De zesde bazuin (3)

Inleiding

Na het blazen van de zesde bazuin verschijnt Jezus te midden van zijn gemeente. Hij spreekt over de voleindiging van Gods geheimenis en voert haar hogerop (BS 50).

De gemeente beleeft al iets van de heerlijkheid die haar deel wordt na haar overwinning op de dood. Door Jezus’ wederkomst zal zij met Hem en zijn hemelse gemeente in volle heerlijkheid verenigd worden. Plaatsnemen naast Jezus op zijn troon. Tot in eeuwigheid met Hem regeren in hemel en op aarde.

Heerlijk moment

Een heerlijk moment voor de gemeente. Opgetrokken tot in de ‘derde hemel’ ziet zij iets van het ‘paradijs’, hoort zij ‘onuitsprekelijke woorden’ (naar 2 Cor.12:2-4). Voor haar staat vast: de overwinning is aan Jezus Christus en zijn gemeente. Wat de antichrist ook bewerkt, Gods heerlijkheid komt openbaar.

De ontmoeting met Jezus bewerkt intense lofprijzing en aanbidding in de gemeente. Opnieuw stijgt veel reukwerk op in Gods tempel, van het gouden altaar voor de troon (vgl. Op.8:3, 4). De gemeente gaat op Jezus’ woorden in. Dankbaar voor alles wat is en komt. Zij richt zich op de voltooiing van zijn werk - in haar en mede door haar. Stralend, heilig en zuiver. Volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil. Tot alle goed werk volkomen toegerust (naar Ef.5:27, Col.4:12, 2Tim.3:17).

Voor de troon

De gemeente toont volledige bereidwilligheid om de weg die Jezus wijst te gaan. Ook ten dage van déze heerban, bij de oproep tot deze cruciale krachtmeting met dood en dodenrijk (naar Ps.110:3). Zij spreekt dit uit voor Gods troon, voor de Vader en de Zoon, voor de vierentwintig oudsten en de vier dieren, voor alle engelen rondom de troon (vgl. Op.7:11). Zij stemt van harte in, verklaart zich volledig bereid. Zij zingt het nieuwe gezang, het lied van de losgekochten van de aarde (Op.14:3). Alle engelen van de gemeente horen en ondersteunen dit getuigenis en deze lofzang. Een prachtige inleiding op de komende voleinding.

Afronding

Hierna rondt de gemeente haar prediking op aarde af. De twee getuigen maken de twaalfhonderdzestig dagen, waarover Openbaring 11:3 spreekt, vol. Zij voleindigen hun getuigenis (vs.7) en voltooien zo het werk aan Gods tempel.

Met ‘de twee getuigen’ doelt Openbaring op een groep eerstelingen, een aantal zonen Gods van het eerste uur (BS 39/12, 41/7, 49/12). Zij houden stand in de oorlog tegen de draak (BS 44). Terwijl één van hen ontrouw wordt en zich als antichrist manifesteert, blijven zij trouw aan de Heer (BS 45, 46). Zij groeien uit tot leiders van Jezus’ gemeente op aarde.

Openbaring 11:3-6 beschrijft deze periode van drieënhalf jaar - de tijd van de bazuinen (BS 43/9) - met een aantal treffende typeringen. Deze verzen vullen ons beeld van de eindtijd aan. We bespreken dit gedeelte voor we verder ingaan op Openbaring 9:13-21.

Rouwgewaad

De twee getuigen profeteren ‘met een zak bekleed’ (Op.11:3). Zij hullen zich in een boetekleed (NBV), in rouwgewaden (Pm). Dit wijst op smaad, hoon en verachting die zij van de antichrist en de zijnen verduren, terwijl zij het evangelie van Jezus Christus prediken en zijn werken doen (BS 47/5-7, 48/8). Zij ondervinden wat David zegt: Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden, een onbekende voor de zonen van mijn moeder. De smaad van wie U smaadt, is op mij neergekomen. Ik hulde mij in een boetekleed, maar verachting werd mijn deel (uit Ps.69:8-13 NBV).

Ondanks deze verdrukking gaan de twee getuigen blijmoedig rond. Met heilige Geest gezalfd; vol van genade en kracht. Met hun medegetuigen roepen zij alle gelovigen die nog geen volledige keuze vóór Jezus Christus gemaakt hebben, op uit Babel weg te trekken: Ga uit van haar, mijn volk, opdat je geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen (Op.18:4). Blijf niet in de voorhof staan. Ga met ons de tempel binnen. Dan word je niet vertrapt. Dan krijg je deel aan waarachtig leven in Gods Koninkrijk.

Olijfbomen en kandelaren

Openbaring 11:4 noemt de twee getuigen ‘de twee olijfbomen en de twee kandelaren die voor het aangezicht van de Heer der aarde staan’. Dit herinnert ons aan een visioen van Zacharia (4:1-14). Zij lijken op twee Godsmannen uit het Oude Verbond die in hún tijd als ‘twee gezalfden voor de Heer der ganse aarde staan’: de hogepriester Jozua en de landvoogd Zerubbabel. Zij trekken met een aantal volksgenoten uit Babel en beginnen in Jeruzalem de tempel te herbouwen (Ezr.2:2). Tegenstanders staan tegen hen op, met kracht en geweld (4:1-23). God wekt hun geest op, samen met de geest van al het overblijfsel van het volk (Hag.1:14). Zij gaan door met de bouw, met steun van Gods profeten (Ezr.5:2). Zij trotseren iedere weerstand. Maken elke (grote) berg die het werk verhindert, tot een vlakte. Niet door eigen kracht of macht, maar met de hulp van Gods Geest (Zac.4:6,7 NBV). Zij voltooien de bouw van Gods huis (vs.9). Waarna de Heer zijn huis met heerlijkheid vervult (Hag.2:7).

Door de Geest

In de eindtijd gaat het evenzo. Ondanks alle tegenstand vanuit het rijk van Satan wekt Jezus de geest van zijn trouwe dienaren op - samen met de geest van het ‘overblijfsel’ van zijn gemeente - om zich met hart en ziel aan de bouw van de tempel te wijden. Hij vervult hen hiertoe met heilige Geest, begiftigt hen met gaven en krachten, rust hen toe tot alle goed werk.

Zij trekken weg uit ‘Babel’ en nemen in ‘Jeruzalem’ de bouw van de tempel ter hand. Zij trotseren de kracht en het geweld vanuit de duisternis met de hulp van Gods Geest. Zij verdrijven berg en eiland van hun plaats. Maken zelfs de grootste onder hen tot een vlakte (BS 37/10, 41/6). Zij zetten de bouw van de tempel voort en werken toe naar de voltooiing ervan.

Als Jozua en Zerubbabel

De twee getuigen zijn van dezelfde ‘geest’ als Jozua en Zerubbabel. Zij zijn de twee ‘olijfbomen’ van de eindtijd: vol van heilige Geest en kracht. De twee ‘kandelaren’: vol van licht en leven. Als twee ‘gezalfden’ staan zij voor Gods troon. Geroepen tot een bijzondere taak. Zij gaan voor in Jezus’ gemeente. Geven leiding aan de bouw van de tempel. Houden in Gods kracht alle vijanden op afstand. Mede door hun prediking en werk komt Gods huis gereed. Mede door de inzet van hun leven kan de Heer daarna zijn huis - zijn gemeente - met heerlijkheid vervullen.

Vuur

Openbaring 11:5 beschrijft: Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert; op die manier zal iedereen die hun kwaad wil doen moeten sterven (NBV).

We dienen dit vers goed te verstaan. De twee getuigen zijn geen bronnen van vuur, maar bronnen van heil. Zij brengen geen dood teweeg, ze wekken tot leven. Hun prediking is heilzaam voor allen die het aanvaarden en op grond hiervan uit Babel wegtrekken. Voor wie gered (willen) worden is de getuigende gemeente een heerlijke geur van Christus die leven schenkt (2Cor.2:16 NBV).

Voor mensen die niet luisteren en bewust in Babel blijven, werkt deze prediking ‘als vuur’. Voor wie verloren gaan is deze gemeente een onaangename geur die tot de dood leidt. Door hun ongeloof en ongehoorzaamheid geven deze mensen de vijand vrij spel. Vallen zij in handen van de antichrist. Komen zij terecht in een ‘verterend vuur’ dat hen eerst (geestelijk) doodt en uiteindelijk verderft.

Esau

Jeremia profeteert: Ik maak mijn woorden in uw mond tot vuur en dit volk tot hout en het zal hen verteren (5:14). Obadja vult aan: Jakobs volk zal het vuur zijn, Jozefs volk de vlam, en het volk van Esau de stoppels. De stoppels gaan in vlammen op, het vuur zal ze verteren, en niemand van Esaus volk zal ontkomen (1:18 NBV).

De profeet noemt het volk dat verloren gaat naar Esau - de broer van Jakob, de gezalfde des Heren. Naar de geest die in Esau te voorschijn komt, in zijn nageslacht doorwerkt en het volk/land Edom kenmerkt.

In vers 21 spreekt hij over het gebergte van Esau: de grootvorst die zich met zijn leger door alle eeuwen heen richt op broeders (en zusters) van gezalfden des Heren. Om hen afvallig te maken en op te zetten tegen hun broeders en zusters. Hen tot ‘volk van Esau’ te maken.

Belial

Obadja’s woorden wijzen op Belial, de macht die Edom (=rode/roodachtige) beheerst en in het Oude Verbond het antigoddelijke belichaamt. Deze geest komt bij de opening van het tweede zegel als een rood/rossig paard te voorschijn. Representeert in het Nieuwe Verbond het antichristelijke (BS 30). Belial is de kop van het scharlakenrode beest uit de zee/afgrond, dat zich in de eindtijd manifesteert als ‘geest van de antichrist’ (BS 45).

Belial regeert in Edom, in het leven van Esaus volk. Hij heerst in Babel, in het leven van mensen die de werkelijkheid van Christus niet binnengaan. Na de derde bazuin vaart hij met Apollyon in de antichrist. Wordt één wezen met deze mens. Krijgt vrij spel in het volk dat de antichrist zich toe-eigent.

Gericht oefenen

Tegenover deze geest - en deze mens - staan de twee getuigen als zij drieënhalf jaar op aarde rondgaan. Deze macht zit achter al het kwaad dat mensen hun willen aandoen (zie Op.11:5). De twee getuigen reageren hierop als volwassen, volmaakte zonen van God: zij stellen zich op als verlossers van mensen en als overwinnaars van machten. Obadja zegt: Verlossers zullen de berg Sion bestijgen om over het gebergte van Esau gericht te oefenen (1:21).

De twee getuigen werken met de autoriteit die Christus hen verleent. Ze zijn ongrijpbaar voor de antichrist, voor het ‘beest’ in hem, voor het ‘gebergte Esau’. De antichristelijke geest krijgt geen kans hun schade toe te brengen. Ondanks al het vuur dat hij ontsteekt.

Behouden

Dit geldt ook voor de mensen die ingaan op de uitnodiging van de twee getuigen om uit Babel weg te trekken. Ook deze gelovigen kan geen schade worden toegebracht. Zij worden in de gemeente verlost van de machthebber in Babel, waardoor de vlam hen niet verbrandt. Zij worden in de naam van Jezus bevrijd van de heerser in Edom, waardoor het vuur hen niet verteert. Zij maken zich los van Esaus volk, krijgen deel aan het ware leven in Gods volk. Zij blijven behouden voor het werk van Jezus Christus, voor Gods plan met hun leven.

Verloren

Als mensen zich niet van de ‘koning van Babel’ willen losmaken en zich verzetten tegen Jezus’ getuigen, overkomt hen in geestelijke zin wat er in Elia’s tijd gebeurt met de boden van Achazja: als zij de profeet in naam van hun koning willen arresteren, komt er vuur uit de hemel dat hen verteert (zie 2Kon.1:9-12). Ditzelfde gebeurt met de tweehonderdvijftig leiders van de Israëlieten die Korach, Datan en Abiram steunen in hun opstand tegen Mozes: er komt een felle vlam uit het heiligdom die deze mannen dodelijk treft (Num.16:35 NBV).

Iedere bestrijding van de twee getuigen, van Jezus’ gemeente, werkt als een boemerang tot eigen verderf. Het vuur dat wetteloze, verdervende geesten ontsteken treft degenen die zich door deze geesten laten leiden.

Elia en Mozes

Openbaring 11:6 (NBV) vervolgt: Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt zolang zij profeteren. Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen. Verder kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen, zo vaak ze maar willen.

Deze uitspraken liggen in het verlengde van vers 5. De twee getuigen herinneren in hun prediking en optreden aan Elia en Mozes, de twee Godsmannen van het Oude Verbond die de ‘verlossing des Heren’ aankondigen, mede mogelijk maken en voluit beleven.

We hebben gezien dat Elia en Mozes betrokken zijn bij de verheerlijking van Jezus op de berg (BS 50/2). Wat mooi dat de getrouwe getuige, Jezus Christus (Op.1:5) zijn twee getuigen in de eindtijd uitzendt als een Elia en een Mozes. Om wederom de ‘verlossing des Heren’ aan te kondigen, mede mogelijk te maken en voluit te beleven. Om na een heerlijke ontmoeting met Hem opnieuw een exodus te bewerken.

Als Elia

De komst van ‘Elia’ staat in verband met de dag des Heren. Maleachi profeteert: Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt (Mal.4:5).

Deze profetie krijgt zijn eerste invulling in Johannes de Doper, de heraut en wegbereider van Christus. Hij gaat voor Jezus uit in de geest en de kracht van Elia, om voor de Heer een wel toegerust volk te bereiden (Luc.1:17). Hij kondigt de nieuwe dag aan, de komst van Gods Koninkrijk (Mat.3:3). Jezus zegt van hem: Voor wie het wil aannemen: hij is Elia die komen zou (Mat.11:14 NBV).

Volledig herstel

Enige tijd later wijst Jezus zijn discipelen op een nieuwe komst van Elia: om alles te herstellen (Mar.9:12). Om alles in gereedheid te brengen voor de grote dag des Heren, voor de (weder)komst van Jezus Christus.

De profetie van Maleachi krijgt een tweede invulling: in de eindtijd, door de twee getuigen. Opnieuw gaan mensen voor Jezus uit in de geest en de kracht van Elia, om voor de Heer een wel toegerust volk te bereiden. Om nu werkelijk alles te herstellen en volledig te vernieuwen. Om de (her)bouw van Gods tempel geheel te voltooien.

Water en droogte

Evenals Elia destijds hebben de twee getuigen de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt. Ook dit vers dienen we goed te verstaan.

Jezus’ getuigen leven onder een geopende hemel, in de werkelijkheid van Christus. Zij gaan rond om de hemel voor mensen te openen, om eenieder zicht te geven op Gods plan. Zij zijn als dauw: milddadig verkwikking verspreidend. Zij willen velen laten delen in de vroege en de late regen. Opdat ook deze mensen gaan leven in de werkelijkheid van Christus. Hierin tot volle wasdom komen.

Wie hier negatief op reageert, krijgt onder invloed van de antichrist te maken met het tegenovergestelde: voor hem gaat de hemel dicht en komt het levend water buiten bereik. Hij komt geestelijk in de ‘droogte’, in de macht van de verderver, met alle gevolgen van dien.

Als Mozes

Evenals Mozes hebben de twee getuigen de macht om water in bloed te veranderen. En kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen.

De confrontatie met de antichrist lijkt op die van Mozes met Farao. Ook nu steigeren alle machten/afgoden van ‘Egypte’ en komt de ‘Farao’ van dit leger boze, occulte geesten in het geweer als de twee getuigen - net zoals Mozes - mensen uit hun slavernij willen verlossen. Zij roepen hen op het geestelijk Egypte te verlaten en hen te volgen naar het hemels Kanaän.

Plagen

Na iedere weigering van de hardnekkige Farao veroorzaken de afgoden van Egypte een plaag. Tien in totaal (Ex.7-12). Als het volk uittrekt, gaat in Egypte de verderver rond.

Hetzelfde zien we in de eindtijd als Gods zonen in Jezus‘ naam verlossend rondgaan. De plagen treffen de weerspannigen. Deze beginnen bij de derde bazuin en gaan door tot in de slag bij Harmagedon. Openbaring 9:18 spreekt over drie plagen in de tijd van de zesde bazuin. Deze treffen Babylon - ook wel Egypte genoemd (11:8) - en leiden tot haar ondergang (18:4). Na Jezus’ wederkomst bij de zevende bazuin volgen nóg zeven plagen. Deze treffen de hele antichristelijke gemeente, waarin Babel/Egypte dan volledig is opgegaan. Openbaring beschrijft deze laatste plagen in hoofdstuk 15:5 t/m 16:21. We komen daar te zijner tijd op terug.

Leven of dood

Door het profetisch spreken en werken van de twee getuigen gedurende die drieënhalf jaar trekt de één uit Babel weg en voegt zich in de gemeente van Jezus, terwijl de ander in Babel blijft en door de antichrist wordt ingelijfd in zijn antichristelijke gemeente. De één bekeert zich en beleeft de uittocht uit Egypte, terwijl de ander zich verhardt en deel krijgt aan de plagen die dat land treffen. De één ontvangt zowel vroege als late regen en groeit toe naar geestelijke volheid, terwijl de ander van deze zegenrijke regens verstoken blijft omdat de hemel voor hem dichtgaat. De één komt in het licht en vindt het leven, de ander komt in het vuur en vindt de dood.

Iedere gelovige moet in die tijd een keuze maken. Niemand ontkomt hieraan. Uitstel is niet langer mogelijk. Compromissen evenmin. Het is een zaak van leven of dood. De tegenstelling is volkomen.

Scheiding der geesten

De scheiding der geesten zet zich in de tijd van het zevende zegel volledig door. Dwars door alle werk- en leefverbanden heen. Jezus zegt: Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de één zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. Van twee vrouwen die samen aan de molen draaien, zal de éne worden meegenomen en de andere achtergelaten. Ik zeg jullie, die nacht zullen er twee in één bed liggen: de één zal worden meegenomen, de ander achtergelaten (Mat.24:40-41, Luc.17:34 NBV).

De eindtijd lijkt in geestelijke zin op de voortijd: zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt (Mat 24:37 NBV).

Meet de tempel

Aan het einde van deze veelbewogen tijd krijgt Johannes de opdracht: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen die daarin aanbidden (Op.11:1).

Reeds eerder ziet de apostel deze tempel in een gevorderde, maar nog ónvoltooide staat (Op.7:15 - 8:5), in de tijd rondom de baring van de eerstelingen. Nu ziet hij de tempel in voltooide staat, mede door het werk ván die eerstelingen.

Johannes moet de tempel meten met een riet als meetstok - waarschijnlijk dezelfde als de grote meetstok uit hoofdstuk 21:15. Hij mag de groei en de staat van de gemeente afmeten en vaststellen naar de maat van de wasdom der volheid van Christus (Ef.4:13).

Volheid

Dankzij Gods grote genade voldoet de gemeente in al haar delen aan deze maat van Christus. Groten en kleinen staan voor Gods troon, vervuld van heilige Geest, vol van lof en aanbidding. Ieders wezen toont Gods grootheid. Zijn veelkleurigheid blijkt in allen die tot geloof gekomen zijn. Ieders leven getuigt van Jezus’ werk. Allen hebben de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon bereikt. Een wonder van genade en heil!

Wat een blijdschap en vreugde zal deze volheid teweegbrengen in hemel en op aarde. Wat eeuwenlang onmogelijk leek, blijkt na het blazen van de zesde bazuin mogelijk: één lichaam, in één Geest gedenkt, onder één hoofd, Christus. De mens Gods én de gemeente Gods volkomen, tot alle goed werk volkomen toegerust.

Sla de voorhof over

Johannes moet de voorhof overslaan. Die is inmiddels vertreden (Op.11:2): in handen gevallen van de antichrist. Van daaruit zal niemand de tempel meer binnengaan.

Twaalfhonderdzestig dagen zijn voorbij gegaan, tweeënveertig maanden, drieënhalf jaar, waarin Jezus’ gemeente het evangelie van redding en behoud in volheid heeft gepredikt en gepraktiseerd. Tijd genoeg voor iedereen in Babel en voorhof om tot inzicht en inkeer, tot berouw en bekering te komen. Om de tempel binnen te gaan en deel te krijgen aan waarachtig leven.

Aan het einde van deze periode sluiten de twee getuigen hun rondgaan op aarde af. Het getuigenis van Jezus’ gemeente is voleindigd (naar Op.11:7).

Genadetijd voorbij

De genadetijd is voorbij. Onder leiding van de Heer verlaat de gemeente het ‘terrein’ van Babel en voorhof. Zij trekt haar handen terug van allen die daar willen blijven. Hiermee verdwijnt iedere positieve werking vanuit Gods Koninkrijk, de laatste invloed van licht en leven. Iedere ‘bescherming’ tegen duisternis, dood en verderf in Babel en voorhof houdt op. Elke ‘weerhouding’ van het antichristelijke geweld eindigt (vgl. 2Th.2:7). Er is daar geen toevlucht meer te vinden tegen stortbui en regen (naar Jes.4:6). Waar Gods zegen verdwijnt, ontstaat alle ruimte voor de werking van de duivelse vloek. Dat blijkt in de tijd die volgt.

Afsluiting

In de voortijd sluit God op een door Hem bepaald moment de deur van de ark. Nadat Noach en de zijnen en alle dieren op Gods aanwijzing de ark zijn binnengegaan (zie Gen.7:16). Kort daarop barst de zondvloed in alle hevigheid los.

Op dezelfde wijze sluit Jezus in de eindtijd de deur van de tempel. Nadat allen die dit willen, de tempel zijn binnengegaan. Het juiste moment bepaalt God. Hij beschikt over ‘de tijden en gelegenheden’ (naar Hand.1:7). Hij kiest het uur, de dag, de maand en het jaar (vgl. Op.9:15). Ook hiervoor gelden Jezus’ woorden: het zal zijn als in de dagen van Noach (naar Mat.24:37).

Geweld

Direct daarop barst het antichristelijke geweld in volle hevigheid los. Over Babel en voorhof. Over de grote hoer die al zo lang op het scharlakenrode beest zit, en op wiens voorhoofd staat: Babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen der aarde (uit Op.17:1-5). Over de mensen die zich niet willen bekeren van de werken van hun handen, van de aanbidding van hun afgoden. Niet willen breken met het leven van moord en toverij, van ontucht en diefstal (naar Op.9:20-21 NBG/NBV).

Openbaring 9:15-21 beschrijft deze demonische stortvloed die tot de val van Babel leidt. En die ‘over de voorhof heen’ de tempel bedreigt, doordat de antichrist de strijd met de twee getuigen aangaat, hun de oorlog aandoet (Op.11:7a NBV/NBG). Hierover meer in de volgende bijbelstudie.

Hier en nu

Jezus geeft zijn gemeente zicht op de toekomende dingen. In het hier en nu. Wat een voorrecht. Wij mogen en kunnen nu al uit Babel wegtrekken. Breken met alles wat ons in de voorhof wil vertreden en ons verhindert Gods tempel dieper binnen te gaan. Wij mogen nu al onze geest laten opwekken en ons mee inzetten voor de bouw van die tempel. In deze tijd de berg Sion bestijgen om gericht te oefenen over het gebergte van Esau.

Wij mogen in deze tijd leren leven en functioneren als een Jozua en Zerubbabel, als een Elia en Mozes. Doorbreek in Jezus’ naam iedere weerstand vanuit het rijk der duisternis. Maak je door Gods Geest los van elke invloed van ‘berg en eiland’ in je leven. Kondig de verdere verlossing aan. Verkondig de kracht en de komst van onze Heer Jezus Christus (naar 2Pe.1:16). Beleef dit samen met je broeders en zusters.

Wees een lichtend voorbeeld voor de mensen die nog onvoldoende zicht hebben op de werkelijkheid van Christus. Veroordeel niemand. Verspreid de geur van Christus. Opdat nog velen de tempel binnengaan, mede door jouw getuigende leven.

Stel je op voor Gods troon. Geef de Heer de gelegenheid het goede werk dat Hij in jou is begonnen, voort te zetten, ten einde toe, tot de dag van Christus (Fil.1:6). Hij die ons roept, is trouw. Hij doet zijn belofte gestand (1Th.5:24 NBV). Prijs de naam van Jezus.