit vermogen zich vrijwel voortdurend uit, is voor velen een aanleiding om te spreken van een ‘gevoelsleven’. Hetzelfde hebben we opgemerkt bij de bespreking van het denkvermogen. Ook daar hebben we te maken met een vermogen dat doorlopend actief is; men spreekt dan ook niet zonder reden over het ‘gedachteleven’ van een mens.
Toch kunnen we deze termen niet zonder meer handhaven, omdat ze de indruk wekken, dat gedachten en gevoelens los van elkaar en van andere vermogens een eigen ‘bestaan’ kunnen leiden; niets is minder waar! Wij hebben maar één leven; we kunnen en mogen hierin geen scheiding aanbrengen of suggereren. Bij veel mensen is de invloed van het gevoel op het hele (be)leven door allerlei omstandigheden toe- of afgenomen. In extreme gevallen leeft men ‘op gevoel’: de gevoelsuitingen worden als maatgevend aanvaard, of men drukt alle gevoelens juist weg en vertrouwt slechts op ‘de rede’. In beide situaties is er een ernstige verstoring opgetreden in het door God bedoelde leven van de mens.

Strijd

Het zal ons allen wel bekend zijn dat er met name op dit vlak veel strijd gevoerd wordt in het leven van kinderen Gods. Hoevelen worden juist in hun gevoel door de vijand op sleeptouw genomen met alle nare gevolgen van dien. Hoe moeilijk is het soms te ervaren en te beleven wat je vanuit het evangelie weet, aanvaardt en gelooft. Wat een moeite hebben velen soms om hun emoties en gevoelens onder controle te houden, terwijl anderen er juist moeite mee hebben om deze dingen te uiten. Het is - evenals bij het denken - van groot belang dat wij ons bewust worden en blijven van wat er zich in de geestelijke wereld op dit terrein afspeelt en gaan zien op welke wijze de vijand werkt. We zullen ook wat betreft deze zaken volledig uit zijn greep mogen loskomen om in grote vreugde te kunnen gaan leven voor Gods aangezicht. Het gevoel mag tezamen met alle andere innerlijke vermogens in het leven van een kind van God dat zich uitstrekt naar geestelijke volwassenheid, (alsnog) ten volle gaan functioneren naar de wil en bedoeling van God.

Oude voorstelling

Het vermogen om te voelen zetelt evenals alle andere innerlijke vermogen in ons diepste wezen, in de ziel, het kloppend hart van ons geestelijk lichaam. Voor velen is de koppeling tussen het gevoel en de ziel zo sterk, dat men deze twee begrippen door elkaar gebruikt. Als men nadenkt of hoort spreken over de ziel, is daar onmiddellijk de associatie met het gevoel. Men ziet dan vaak een soortgelijk verband tussen de geest en het denken en geloven. Als men in dit kader uitdrukking wil geven aan de gedachte niet uit gevoel te willen leven, maar uit geloof, ligt de uitspraak voor de hand dat je op zo'n moment ‘met je geest moet heersen over de ziel’.
Dit gezegde geeft geen helder beeld van de werkelijkheid in de geestelijke wereld. We kunnen onze innerlijke mens niet opsplitsen in geest en ziel (Stb.7); we kunnen dus ook niet met de geest heersen over de ziel. We zullen voor de bovengenoemde situatie een andere beschrijving dienen te geven die wel overeenstemt met de realiteit en ons in staat stelt geheel te gaan beleven wat we geloven.

Geest, ziel en lichaam

Het gevoel is geen zaak van onze ziel alleen, het vermogen om te voelen zetelt in ons hart. Bij de uitingen ervan is de gehele mens betrokken. Jezus verbindt zijn eigen gevoelservaringen zowel met zijn ziel (Mat.26:38) als met zijn geest (Joh.13:21). Wanneer Maria in grote vreugde haar lofzang begint zegt zij: Mijn ziel maakt groot de Here, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland (Luc.1:46,47). Haar gezicht zal hierbij gestraald hebben; het hele lichaam zal gedeeld hebben in de heerlijke blijdschap die haar deel geworden was.
De mens voelt, beleeft, ervaart. Geest, ziel en lichaam zijn bij deze uitingen en gevoelservaringen betrokken. Dezelfde conclusie als bij de behandeling van het onderwerp denken.

Waarnemingen

Elke gevoelsuiting ontspringt in ons (eigen) hart. Bij het zien, horen of meemaken van prettige dingen ervaart men meestal iets prettigs. De gevoelens komen overeen met wat men waarneemt. Dit geldt ook voor de minder prettige dingen. Bij alles wat men (in twee werelden) ziet of hoort, ontstaat er in het hart een indruk die met name bepaald wordt door ‘de tweede lijn’ (Stb.10,11). Tegelijkertijd ontspringt er vanuit dit hart, waar het vermogen om te voelen en te beleven verankerd ligt, een reactie: er worden gevoelens opgewekt die overeenkomen met de indruk; hierdoor kan de indruk worden versterkt en de beleving ervan geïntensiveerd.
We hebben in de vorige Studiebladen gezien dat met het verwerken van indrukken in het hart het denkvermogen en het verstand eveneens actief zijn. Bij elke waarneming van buitenaf worden de innerlijke vermogens geactiveerd. Gedachten en overwegingen worden derhalve begeleid door uitingen van het gevoel en omgekeerd. Sterker: gedachten en gevoelens zijn volledig met elkaar verweven, omdat de vermogens om te denken, te overdenken en te voelen een gemeenschappelijke kern - het hart - hebben en tezamen als eenheid functioneren. We spreken van deprimerende gedachten en opwekkende gedachten; de koppeling tussen het denken en voelen komt hierin tot uiting.
Ik zou U willen aanraden de voorbeelden die in de Studiebladen 10 en 11 zijn genoemd, ter illustratie van het bovenstaande nog eens te lezen. U zult bemerken dat in al deze situaties een indruk in het hart ontstaat, die zich concretiseert en uit in zowel gedachten als gevoelens.

Eigen daden

Ook wanneer wij zelf iets bedenken, gaan spreken of ondernemen, komen er gevoelsuitingen tot stand. Je kunt helemaal in vakantiestemming komen bij het maken van de vakantieplannen. Op dezelfde wijze is het mogelijk de sfeer van het Koninkrijk Gods te proeven en te beleven, wanneer je bezig bent je te verdiepen in de rijkdommen van het evangelie en Gods plan met mensen.
Bij het belijden tot behoud (Rom.10:10) en gaan handelen naar het woord van God mogen we het bijbehorende klimaat ervaren; deze uiting van ons gevoel komt van binnenuit: vanuit ons eigen hart. Omdat we in dit positieve ‘bezig zijn’ te allen tijde op bijstand van de heilige engelen en van de Heer mogen rekenen, zullen zij - door hun aanwezigheid - dit klimaat van buitenaf kunnen versterken. Het besef dat deze sfeer niet louter en alleen van buitenaf moet komen, maar mét het bedenken van en het bezig zijn met de woorden en werken van Jezus juist vanuit het eigen binnenste op zal wellen, geeft wellicht een nieuw perspectief. We behoeven niet te wachten tot het ‘over’ ons komt. Door het evangelie te gaan praktiseren en er in geloof naar te gaan handelen, wordt de vrede, de rust en de blijdschap van het Koninkrijk Gods ervaren. Dit is op dat moment de normale uiting van het eigen vermogen om te voelen.
Het behoeft geen betoog dat deze wetmatigheden ook gelden ten aanzien van het negatieve.

Niet op zichzelf

Belevingen, ervaringen en alle andere gevoelsuitingen staan dus niet op zichzelf. Zij zijn verbonden met waarnemingen, (gehoorde) woorden en beelden, met gedachten en overwegingen, met (zelf gesproken) woorden, daden en handelingen... dus met iets dat van buitenaf naar ons toe komt of van binnenuit opkomt.
In Studieblad 13 is gesteld dat er voor het overdragen van gedachten een vorm van communicatie nodig is. Wanneer er dus een ‘gedachte’ op je afkomt, is er in de geestelijke wereld iemand bezig die tot je spreekt of je iets laat zien en op deze wijze je denken probeert te inspireren. De gedachten die hierdoor kunnen ontstaan, zijn van jezelf; het is je eigen reactie op de actie van buitenaf.
Deze reactie kan zich beperken tot een soort ‘registratie’ van wat er naar je toe komt. Het is te allen tijde mogelijk om op zo'n moment een keus te maken: ga ik erop in of sluit ik me ervoor af. De inspiratie heeft alleen het beoogde gevolg wanneer wij ons hart hiervoor openen en erop ingaan.
Voor de gevoelens geldt iets soortgelijks. Wanneer wij een bepaalde sfeer op ons af voelen komen of opeens door een bepaald klimaat ‘overvallen’ worden, is er in de geestelijke wereld iemand bezig om met woorden en/of beelden bepaalde - door hem gewenste - gevoelens in ons hart te initiëren. Het zijn dus nooit (in directe zin) de gevoelens van de ander die worden beleefd, maar te allen tijde de eigen gevoelens die - na de actie van die ander - als reactie voortkomen uit het eigen hart. Ook nu kan deze reactie beperkt blijven tot een ‘registratie’. Ook nu is het mogelijk te kiezen of we ons hart hiervoor openen of ervoor afsluiten. Ook nu wordt het doel van die ander slechts bereikt wanneer wij erop ingaan en in meegaan.
Deze processen verlopen tezamen: het oproepen van een bepaald gevoel in het hart van de ander gaat altijd gepaard met het oproepen van bepaalde gedachten en omgekeerd.

Handelend optreden

Deze beschrijving van de situatie geeft ons de mogelijkheid de realiteit in de hemel te zien en in de naam van Jezus handelend op te treden. Wij strijden nooit tegen een bepaald klimaat, tegen de onrust of de spanning op zich; ook niet tegen de eigen gevoelens, tegen onze eigen ziel of tegen ons eigen ik, maar te allen tijde tegen de overheden, tegen de machten, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6:12). Zij zijn de uiteindelijke veroorzakers van alle negatieve ervaringen en belevingen. We kunnen hen overwinnen door het bloed van het Lam en het woord van ons getuigenis (Op.12:11). We kunnen ons hart helemaal afsluiten voor alles wat vanuit het rijk der duisternis op ons afkomt (Stb.10,11) en zo ons hart bewaren en onze gedachten en gevoelens onder controle houden.

Vrede en rust

Wanneer wij vrede en rust zoeken, dienen we ons evenmin te richten op de rust of vrede zelf, maar op de Persoon, de grote Vredestichter en Vredevorst (Jes.9:5), onze Heer en Heiland, Jezus Christus. Hij wil ons door zijn woord en Geest dit alles schenken. Wij dienen met alle vermogens die wij hebben, ons op de Heer te richten. Dus met geestelijke oren en ogen wijd open onze aandacht te vestigen op Hem (Heb.12:3). Ons gehele hart, met daarin de vermogens om te denken en te voelen, te openen voor Hem en daarbij ook zelf actief en gericht bezig te zijn. Zo ontstaat in ons hart op grond van waarnemingen en eigen daden het klimaat van vrede en rust, de blijdschap en de zekerheid. Het gevoel van ‘rust’ komt dus niet van buitenaf, maar van binnenuit! En dat geldt voor alle gevoelsuitingen, ervaringen en belevingen. Zo werkt het in de geestelijke wereld.

Verstoring

Velen van ons kennen de ervaring dat de goede gedachten vanuit het woord van God niet altijd gepaard gaan met gevoelens van blijdschap, vrede en rust. Men ervaart dan niet wat het woord zegt, het wordt niet beleefd, niet gevoeld.
Bij anderen zijn de gevoelsuitingen daarentegen zo sterk, dat er van een goede ordening of beheersing nauwelijks sprake is. Men wordt dan ‘zomaar’ overspoeld door emoties.
We mogen deze situaties niet simpel afdoen met de woorden: dat is nu eenmaal mijn temperament of mijn karakter. God bedoelt dat het gevoel volledig en gezond mee functioneert. De uitingen van de vermogens om te denken, te weten en te geloven behoren harmonieus samen te vloeien met de overeenkomstige gevoelsuitingen, waarbij het geheel beheerst dient te worden. Hierdoor zal de rust en vrede op de juiste wijze kunnen worden ervaren.
Wat is de oorzaak van deze verstoringen? Door toedoen van de vijand is door leugen en bedrog niet alleen het denken en verstand van de mens verduisterd, maar tegelijkertijd ook het gevoel misvormd. Wanneer een mens door zonde en overtredingen vervreemdt van het leven Gods, worden alle innerlijke vermogens aangetast. Zo ontstaat de verblinding, de verdoving, de bedekking, de verharding, de ontregeling en dus ook de scheefgroei ten aanzien van het vermogen om te voelen. Er ontstaat overgevoeligheid of juist ongevoeligheid. De door God bedoelde ontwikkeling is niet tot stand gekomen; de orde en samenhang is gedeeltelijk verdwenen en hierdoor blijven sommige gevoelsuitingen achter en komen bepaalde emoties veel te sterk te voorschijn.
Deze vervorming verdwijnt niet zomaar vanzelf op het moment van bekering en wedergeboorte; er is een proces voor nodig geweest om het vermogen te misvormen; er is opnieuw een proces nodig om het vermogen om te voelen te hervormen.

Bevrijding

Het evangelie van Jezus Christus reikt alles aan om tot totale genezing te komen, ook ten aanzien van onze gevoelens. Juist nu dienen we van de koppeling tussen denken en voelen uit te gaan.
Alles wat de vernieuwing van denken blokkeert, werkt tegelijkertijd stagnerend in op het gevoel: het ‘spreekt niet aan’, men blijft er ‘koud’ onder.
Alles wat het denken in verwarring brengt en onevenwichtig maakt, heeft een overeenkomstige uitwerking op de gevoelens.
Alles wat het gevoel op drift kan laten slaan, brengt ook het denken op hol. Haastelijk bewogen worden in het verstand staat gelijk met een verliezen van de bezinning (2Thes.2:2 SV/NBG).
Bevrijding van bijvoorbeeld de geest van weerspannigheid leidt daarom niet alleen tot een helder verstaan en begrijpen van het evangelie, maar ook tot een algeheel beleven ervan! Bevrijding van de geest van hysterie schept niet alleen de mogelijkheid tot een goed en gecontroleerd denken, maar ook tot een beheerst voelen dat harmonieus en optimaal functioneert. Prijs de Heer. Ook op dit terrein is volledige bevrijding mogelijk.

Vernieuwing

Na bevrijding kan binnen de gemeente door woord en Geest het herstel gaan plaatsvinden. Bij het opvoeden in de gerechtigheid zal de Heer ons verstand willen openen en ons denken willen vernieuwen en laten uitgroeien tot ‘helder inzicht’. Tegelijkertijd wil Hij ons vermogen om te voelen openen en vernieuwen en laten uitgroeien tot ‘alle fijngevoeligheid’ (Fil.1:9). Dit is in wezen één zaak. Op deze wijze geneest de Heer ons van elke vorm van overgevoeligheid of ongevoeligheid.
De vernieuwing van denken pakt de totale hervorming van ons gehele mens-zijn aan. Alle innerlijke vermogens kunnen dan op de oorspronkelijke en door God bedoelde wijze gaan reageren en functioneren: het werkelijke leven breekt baan!

Ordening

In het vorige artikel is de functie van ons verstand beschreven. Op grond van het voorgaande kunnen wij stellen dat we met het verstand niet alleen onze gedachten kunnen ordenen en beheersen, maar ook onze gevoelens. Het ‘verstandelijk’ bezig zijn mogen we dus ruimer en positiever gaan interpreteren dan we wellicht gewend zijn. God bedoelt een algehele verlichting, ordening en beheersing in onze innerlijke mens wat betreft denken en voelen, reageren en handelen. Dat de andere innerlijke vermogens zoals geloof en liefde hierbij volledig betrokken zijn, is reeds eerder gezegd.
Zo leefde Jezus. Hij was in staat zijn hart te bewaren. Toen Jezus na het sterven van Lazarus Maria zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd (Joh.11:33). Bij het graf gekomen, weende Jezus (vs.35). Tegelijk wist Hij dat zijn Vader Hem altijd verhoorde (vs.42). Hier zien we de mens Gods in volheid; volledige harmonie in denken, weten, geloven, onderscheiden, voelen en ervaren.
Wanneer wij samen met Jezus in staat zijn ons hart te bewaren (Spr.4:23), zijn we ook in staat onze gedachten en gevoelens te ordenen en te beheersen.

Samen met Jezus

Na de doop in heilige Geest zijn wij voor wat betreft de bronnen van ons leven aangesloten op alles wat in Christus is. Wij mogen onze lendenen omgorden met Hem. Dit geldt dus ook ten aanzien van het vermogen om te voelen. Hierdoor kan het volledig herstel gaan plaatsvinden.
Wij mogen samen met Hem het klimaat van het Koninkrijk intensief gaan beleven. Wij mogen samen met Hem door de levende kennis van de geestelijke wereld de zelfbeheersing ontwikkelen (2Pe.1:6) op het gehele terrein van denken en voelen. In gemeenschap met Hem mogen we aanvoelen en onderscheiden wat op ons afkomt, proeven wat uit God is en smaken dat de Here goed is (Ps.34:9).
Elke negatieve gevoelservaring mogen we - na bevrijding - gaan zien als een signaal dat er in onze hemel iemand in negatieve zin bezig is en invloed probeert te krijgen op ons innerlijk. Samen met de Heer mogen we dit gaan onderscheiden en ons er helemaal voor afsluiten en van afkeren. In verbondenheid met Hem zullen we elke tegenstand(er) kunnen overwinnen en voort mogen gaan in de verdere ontwikkeling naar volwassenheid.

In toepassing brengen

We sluiten af met een duidelijk advies van Paulus: Voorts, broeders, al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat; brengt in toepassing wat u geleerd en overgeleverd is... en de God des vredes zal met u zijn (Fil.4:8,9).
Wij willen door deze dingen te doen innerlijk stabiel en krachtig worden en de vrede van God ten volle beleven. Ja, de vrede van Christus in ons hart laten regeren door zijn woord rijkelijk in ons te laten wonen (Col.3:15,16).
Wij willen ons niet meer laten meeslepen in negatieve ‘gedachten’ en ‘sferen’, maar te allen tijde onze aandacht vestigen op Hem, ondanks velerlei tegenspraak en weerstand bieden tegen elke vorm van zonde (Heb.12:3,4).
Dan zullen we wat we geloven ook daadwerkelijk gaan ervaren en beleven. En met grote, ja onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde - die alle vezels van ons bestaan doortrekt - voortgaan, daar wij het einddoel des geloofs bereiken (1Pe.1:8).