De zesde bazuin (2)

Inleiding

De zesde bazuin roept de gemeente op ­om het laatste traject naar de top van de berg Sion af te leggen en zich gereed te maken voor de wederkomst van de Heer. Het gaat aan op de volle dag: de gemeente gaat Gods heerlijkheid beërven (BS 49).

In dat laatste traject voert de antichrist de intensiteit van de grote verdrukking tot het uiterste op: de duisternis rondom de gemeente wordt maximaal. Het is de tijd van het tweede wee (Op.11:14).

Wee, wee, wee

In de tijd van de laatste bazuinen hoor je een drievoudig wee (Op.8:13). In deze periode werkt de antichrist toe naar de absolute macht in hemel en op aarde. Hij is niet tevreden met wat hij reeds in handen heeft. Hij wil een einde maken aan het geloof in Christus, de gemeente van Christus, de macht van Jezus Christus. Hij wil Gods Zoon van de troon stoten en alle macht in hemel en op aarde opeisen.

In de tijd van het eerste wee richt de zoon des verderfs zijn aandacht vooral op ‘Babel’, om de voorhof te vertreden (Op.11:2). Tijdens het tweede wee gaat hij een directe confrontatie aan met Jezus’ gemeente - met de twee getuigen - om ook de tempel te verwoesten (Op.11:14). Om zijn uiteindelijk doel te bereiken gaat hij bij het derde wee de strijd aan met de hogepriester in de tempel, het hoofd van de gemeente: Jezus Christus zelf - in de slag bij Harmagedon (Op.16:16-17, 19:17-21).

Ten goede keren

Met hemelse wijsheid leidt Jezus zijn gemeente door deze weeën heen. Hij stelt de zijnen in staat alles ten goede te keren. De twee getuigen mogen in de rechtstreekse confrontatie met de antichrist de laatste barrière op weg naar Gods heerlijkheid opruimen. De dood wordt verzwolgen in de overwinning (1Cor.15:54, BS 49/7-12).

Ook in de fase van de zesde bazuin blijkt: wat de vijand ten kwade denkt, werkt mee ten goede voor wie God liefhebben (naar Rom.8:28).

Na de zevende bazuin komt er door de overwinning die Jezus met zijn gemeente behaalt in ‘Harmagedon’ een definitief einde aan de macht en het rijk van de antichrist. Prijs de naam van Jezus!

De weg van Jezus

De weg die Jezus zijn gemeente wijst, komt overeen met de weg die Hij zelf gaat in zijn leven op aarde. We merkten dit reeds eerder op (BS 43/10-12, 44/5, 49/11). De volwassen zonen van God treden in de voetsporen van de Zoon van God (1Pe.2:21). Zij volgen het Lam waar Hij ook heengaat (Op.14:4).

Jezus bekrachtigt zijn gemeente op deze weg zoals God Hem bekrachtigt. In deze fase van het zevende zegel, de aanloop naar het overwinnen van de dood.

Verheerlijking op de berg

Voordat Jezus naar Jeruzalem gaat om zijn werk op aarde te voleindigen, verheft en bemoedigt God zijn Zoon op wonderbare wijze. Op een hoge berg omgeeft Hij Jezus met zijn volle heerlijkheid. Jezus verandert van gedaante: zijn gezicht gaat stralen als de zon, zijn kleding wordt wit als het licht. Mozes en Elia verschijnen Hem in hemelse luister. Zij spreken met Jezus over het levenseinde dat Hij in Jeruzalem moet volbrengen.

God zelf is eveneens aanwezig. Hij spreekt tot zijn Zoon en tot allen die bij Hem zijn. Hij bevestigt Jezus in zijn leven en werk: Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem (naar Mat.17:1-5, Luc.9:28-31 NBV).

Bekrachtiging

God voert zijn Zoon op tot in de hoogste hemelen. Jezus beleeft iets van de heerlijkheid waarmee God Hem gaat overkleden na zijn overwinning op duivel en dood. Hij spreekt met twee grote Godsmannen uit het Oude Verbond over de voltooiing van zijn werk op aarde: zijn sterven, opstanding en hemelvaart. Over zijn exodus (Gr): zijn uittocht uit het dodenrijk en zijn intocht in Gods Koninkrijk. Waar Hij met heerlijkheid en eer gekroond de troon zal bestijgen. En zittend aan Gods rechterhand tot in alle eeuwigheid zal regeren.

God bereidt zijn Zoon voor op wat komen gaat. Bekrachtigt Hem met alle kracht. Een heerlijk moment voor Jezus. Woorden schieten te kort. Dit gebeuren is niet te omschrijven, niet te peilen. Het gaat ons bevattingsvermogen te boven.

Na de verheerlijking op de berg gaat Jezus vol geloof en zekerheid op zijn exodus af. Denkend aan de vreugde die voor Hem in het verschiet ligt (Heb.12:2 NBV). Hij weet wat komt: Gods plan wordt werkelijkheid.

Evenzo

In de laatste fase van de voleinding van Gods geheimenis bereidt Jezus zijn gemeente dienovereenkomstig voor op de komende dingen. Hij wil haar eveneens op wonderbare wijze verheffen, bekrachtigen en bemoedigen. Haar met zijn volle heerlijkheid omgeven. Met haar spreken over de komende exodus, haar zicht geven op de glorierijke doortocht door het rijk van Dood. Al iets laten proeven van de heerlijkheid die haar deel wordt. Ook zij zal uiteindelijk de troon bestijgen en tot in eeuwigheid met Jezus regeren.

Jezus voert zijn gemeente op tot in de hoogste hemelen. Na het blazen van de zesde bazuin. Ruim voordat de antichrist zijn vernietigend werk in de voorhof voltooit en vervolgens de hand slaat aan de twee getuigen. Opdat de gemeente in verbondenheid met Hem haar weg vervolgt. Vol geloof en zekerheid. Denkend aan de vreugde die voor haar ligt. Wetend: Gods heil komt openbaar; zijn geheimenis wordt voleindigd.

Engel des Heren

Openbaring 10 laat ons iets van dit heerlijke gebeuren zien. Een machtige engel daalt uit de hemel neer. Een wolk omhult hem en de regenboog is om zijn hoofd. Zijn gezicht is als de zon en zijn benen zijn als zuilen van vuur (vs.1). Zijn aanzien lijkt zo sterk op die van Jezus in hoofdstuk 1:12-20 dat veel uitleggers menen dat Jezus hier zélf verschijnt.

In dit visioen ziet Johannes de engel van Jezus: Gabriël. Over wie de Heer in Openbaring 1:1 en 22:16 spreekt. De overeenkomst van zijn gedaante met die waarin Jezus Zich aan Johannes openbaart, doet vermoeden dat Gabriël niet alléén uit de hemel neerdaalt, maarin werkelijkheid samen mét Jezus verschijnt.

Wolk

De wolk die de engel omhult, wijst op verbondenheid met de gemeente - denk aan de wolk der getuigen (Heb.12:1), aan Jezus’ komst met de wolken (Mat.24:30, Op.1:7). Ook duidt deze wolk op tegenwoordigheid des Heren, zoals de wolkkolom in het Oude Verbond (BS 40/2). De engel des Heren verschijnt in hemelse luister in het midden van de gemeente. De heerlijkheid des Heren omstraalt hem: zijn gezicht is als de zon. Deze hemelse heerlijkheid gaat de hele gemeente omstralen (vgl. Luc.2:9). Gods zonen veranderen op dat moment van gedaante - evenals Gods eigen Zoon in Mattheüs 17:2. Ook hun gezichten gaan stralen als de zon; ook hun kleding wordt wit als het licht.

Ontmoeting met Jezus

Gods heerlijkheid vervult de tempel. Omhult allen die hierin zijn. Een bijzondere ontmoeting. In het visioen verschijnt de engel van Jezus in vol ornaat te midden van de zeven engelen der gemeente - de zeven donderslagen (BS 49/3). In werkelijkheid verschijnt Jezus in volle luister met zijn engel te midden van de zijnen met hún engelen. Om hoogstpersoonlijk met zijn gemeente te spreken over de voleinding van Gods geheimenis (Op.10:7).

Jezus komt de zijnen tegemoet in dit laatste, beslissende deel van de weg omhoog. De gemeente ontmoet haar Heer, zoals zij Hem nooit eerder ontmoette: in levende lijve, in zijn verheerlijk lichaam. Zij proeft iets van de komende heerlijkheid. Krijgt zicht op wat komen gaat. Wordt door Jezus met alle kracht bekrachtigd.

Wat een indruk brengt deze intieme ontmoeting op ‘de hoge berg’ in de gemeente teweeg: intense vreugde en vrede, wonderbare verheffing en bemoediging... Opnieuw schieten woorden te kort.

Regenboog

Johannes ziet de regenboog op het hoofd van Gabriël: de hele ontmoeting staat in het teken van Gods trouw en genade. Het gaat aan op de vervulling van Gods plan. Al gaat dit nog door een diepte heen. Door het werk van de antichrist zal de geestelijke zondvloed zijn hoogtepunt bereiken. Hij gaat de twee getuigen doden. Maar de poorten van het dodenrijk zullen Jezus’ gemeente niet overweldigen (Mat.16:18). Integendeel. Dwars door alles heen komen Gods trouw en genade volledig openbaar: het leven Gods is sterker dan de dood.

Zuilen van vuur

De engel des Heren heeft benen (en voeten) als zuilen van vuur. Hij zet deze op de aarde en de zee. Dit wijst op de overwinning die de gemeente gaat behalen op de vorst van de aarde en de zee. Op de antichrist, die in de wereld en het dodenrijk heerst.

Gods heerlijkheid komt openbaar in Jezus’ gemeente. Dit gaat gepaard met vuur, met hevig verzet vanuit de duisternis, met furieuze reacties van de antichrist en de zijnen. Een begeleidend verschijnsel, dat ons niet hoeft te bevreemden (BS 36/3). Als de dag van Christus al met vuur verschijnt (1Cor.3:13, BS 41/9), geldt dit ook voor de volle dag. Dit vuur kan het begin van deze dag niet tegenhouden, laat staan de volheid van deze dag. Het zal de gemeente niet verteren noch beschadigen, ook al moet zij er dwars doorheen (Jes.43:2). Het vuur dat de antichrist ontsteekt, zal hem en zijn antichristelijke gemeente uiteindelijk zélf vernietigen (zie Jes.50:11).

Ook nu

Van deze goddelijke waarheid mogen we ons nu al bewust zijn. Hier steeds meer van beleven. Laat je geen schrik aanjagen door het vuur dat de vijand ontsteekt. Ga met Jezus dwars door water, rivieren en vuur heen (naar Jes.43:1, 2). Zet je voet op iedere slang en schorpioen die je wil verhinderen het Lam te volgen. Onttrek je aan de macht en invloed van elke berg en eiland in je leven. Ontwikkel (geestelijke) benen ‘als zuilen van vuur’, voeten ‘die gloeien als brons in een oven’ (naar Op.1:15). Besef: ik mag met Jezus Sions bergtop bereiken. Al mijn vijanden zullen uiteindelijk in hun eigen zwaard vallen.

Kleine boekrol

Gabriël houdt een kleine boekrol geopend in zijn hand (Op.10:2 NBV). Dit geopende boekje (NBG) vertegenwoordigt het actuele deel van de boekrol uit Openbaring 5: die fase in het proces van Jezus’ openbaring die na het blazen van de zesde bazuin aan de orde is. Het beschrijft de exodus van de gemeente, de weg door de zee, de overwinning op de aarde en de zee - in detail. Geeft volledig zicht op de voleindiging van Jezus’ werk in zijn gemeente, de verwerkelijking van Gods geheim (vs.7).

Alle zegels van de boekrol zijn in de tijd van de bazuinen verbroken. De kleine boekrol in Gabriëls hand is daarom open.

Woorden van Jezus

In de persoonlijke ontmoeting met zijn gemeente maakt Jezus de inhoud van dit boekje bekend. Spreekt Hij met de zijnen over de tijd die is en komt. Toont Hij de weg naar het leven in heerlijkheid, dwars door het dodenrijk heen. Verzekert Hij de twee getuigen van zijn persoonlijke nabijheid en leiding op deze weg. Alsook van hun volledige overwinning op de dood.

Wie anders dan Jezus kan zó spreken, zó bemoedigen en versterken? Hij kent deze weg, omdat Hij hem zelf ging. Hij overwon in Gods kracht dood en dodenrijk. Jezus spreekt uit ervaring. Hij deelt zijn kennis en ervaring met hen die Hem op deze weg mogen volgen en de opstanding uit de dood gaan beleven.

Met luide stem

In het visioen roept de engel des Heren met luide stem, zoals een leeuw brult (Op.10:3). Dit wijst op een duidelijk spreken van de Heer in het midden van de zijnen. Waardoor elk lid van Jezus’ gemeente volledig zicht krijgt op de dingen die komen en zijn aandeel, zijn plaats en taak in deze voleindiging beseft.

Het brullen van de leeuw duidt op het ten strijde neerdalen van de Heer der heerscharen op de berg Sion (Jes.31:4, 5). Om op de hellingen van de Sion te strijden (NBV). Beschuttend en reddend, sparend en uitkomst verlenend (LeV). In een paasdaad uitkomst gevend (NaB). Om wederom een exodus te bewerken.

Spreuken 19:12 brengt het brullen van een leeuw in verband met de verbolgenheid en toorn van een koning ten aanzien van zijn vijanden. Terwijl zijn genade en welgevallen ten aanzien van zijn gunstgenoten is als dauw op het gras: milddadig en vol van liefde. Dát ervaart de gemeente in haar ontmoeting met de Heer.

Donderslagen

Na het luide roepen van Gabriël laten de zeven donderslagen hun stem horen (Op.10:3). Bij de ontmoeting van Jezus met zijn gemeente zijn vele serafs betrokken. Gabriël, de engel van Jezus. De zeven engelen van de zeven gemeenten die onder Gabriël staan. En alle engelen in die zeven gemeenten, die onder aanvoering staan van deze zeven engelen (BS 42/7-8). Al deze serafs functioneren naar hun aard als vertegenwoordigers en woordvoerders van God (BS 38/7).

De zeven donderslagen begeleiden het roepen van Gabriël: de zeven engelen van de gemeenten paren hun stem aan die van de aartsengel. Samen met al hun engelen in die gemeenten. Eenstemmig bevestigt dit engelenkoor in en rondom Jezus’ gemeente de woorden van de Heer (BS 49/3). Alle aanwezige serafs zetten zich in om de boodschap van Jezus, de inhoud van de kleine boekrol, te realiseren in het leven van zijn gemeente.

Indrukwekkend

Wat een indrukwekkend gebeuren hier op de berg Sion, in de tempel van de levende God. Jezus verschijnt in het midden van zijn gemeente. Hij spreekt tot het hart van de zijnen. Vele engelen stemmen met deze woorden in en dragen zijn boodschap mee uit.

Gods heerlijkheid wordt gezien. De donder weerklinkt. De Heer verleent sterkte aan zijn volk en zegent het met vrede (uit Ps.29:1-11). Zijn woorden leiden de gemeente op haar weg door de zee en begeleiden het daarop volgende oordeel over haar vijanden (zie Ps.77:19-21).

Bewijs

Dit spreken van de Heer gaat uit boven het profetische spreken in de gemeente. Voert op tot nieuwe, ongekende hoogten in Gods Koninkrijk. Jezus is persoonlijk aanwezig: zichtbaar, tastbaar. Hij instrueert de twee getuigen en allen die levend achterblijven. Geeft absolute zekerheid over het welslagen van deze confrontatie met de dood.

Jezus bereidt zijn gemeente volledig toe. In alle delen, in ieder opzicht. Dit getuigt van enorme liefde en zorg. Van eindeloze goedheid en trouw. Zijn woorden zijn vol leven en kracht. Zijn verschijning vormt voor allen die Hem volgen het onomstotelijke bewijs van de komende heerlijkheid.

God spreekt

Johannes wil opschrijven wat de zeven donderslagen zeggen. Verslag doen van Jezus’ woorden. Dan hoort hij een stem uit de hemel zeggen: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben en schrijf het niet op (Op.10:4).

God spreekt hier zélf (zie BS 49/3). Ook Hij is aanwezig bij deze prachtige ontmoeting van Jezus met zijn gemeente. Niet zichtbaar en fysiek, zoals zijn Zoon. Wel persoonlijk en sprekend, door zijn Geest.

De overeenkomst met de verheerlijking op de berg is treffend. Ook daar klinkt een stem uit een lichtende wolk (Mat.17:5). Ook daar spreekt God zelf tot de aanwezigen.

Het gaat na het blazen van de zesde bazuin aan op het ontvangen van de heerlijkheid die God van den beginne voor de mens bedoelt. Die door Jezus’ werk voor de gemeente gereed ligt. Een heerlijk moment. Gods hele Koninkrijk is hierbij betrokken.

Verzegelen

Johannes moet de woorden die hij hoort, verzegelen. Dat is: geheimhouden (NBV). De precieze beschrijving van de exodus van de gemeente, de weg waarlangs de Heer zijn gemeente tot volle heerlijkheid voert, blijft voor de lezer verborgen. Jezus maakt de concrete inhoud van de kleine boekrol bekend op het actuele moment: in de fase waarin er geen uitstel meer is, maar het geheimenis van God voleindigd wordt (Op.10:6, 7).

Deze geheimhouding tekent de ‘intimiteit’ van het gebeuren. Ook dát komt overeen met de verheerlijking op de berg: de inhoud van het gesprek van Mozes en Elia met Jezus is eveneens ‘verzegeld’. Die woorden zijn evenmin in de bijbel opgetekend...

Te rechter tijd

Zeker is dat Jezus op het juiste moment in zijn gemeente zal verschijnen en tot ons zal spreken. Dat maken wij op uit wat Gabriël zweert (Op.10:5-7). Wij houden deze belofte voor ogen, bewaren die in ons hart. Jezus geeft ons zijn woord, leidt ons op de weg omhoog. Nu en straks. In iedere fase van zijn openbaring, bij het openen van alle zegels van de boekrol. Hij geeft ons spijze te rechter tijd.

Op dit moment is nog niet alles openbaar. Wel bemerken we dat geestelijke processen die later hun voltooiing krijgen, veel eerder beginnen. Nu al beginnen, nu al werkzaam kunnen zijn in ons leven. Het meerdere komt te voorschijn in het leven met de Heer, in het werken met wat reeds openbaar is. Zo ook de volheid.

Vol vertrouwen gaan wij daarom verder. Persoonlijk en als gemeente. In heden en toekomst. Wij volgen het Lam, waar Hij ook heengaat. Het loopt op overwinning uit!

Opeten

God zegt tegen Johannes: Haal de geopende boekrol die de engel die op de zee en het land staat, in zijn hand heeft (Op.10:8 NBV). De apostel doet wat God zegt; hij gaat naar de engel toe en vraagt om het boekje. Gabriël reikt het hem aan en zegt: Eet het op. Het zal branden in je maag, maar in je mond zo zoet zijn als honing (vs.9 NBV). Johannes pakt het boekje aan en eet het op. Het smaakt inderdaad zoet als honing, maar brandt naderhand in zijn maag: het maakt zijn buik bitter (NBG).

Zinnebeeldig

Dit zinnebeeldige gebeuren geeft aan wat de gemeente met Jezus’ woorden moet doen. Zij moet ze ‘opeten’, als voedsel voor het gehele lichaam: ze tot zich nemen, ze bij zich dragen en verwerken, ze volledig in zich opnemen. Opdat zij er alle ‘voedingswaarde’ uithaalt en er in de tijd die volgt geheel naar leeft.

Deze unieke woorden van Jezus komen niet op papier, maar in het hart. Zij kunnen slechts ‘gelezen’ worden in het leven van Gods zonen. Hun vervulling krijgen in de heerlijkheid die de gemeente na het blazen van de zevende bazuin beërft.

Zoet

Het zoet wijst op de vreugde die de gemeente beleeft in haar ontmoeting met Jezus: een ‘onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde’ vanwege het zien van de Heer en de zekerheid het einddoel des geloofs te mogen bereiken (naar 1Pe.1:8, 9).

Deze vreugde motiveert en stimuleert de gemeente. Zij vervolgt haar weg vol vreugde. Houdt haar blik gericht op Jezus, de grondlegger en voltooier van haar geloof. Denkend aan de vreugde die ook voor haar in het verschiet ligt (naar Heb.12:2).

Bitter

Het bitter wijst op de moeite en het lijden waar de gemeente nog doorheen moet. In de komende confrontatie met de antichrist gaat zij, in navolging van haar Heer, de onderste weg. Dwars door storm en vuur, dwars door duisternis en dood.

Op deze weg blijft Jezus bij haar, Gods Geest in haar, blijven Gods engelen rondom haar. De Heer gaat voor haar uit, staat haar bij en wijkt geen moment van haar zijde (naar Deut.31:8 NBV). Een groot verschil met het laatste deel van Jezus’ leven. Hij komt in de God-verlatenheid, omdat Hij de zonde der wereld op Zich neemt. De gemeente blijft in Gods nabijheid, ook als de twee getuigen het dodenrijk binnengaan.

Perspectief

Na de ontmoeting met Jezus gaat de gemeente voort. In overgave en toewijding. Vol lof en aanbidding. Vastberaden en standvastig. Zij laat zich door niets weerhouden of ontmoedigen. Zij weet: de Heer staat mij ter zijde. Hij zal mij niet verlaten en niet van mijn zijde wijken zolang de uitvoering van het werk aan de tempel van de Heer niet is voltooid (naar 1Kr.28:20 NBV). De volle dag breekt aan; Gods geheimenis wordt voleindigd. Wat een perspectief!

Voorstellingsvermogen

De werkelijkheid van de ontmoeting met Jezus, waar het visioen in Openbaring 10 naar verwijst, gaat ons voorstellingsvermogen te boven. Ik vermoed dat deze realiteit niet te beschrijven is - niet overdrachtelijk is. Zelfs niet achteraf.

Paulus spreekt in 2 Corinthiërs 12 over een uitzonderlijke openbaring van de Heer die hem ten deel gevallen is. Ook hij kan deze ervaring, de indruk van deze openbaring, niet overbrengen: Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd - in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. Maar ik weet dat deze man - in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen - werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken (vs.2-4 NBV).

Laten rusten

Als het Paulus niet ‘gegeven’ wordt om iets dat hij reeds heeft beleefd in volle omvang te beschrijven, zal het ons ook niet worden gegeven om deze komende ontmoeting met de Heer nu al in al zijn diepte te doorgronden. We mogen er met blijdschap naar uitzien, ons erdoor laten inspireren en motiveren. Maar we dienen het verder te laten rusten tot de tijd daar is.

Vervolg

Na het blazen van de zesde bazuin en de wonderbare ontmoeting met Jezus gaat de gemeente toebereid op weg naar de voltooiing van Gods geheimenis. De tempel zal gemeten worden en vol bevonden worden (Op.11:1). Uit de vier horens van het gouden altaar in die tempel zal spoedig een stem klinken: Maak de vier engelen los die bij de grote rivier de Eufraat gevangen zitten (Op.9:13b, 14).

De laatste fase gaat in. Daarover gaan we verder in de volgende bijbelstudie.