De voortijd (2)

Inleiding

In de mensheid van de voortijd hebben zich allerlei ontwikkelingen voorgedaan die het wereldbeeld van die tijd mede hebben bepaald. In het vorige artikel is daar een beschrijving van gegeven. We zullen ons in dit Studieblad gaan verdiepen in de twee belangrijkste ontwikkelingen uit die tijd. In de eerste plaats zal aandacht geschonken worden aan de goede lijn, naar de wil van God, waardoor God Zijn plan met mens en schepping kon voortzetten. Daarnaast zal ingegaan worden op de verkeerde ontwikkelings­lijn, waardoor Satan uiteindelijk een zondvloed over de toenmalige wereld heeft kunnen brengen.

Vanuit vergeving

Adam en Eva zullen de kinderen die uit hen geboren zijn allemaal op de hoogte gebracht hebben van de gebeurtenissen in de hof. Zij zullen hun zonen en dochteren onderricht hebben in de kennis en de wil van God en hen hebben willen opvoeden in de gerechtigheid. Zij zullen zèlf vanuit de vergeving van zonden hebben geleefd en hun nageslacht hebben gewezen op de van God gegeven mogelijkheden daartoe.

Abel heeft daarover nagedacht en de betekenis van de bloedstorting in de offerdienst begrepen. Het getuigenis van Abel zal ondanks zijn te vroege dood meegenomen zijn in de verdere ontwikkeling van de mensheid. Iedere keer dat mensen met visie op en geloof in de schuldvergeving een offer brachten, zal God hen dit tot gerechtigheid hebben gerekend.

Naam des Heren

In Seth is de positieve ontwikkeling verder gegaan. Nadat deze een zoon heeft gekregen, Enos, is men begonnen de naam des Heren aan te roepen (Gen.4:26). Men ging tezamen in groepsverband het geloof in God belijden, Zijn naam proclameren. Er zullen - naar ik veronderstel - samenkomsten belegd zijn, waarin men elkaar herinnerde aan de belofte Gods aan vader Adam gedaan en men elkaar aanmoedigde om in geloof verder te gaan. Er zullen gezamenlijke offerdien­sten gehouden zijn, waarin men de naam des Heren en de zegen des Heren over elkaar zal hebben uitgesproken en uitgeroepen. Er zal met begeleiding van steeds meer zelf ontworpen instrumenten gezongen zijn tot eer van God.

God zal Zich in deze ontwikkeling hebben verheugd en Zich op velerlei wijzen aan deze rechtvaardigen als een intens goede en zorgzame God hebben betoond.

Henoch

Ik denk dat wij niet te 'klein' over deze positieve ontwikkeling moeten denken. Er zijn in dit geslacht van Seth mensen naar voren gekomen die in Hebreeën 11 als geloofshelden worden beschreven: Henoch en Noach.

In het leven van Henoch zijn zelfs hele mooie en wonderlijke dingen gebeurd. Deze man wandelde met God (Gen.5:22), of zoals Dr. Reisel vertaalt: hij ging heel bewust met God om. Henoch leefde Gode welgevallig (Hebr.11:5). Hij was een man naar Gods hart, aan wie God Zijn liefde kwijt kon en aan wie God Zich kon bekendma­ken.

Henoch was in zijn tijd een profeet (Jud.:14). Hij verstond zijn tijd en kende de raad des Heren. Hij leefde evenals in latere tijd Noach, onberis­pelijk temidden van zijn tijdgenoten, temidden van een - toen reeds - ontaard en verkeerd geslacht. Hij waarschuwde de mensen voor de komende straf over de goddelozen (Jud.:15).

Hoogtepunt

Henoch heeft met alles wat in hem was, voor zijn tijd de raad Gods gediend. Hij is een voorbeeld geweest voor velen. Hij heeft God ernstig gezocht en heeft in zijn leven ervaren dat zijn God een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken (Hebr.11:6). Zijn rechtvaardigheid was van dien aard dat hij de dood niet heeft gezien (vs.5). Hij is door zijn intieme omgang met God onbereikbaar geworden en gebleven voor duivel en dood. Hij heeft op maximale wijze de genade Gods in zijn leven werkzaam laten worden: een hoogtepunt in de positieve ontwikkelingslijn in de voortijd.

Zijn leven is een prachtig getuigenis van wat God in mensen vermag te doen wanneer zij zich volkomen aan Hem geven en heel bewust met Hem leven.

Noach

Vijf geslachten na Henoch in de lijn van Seth blijkt er weer zo'n man te zijn waarin God grote dingen heeft kunnen doen: Noach. Hij riep in zijn tijd nog steeds de naam des Heren aan, ondanks het feit dat dit nergens anders meer voorkwam.

Noach wandelde evenals zijn voorvader Henoch met God. Hij leefde eveneens heel bewust met God. Hij was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man (Gen.6:9). Hij is 'volkomen' gebleken temidden van zijn tijdgenoten, vertaalt Dr. Reisel.

Ook hij heeft zijn tijd verstaan en de raad Gods volkomen gediend. Hij was een profeet en een prediker van de gerechtigheid zegt Petrus (2Petr.2:5). Hij deed, nadat hij een godsspraak had ontvangen over iets dat nog niet gezien werd, met eerbied en in volledige geloofsgehoor­zaamheid wat God hem had geboden (Hebr.11:7 en Gen.6:22). En dat met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en met inzet van al zijn vakmanschap. Hij trok zich niets aan van de hoon en de spot van de mensen rondom. Hij leefde voor God en met God. Aan hem beleefde God veel vreugde (Gen.6:8 GN)!

Zonen Gods

In het geslacht van Seth hebben zich heerlijke dingen kunnen ontwikkelen en zijn er werkelijk prachtige mensen naar voren gekomen.

De nakomelingen van Seth worden - naar ik meen juist vanwege deze door God bedoelde ontwikkeling - in Genesis 6:2 'zonen Gods' genoemd. Dr. Reisel geeft aan dat hier vanuit de grondtekst ook bedoeld kan worden: 'op God gerichte personen' of 'personen die God dierbaar zijn als kinderen' of 'aanzienlijke personen met buitenge­wone eigenschappen'.

Mensen zoals Seth, Henoch en Noach hebben zich met de middelen en mogelijk­heden die hen van Godswege ter beschikking stonden, daadwerkelijk als zodanig - ja, als 'zonen Gods' - gedragen. Door hun woorden en daden hebben zij voor alle mensen van toen en nu een heerlijk getuige­nis achtergela­ten. Met en door hun leven hebben zij het voor God mogelijk gemaakt dat Zijn plan kon voortgaan!

Kaïn

In het leven van Kaïn zijn heel andere dingen gebeurd. Satan heeft hem niet alleen tot een vreselijke zonde kunnen aanzetten, maar tevens vaste grond in zijn leven weten te verkrijgen. Kaïn is door zijn verkeerde keuzen en zijn openlijke en bewuste ongehoorzaamheid aan God de eerste 'gebonden' mens geworden.

In het proces dat Kaïn tot een gebonden mens heeft gemaakt, kunnen we de strategie van Satan herkennen. Hijzèlf had bij Adam en Eva de eerste zonde gearrangeerd en daarbij het voorbeeld gegeven aan zijn grootvorsten en alle verdere onderdanen (zie Stb.33 blz.4,5), met de bedoeling dat zij dit voorbeeld later zouden volgen. Zij zouden voor hem de mens(heid) in een duivelse greep moeten nemen en houden. Satan zou zich voortaan uitsluitend bezighouden met de sturing van alle 'bewegingen' en het opperbevel over alle geledingen in het rijk der duister­nis.

Vijand slaat toe

In het leven van Kaïn zien we de eerste werkingen van de grootvorsten van verwerping en weerspannigheid te voorschijn komen. In Genesis 4:5 lezen we dat Kaïns gelaat betrok, nadat hij bemerkte dat zijn offer geen 'resultaat' had; hij was terneergeslagen, uiterlijk en innerlijk. Hij begon het klimaat en de invloed van de geest van verwerping te ervaren. Nadat God hem in die toestand persoonlijk had aangesproken, hem voor de belager aan de deur van zijn hart had gewaar­schuwd en hem aanmoe­digde om de begeerte van deze vijand te wederstaan en over deze vorst der duisternis te blijven heersen (naar Gen.4:7), zien we hoe de wederspannige geest toeslaat. Maar Kaïn zeide tot Abel: Laten wij het veld ingaan (vs.8).

Geweld

Kaïn ging bewust rechtstreeks in tegen de woorden en de wil van God. Het resultaat was ernaar. De eerste grootvorsten uit het leger van Satan verschaften zich toegang tot de hemel van deze mens. Nu niet voor een enkele zonde, maar om bezit van hem te nemen. Voor het eerst kwam daardoor het geweld van de machten der duisternis in en door een mens openbaar. En dit was natuurlijk gericht tegen Abel, tegen degene die naar Gods wil leefde.

Zo sloeg Satan twee vliegen in één klap. Abel kon geen verdere ontwikkeling doormaken vanuit zijn verkregen rechtvaardigheid; zijn leven was ten einde. En Kaïn was een gebonden mens geworden. In zijn verdere leven en nageslacht zouden nog meerdere geweldenaars hun invloed kunnen gaan krijgen en zo het menselijk geslacht kunnen gaan verzieken.

We zien in het verdere verloop van Genesis 4 hoe nu ook de verleugening en de onwaarachtigheid postvatten bij Kaïn. Hij liegt tegen God (vs.9b) en kiest daarmee voor een verdere verharding van zijn hart. Hij toont geen berouw van zijn daad, maar klaagt alleen maar over de gevolgen (vs.13,14).

Het resultaat is dat hij weggaat van het aangezicht des Heren (vs.16), zijn familie verlaat en derhalve geen deel meer kan hebben aan de goede ontwikke­ling die na die tijd in zijn jongere broer Seth gestalte heeft gekregen. De geestelijke 'wig' waarmee Satan hem van (het goede van) God heeft willen scheiden, was aangedreven.

Lamech

In het nageslacht van Kaïn was van geestelijke heiliging en bescherming tegen de boze geesten dus geen sprake meer. Het werd dan ook van kwaad tot erger. Steeds meerdere grootvorsten en geestelijke overheden en allerlei boze geesten drongen zich op aan deze mensen en kregen min of meer 'vrij spel'. Na vijf geslachten in de lijn van Kaïn zien we bij een man als Lamech een totale verdorven­heid naar voren komen (Gen.4:23,24). Hij heeft de duisternis liever gehad dan het licht (naar Joh.3:19). Deze man is geheel in het bezit gekomen van de machten der duisternis. Geweld, genadeloze onbarmhartigheid, grootspraak, trots, hoogmoed, wraak­zucht, zelfverheffing... en daarnaast - hoe kan het ook anders in zo'n wetteloze situatie - onreinheid en polygamie, de ondermij­ning van het huwelijk naar de wetten Gods.

Tot Kaïn kon God nog spreken, zelfs nadat hij tot doodslag was overgegaan. De grote invasie van het rijk der duisternis in het menselijk geslacht moest toen nog op gang gaan komen. Lamech is geheel onbereikbaar geworden voor God, waardeloos en volkomen onnut geworden voor Diens plan. De wetteloos­heid had vaste vorm aangenomen; het antigodde­lijke is er in zijn leven aan alle kanten uitgekomen. Afschuwelijk! De vijand leek zijn doel met mensen werkelijk te gaan bereiken.

Contrast

De geestelijke situatie van Lamech staat in schril contrast tot de heerlijke toestand waarin Henoch verkeerde. En dan te weten dat zij in dezelfde tijdsperiode hebben geleefd!

Zoals in Studieblad 44 reeds is gesteld, mogen mensen als Henoch en Lamech gezien worden als vertegenwoordigers van de mensheid in die tijd (blz.7).

Henoch en degenen die met hem de naam des Heren aanriepen, gedroegen zich als 'zonen Gods'. In hen kon de genade Gods doorwerken. Wanneer zij op basis van de geschonken vergeving heel bewust met God zouden blijven leven, het voorbeeld van Henoch en later Noach zouden volgen, zouden zij 'vrij' kunnen blijven van de boze geesten.

Lamech en de 'zijnen' openbaarden zich daarentegen als 'zonen des ver­derfs'. In hen en door hen kwam het karakter van het duivelse rijk steeds meer en sterker naar voren.

De verschillen tussen de beide groepen zullen in deze fase van de ontwikke­ling maximaal geweest zijn.

Gelijkenis

In dit opzicht vertoont de voortijd een sterke gelijkenis met de eindtijd. Ook dan zullen er (volwassen) zonen Gods zijn, die de volheid van Christus in zich dragen, aan de beelde des Zoons gelijkvormig zijn geworden en heil en behoudenis willen bewerken voor alle mensen. Zij zullen als een Henoch bewust omgaan met hun Heer, Jezus Christus, en in een levende relatie met Hem alles mogen bereiken wat God bedoelt. In de eindtijd zal natuurlijk meer mogelijk zijn dan in de voortijd. Jezus zèlf staat daar garant voor. De zonen Gods zullen de dood zelfs mogen overwin­nen en evenals Jezus tot verheerlijking komen!

Tegenover hen zullen er (volwassen) zonen des verderfs komen te staan, tegenstanders, mensen der wetteloosheid (naar 2Thess.2:3), die het tegen­overgestelde openbaren en bewerken. Zij zullen evenals een Lamech het wezen van de duisternis gaan belichamen. Maar ook in dit duistere zal er in de eindtijd 'meer' zijn dan in de voortijd. Lamech is slechts een vooraf­schaduwing van de komende antichrist.

Het verschil tussen de zonen Gods en de zonen des verderfs zal in de eindtijd werkelijk maximaal worden. Het is dan 'stralend wit' tegenover 'diep zwart'.

Vermenging

In Genesis 6:2 wordt vermeld dat de zonen Gods zich uit de dochters der mensen vrouwen namen, wie zij maar verkozen. Terwijl Henoch en Lamech geeste­lijk geheel uit elkaar waren gegroeid en in handel en wandel lijnrecht tegenover elkaar waren komen te staan, waren er van de zonen Gods, vanuit het geslacht van Seth, die toenadering zochten tot de wettelozen. De onreinheid en de hoererij die onder deze mensen steeds gewoner werden, zullen aanstekelijk en verleide­lijk hebben ingewerkt op de Sethieten. Dit werd de doodsteek voor vele 'zonen Gods'.

In plaats van weg te blijven uit het midden der goddelozen en wettelozen en zich volkomen van hen gescheiden te houden en zich niet te laten verlokken door het onreine en zo een volk te zijn en te blijven voor God, lieten zij zich wel degelijk verleiden en vielen zij af van hun geloof in God en het aanroepen van de naam des Heren. Zij verloochenden hun eerdere positie en lieten zich in met de mensen en de machten die in hen huisden.

Afval

De duivel sloeg onmiddellijk toe. Dat zijn momenten en gelegenheden die hij eerst organiseert en daarna aan alle kanten uitbuit. Zijn grootvorsten dirigeerden op zijn bevel hun demonische troepenmachten naar deze van oorsprong 'op God gerichte personen' toe met de opdracht om deze mensen geestelijk te overweldigen, in bezit te nemen, innerlijk te plunderen en zo hun geeste­lijk niveau geheel omlaag te halen.

Er kwam in de tijd van Henoch en Lamech dus ook een proces van vermenging op gang. Dit proces belemmerde de verdere heiliging, de verdere ontwikke­ling in het geslacht van Seth. Het leidde tot afval en bracht in dit gezegende geslacht het tegen­overgesteld proces van degeneratie en verderf op gang. Verschrikke­lijk!

Gevaar

Welk een gevaar, deze vermenging! Niet alleen in de voortijd, maar door alle tijden heen, en dan natuurlijk met name ook in de eindtijd. Paulus waarschuwt voor deze zonde op niet mis te verstane wijze: Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtig­heid gemeen met wetteloosheid, of welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis (2Cor.6:14)?

Juist in de eindtijd die wij zijn binnen gegaan, ligt dit gevaar voor kinderen Gods en zonen Gods op de loer. Het einde van een dergelijk proces is de dood, het verderf. Dat gebeurde in de voortijd.

Dit proces wil Satan opnieuw inzetten in de eindtijd, juist ten aanzien van (toekomende) zonen Gods. In puur geestelij­ke zin: als geestelijke hoererij, die leidt tot Babyloni­sche vermenging en verwarring en uiteinde­lijk voert naar de ondergang (zie Openbaring 17 en 18). Maar ook in letter­lijke zin: onreinheid en hoererij in verborgen of minder verborgen vormen.

Strik

Deze zaken vormen een groot gevaar voor de gemeente in de eindtijd. De grote wetteloze geest, de grootvorst der wederspannig­heid, tezamen met de verderver, de antichriste­lijke geest, zijn hier in diepste zin verant­woor­delijk voor. De grootvorst van onreinheid en andere geestelijke overheden worden door deze aanvoerders ingeschakeld. Zoals destijds de strik is uitgezet voor de zonen uit de voortijd, zullen zij in de eindtijd met inzet van al hun duistere krachten opnieuw velen willen laten afvallen van het geloof en in het verderf willen storten.

Laten wij als gemeenten in de eindtijd de ernst van deze zaak inzien en op geen enkele wijze toegeven aan het begeren van de boze om dit dodelijke proces van vermen­ging - in welke vorm dan ook - in ons leven op gang te brengen.

Daarom, zegt Paulus, gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, spreekt de Here, en houdt niet vast aan het onreine. Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Here, de Almachti­ge (2Cor.6:17,18).

Resultaat

Het einde van de vermenging die zich in de voortijd heeft ingezet, was dat er van het hele geslacht van Seth en Henoch, van alle 'zonen Gods' nog slechts één gezin overbleef: Noach en de zijnen. De overigen waren geworden als alle andere mensen: enkel 'vlees', vol geweldenarij, een speelbal van de machten der duister­nis. De overheden, grootvorsten - en vele boze geesten met hen - hadden kans gezien zich in te nestelen in de (gehele) mensheid. Zij waren werkelijk 'wereldbeheersers' geworden (naar Ef.6:12). Zij waren bepalend geworden voor het wereld­beeld. De mensheid was volledig in hun macht gekomen.

Al wat leeft had zijn weg op aarde verdorven (Gen.6:12). De boosheid des mensen was groot op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten, was te allen tijde slechts boos (vs.5).

Zo naderde het moment waarop Satan zijn grote slag wilde slaan en de gehele aarde en al de werken van Gods handen wilde gaan vernietigen.

Niet uit handen

Het liep God evenwel niet uit handen. Hij bleef geloven en vertrouwen in het kleine groepje getrouwen, in 'de rest' die op zijn woord in eerbied en geloof de ark in gereedheid hadden gebracht. Door deze mensen kon God redding teweegbrengen en mens en schepping door het water heen behouden voor Zijn doel.

In de eindtijd geldt hetzelfde. God en Jezus hebben in eerste instantie 'genoeg' aan een kleine groep getrouwen. Dezen zullen als volwassen zonen Gods openbaar mogen komen en zich als eerstelingen - als 'rest' - mogen inzetten voor de rest, de overigen van het huis Israëls. Zij zullen velen die in geestelijke zin in 'Babel' verkeren, mogen toeroepen: Gaat uit van haar mijn volk (Op.18:4). Velen zullen wanneer zij op deze oproep ingaan, bevrijd worden uit de greep van 'de koning van Babel', het beest uit de zee, de antichristelijke geest. Zo zullen in Jezus' naam velen gered kunnen worden van de ondergang.

Mede door ons?

Wanneer wij willen gaan behoren tot die eerstelingen, zullen we eerst zèlf geheel moeten loskomen van elke vorm van wetteloosheid en weerspannigheid, één en al gewilligheid zijn (naar Ps.110:3) en lust hebben om de wil van God te doen (Ps.40:9). Dan zal Jezus Zijn werk in en door ons kunnen voltooien en zal God veel vreugde aan ons beleven.

Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van

alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods (2Cor.7:1).