De opening van het zesde zegel (2)

Inleiding

Het zesde zegel geeft ons zicht op een belangrijke fase in het werk van Jezus Christus in zijn gemeente: het gaat aan op het einde (=voleinding) van alle dingen. Met het openen van dit zegel nodigt Jezus zijn gemeente uit zich hiervoor toe te bereiden en naar de komende volheid toe te leven.

De vorige bijbelstudie geeft een overzicht van de geestelijke ontwikkelingen gedurende het zesde zegel. We richten ons nu op de details.

Verzegeling

In Openbaring 7:1-3 ziet Johannes een ‘verzegeling’ plaatsvinden: Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, of over de zee, of over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met luider stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen, en hij zeide: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben.

Zegel

Een zegel is een merkteken. Het woord duidt enerzijds op het voorwerp waarmee men dit zegel aanbrengt (meestal een ring of een stempel), anderzijds op de afdruk (vaak in lak of was), het merkteken zelf.

Een zegel op voorwerpen geeft aan wie de eigenaar is. In het verleden kon dit ook bij dieren en slaven voorkomen; helaas betrof het dan vaak een brandmerk. Een zegel op brieven en documenten maakt deze rechtsgeldig: het is een waarmerk (1Kon.21:8, Jer.32:10). Een zegel op afgesloten voorwerpen of ruimten voorkomt dat deze worden geopend door onbevoegden (Deut.32:34, Dan.6:18, Mat.27:66). Als boekrollen van zegels zijn voorzien, wordt het lezen of wijzigen van de inhoud onmogelijk (Jes.29:11, Op.5:1).

Wie het zegel - de zegelring - van de koning bezit, heeft zijn macht (Gen.41:42-45, Est.3:10-11, 8:2). Een zegel - een zegelafdruk - biedt wettelijke bescherming tegen schending (Neh.9:38,10:1).

Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament gebruikt de woorden ‘zegel’ en ‘verzegelen’ meestal in overdrachtelijke zin. Je kunt de geestelijke betekenis afleiden uit het letterlijke woordgebruik. Het aanbrengen van een zegel kan dienen om eigendom - en dus bescherming door de eigenaar - aan te geven, om iets of iemand te waarmerken, of beide. Deze betekenis is van toepassing op het bovenstaande gedeelte uit Openbaring 7. Ook kan het verzegelen dienen om iets af te sluiten, zoals in Openbaring 20:3. Wanneer dit gebeurt met betrekking tot woorden en uitspraken, zoals in Openbaring 10:4, heeft verzegelen de betekenis van ‘geheim houden’.

We dienen dus onderscheid te maken tussen de ‘verzegelde knechten van God’ uit hoofdstuk 7 en de ‘verzegelde boekrol’ uit hoofdstuk 5. De zegels van de boekrol worden stuk voor stuk verbroken. Het ‘zegel van de levende God’ wordt met alle zorg op het voorhoofd van de knechten van God aangebracht. Dit kostbare zegel hoeft nooit meer verbroken te worden; het mag tot in eeuwigheid zijn waarde houden.

Zegel van God

De bijbel geeft duidelijkheid over de betekenis van dit zegel. In zijn evangelie schrijft Johannes: Werk niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt (Joh.6:27).

Jezus ontvangt als eerste ‘knecht des Heren’ het zegel van de levende God. In woord en daad verbindt Jahweh Zich met Jezus: Gij zijt mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen. Hij doopt Jezus in zijn heilige Geest, zalft Hem tot Christus, stelt Hem aan als Heer (zie Stb.69). God roept zijn naam over Jezus uit, verbindt zijn naam aan die van Jezus. Hij zegt: Jij bent van Mij en Ik ben er voor Jou.

Deze verzegeling is een bezegeling van het verbond tussen God en Jezus. Het bevestigt Jezus als Zoon van God en waarmerkt Hem als Christus en Heer. Het schenkt Hem goddelijke macht en mogelijkheden om zijn werk uit te voeren. Het geeft goddelijke garanties ten aanzien van bijstand en bescherming. Met dit zegel geeft Jahweh Zichzelf aan Jezus.

Antwoord

Elk verbond kent twee partijen. Zo ook het verbond tussen Jahweh en Jezus. Het zegel van de levende God is het antwoord van Jahweh op Jezus’ belijdenis en daad in zijn waterdoop: Hier ben Ik om uw wil te doen; Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God. Ik wil alle gerechtigheid vervullen (zie Stb.68).

Jezus geeft Zich met zijn waterdoop volledig aan Jahweh. Hij aanvaardt zijn plaats en opdracht uit Gods hand, stelt Zich volkomen beschikbaar, is één en al bereidwilligheid. Hij is de ware dienstknecht des Heren, waardig het zegel van God op zijn voorhoofd te hebben.

Uitwerking

Tijdens zijn bediening op aarde functioneert Jezus als ‘verzegelde knecht des Heren’. In alles blijkt Hij ‘van God’ te zijn en blijkt God Zich in en door Hem te openbaren. In volle gemeenschap met zijn Vader werkt Hij met de mogelijkheden die God Hem ter beschikking stelt: Hij vervult de gerechtigheid Gods.

Nog steeds functioneert Jezus als verzegelde knecht des Heren. Ook als verhoogde en verheerlijkte Heer werkt Hij in het hier en nu met de onbeperkte mogelijkheden van het zegel van de levende God. Dit zegel behoudt zijn waarde tot in eeuwigheid.

In Christus

Paulus trekt deze lijn door naar de leden van het lichaam van Christus: Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft (2Cor.1:21-22). Ook wij mogen het zegel van de levende God ontvangen. Jahweh wil ook op ons zijn zegel drukken, ons zalven in de Gezalfde, ons verzegelen in de Verzegelde. Hij wil zijn naam over de mens-in-Christus uitroepen, ons brengen in dezelfde verbondenheid-met-Hem als Jezus. Hij geeft daartoe zijn heilige Geest tot onderpand in onze harten.

In Efeziërs 1:13-14 zegt Paulus: In Hem (=Christus) zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij (=God) Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.

Het zegel van de levende God wijst op de verbinding in heilige Geest met Jahweh, de God van het leven, in de persoonlijke relatie met Jezus, de Heer van het leven. Het geeft uiting aan Gods verbond met mensen. Het waarborgt de volkomen verlossing die Jezus in zijn gemeente bewerkt. Het biedt zekerheid over de heerlijkheid die Jahweh zijn volk geeft.

Gods eigen volk

Bij onze wedergeboorte geeft God ons een plaats in Christus, neemt Hij ons als zonen van Hem aan in Christus (BS 25). Vervolgens wil Hij ons óók verzegelen in Christus, zijn eeuwige liefdesverbond bezegelen. Jezus doopt ons daartoe in heilige Geest, verbindt Zich persoonlijk met ons in de Geest, om ons geheel te vervullen met Gods Geest. Wat een genade voor u en mij: ons leven is nu met Christus verborgen in God (Col.3:3).

Ook bij ons is deze Geestesdoop verbonden met de waterdoop, met onze persoonlijke toewijding aan God en Jezus, met de openlijke keuze om met Jezus de gerechtigheid te vervullen. Niemand krijgt het goddelijk zegel ongewild opgedrukt.

Met deze verzegeling roept Jahweh zijn naam en die van Jezus over ons uit. Hij zegt: Je bent van Mij, jullie zijn van Mij, van nu aan tot in eeuwigheid. Hij bevestigt ons als zonen van God en waarmerkt ons als gezalfden des Heren. Hij schenkt ons macht om samen met Jezus zijn wil te doen en zijn plan uit te voeren. Hij geeft goddelijke garanties ten aanzien van bijstand en bescherming.

Wij mogen de naam van de Vader en de naam van het Lam gaan dragen, deze zijn nu op ons voorhoofd geschreven (naar Op.14:1). Wij mogen toetreden tot dat volk Gode ten eigendom en gaan behoren tot Gods eigen volk (naar 1Pe.2:9). Zo verwerft God Zich een volk tot lof zijner heerlijkheid (Ef.1:14), wiens God Hij tot in eeuwigheid zal zijn.

Gericht op het volkomene

Zoals in Studieblad 70 en 71 is aangegeven, vormen de water- en Geestesdoop in ons leven het fundament van de ontwikkeling naar het volkomene hierin. Met het bereiken van de geestelijke volwassenheid - het gelijkvormig worden aan het beeld van de Zoon - worden onze water- en Geestesdoop voltooid. Dat wil zeggen: ‘gelijkvormig’ aan die van Jezus. Je maakt dan de volkomen keuze om Gods wil te doen, je raakt dan volkomen vervuld van heilige Geest. Ik raad u aan deze Studiebladen over ‘de leer van dopen’ nog eens door te nemen.

De verzegeling bereikt op dat moment ook zijn voltooiing: je bent dan volkomen gezalfd in de Gezalfde, geheel verzegeld in de Verzegelde. Je bent dan in staat om met het zegel van God op je voorhoofd je bediening als volwassen zoon van God te aanvaarden en te vervullen. Om in volle gemeenschap met God en met Jezus, samen met alle andere verzegelde knechten des Heren, alle gerechtigheid te vervullen.

Onze verzegeling verschilt dus met die van Jezus. Wat bij Hem - de volwassen Zoon van God - in één moment plaatsvindt, krijgt bij ons - als aankomende zonen van God - zijn beslag in de periode van groei náár deze volwassenheid.

Toerusting

Onze verzegeling duidt dus niet alleen op het moment van het ontvangen van de heilige Geest, maar ook op het proces dat hiermee op gang komt: geheel vervuld worden van Gods Geest, deel krijgen aan de volledige verlossing in Christus, toekomen aan de baring van het volle zoonschap. De verzegeling omvat het hele proces van toerusting voor een bediening als knechten des Heren in geestelijke volwassenheid. Het maakt je gereed voor een optreden als Jezus, de knecht des Heren, tijdens zijn leven op aarde, voor een functioneren als gemeente van Christus in de volheid des tijds. Wanneer dit proces zijn voltooiing nadert, kan de dag van Christus ingaan.

Na het voltooien van dit verzegelingsproces wordt het zegel van God voluit werkzaam, zoals bij Jezus. Tijdens deze bediening in geestelijke volheid zal opnieuw blijken dat verzegelde knechten het eigendom van God zijn. God en Jezus openbaren Zich voluit in en door het lichaam van Christus. De bescherming functioneert, ook als de vier winden der aarde worden losgelaten en de vier engelen aan wie gegeven is de aarde en de zee schade toe te brengen, hun dodelijk werk doen (Op.7:1-2 en 9:14-15). De knechten des Heren werken met de macht en de mogelijkheden die hen door God en Jezus in handen zijn gegeven. Zij vervullen temidden van alles de gerechtigheid Gods.

Zesde zegel

Het boek Openbaring spreekt pas na de opening van het zesde zegel over de verzegeling van de knechten van God, terwijl het proces van deze verzegeling in feite al begint bij je doop in water en heilige Geest, het innemen van je plaats in Christus en het toetreden tot het lichaam van Christus. Met andere woorden: na openen van het eerste zegel in je leven. Waarom is dit? Waar duidt dit op?

We hebben gezien dat Jezus bij het openen van het zesde zegel onze aandacht richt op de voortgang van de reeds ingezette processen in ons leven. Het gaat in dit stadium om de verdere doorwerking van alles wat Hij door het openen van de voorafgaande zegels in beweging heeft gebracht (BS 34/2). Openbaring 7:3 beschrijft de voltooiing van wat al eerder tot ontplooiing is gekomen: Breng geen schade toe (...) voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben.

Voltooiing

Met het openen van het zesde zegel in je leven schept Jezus mogelijkheden om het proces van verzegeling zijn voltooiing te laten bereiken. Hij heeft ons dan reeds onder zijn machtige bescherming genomen. Langs de weg van het geloof wil Hij ons brengen naar het heil dat klaar ligt om aan het einde van de tijd te worden geopenbaard (1Pe.1:5 GN). Waar wij onze keuze om de gerechtigheid te vervullen, uitvoeren en bevestigen, zorgt Hij voor de verdere vervulling met Gods Geest. Waar wij de nieuwe mens ­aandoen en de oude mens afleggen, werkt Hij door aan onze vernieuwing. Waar wij de strijd tegen onze vijanden opnemen, geeft Hij ons de overwinning.

Juist na de opening van het zesde zegel is het aan de orde om Jezus ten volle te leren kennen en geheel één te worden met Hem. Om in gemeenschap met Hem geestelijke mondigheid te ontwikkelen en onder zijn leiding en bescherming de laatste en grootste weerhouder (Belial) op de weg naar de geestelijke volwassenheid te passeren, zodat wij toekomen aan de baring van het volle zoonschap (zie BS 34/9-12).

Wij mogen het zegel van de levende God in alle volheid op ons voorhoofd gaan dragen. Wat een genade dat de Heer ons deze mogelijkheid biedt en deze weg voor ons opent!

Vroege en late regen

Jacobus beschrijft het proces dat uitloopt op de komst des Heren - de openbaring van Jezus Christus in de zijnen - als het wachten op de kostelijke vrucht des lands. Deze vrucht komt te voorschijn nadat de vroege en late regen erop gevallen is (Jac.5:7).

De vroege regen begint te vallen met het opengaan van het eerste zegel in je hemel. Wanneer je deze werkingen van woord en Geest opmerkt en toelaat in je hart, maakt het je ontvankelijk voor het goede zaad van Christus (zie BS 24/4). De vrucht van de Geest gaat zich dan zetten.

Jezus bewerkt de voortgang in dit proces door ook de volgende zegels in je hemel te openen - door de regen die telkens weer valt (Heb.6:7): door de verdere doorwerking van zijn woord en Geest in de gemeente.

Door het opengaan van het zesde zegel in je leven kun je ook het vallen van de late regen gaan opmerken in de prediking van het evangelie, en deze stromen van levend water gaan benutten (BS 24/5). Hierdoor gaat de vrucht rijpen en komt het volle koren in de aar te voorschijn.

Kenmerk

Het gaan vallen van deze ‘late regen’ mag tot de kenmerken van het zesde zegel worden gerekend. De rechte prediking verdiept zich, de zalving van Gods Geest neemt toe (BS 34/4). Deze heerlijke ontwikkeling in woord en Geest - die Jezus bewerkt - hoeft nooit meer op te houden. Het mag uitmonden in de opening van het zevende zegel, doorlopen in het half uur stilte en nog verder openbaar komen in het blazen van de zeven bazuinen.

Dit is geen automatisme, maar een zaak van leven in gemeenschap met Jezus, van ingaan op zijn woord, van indrinken van de regen die Hij geeft. Blijf dus alert en laat je niet door je geestelijke vijanden inpakken. Ook na een zwak moment of een zekere terugslag mag je het door Gods genade altijd weer oppakken. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en blijft dit tot in eeuwigheid (Heb.13:8). Alle dank aan Hem.

Van God

Bij de verzegeling gaat het niet alleen over wat wij door de werking van Gods Geest mogen ontvangen, maar ook over wat God hierin verkrijgt. Ook dit besef is van groot belang in de verdere ontwikkeling. Het zegel van de levende God duidt op een eigendomsrecht. God verwerft ons als zijn ‘persoonlijk eigendom’. Wij zijn hierdoor een volk dat niet meer van zichzelf is, maar van God. Wij behoren daarom niet meer voor onszelf te leven, maar voor Hem. Niet meer te doen wat wij zelf willen, maar wat God wil. Voor verzegelden geldt, naar het voorbeeld van Jezus: niet mijn wil, maar uw wil geschiede. Dit gaat heel ver. Het heeft invloed op al je keuzen, ook als deze betrekking hebben op je natuurlijke bestaan. Wie of wat staat centraal in je leven: God en zijn plan met mensen, Jezus en zijn gemeente, de dingen van boven? Of de dingen van beneden, van de aarde: je relaties met mensen, je huis en je baan, rijkdom en aanzien?

Niemand wordt tot zulke keuzen gedwongen. Zo werkt God niet. Het hele proces van verzegeling is van begin tot einde een vrijwillige zaak. Jezus nodigt uit om met Hem dat ‘bijzondere’ volk ván God te worden. Wat een vreugde voor God als wij hierop ingaan en hierin vast komen te staan. Wat een blijdschap bereiden wij Hem als Hij ons als zijn eigen volk kan behandelen, wanneer blijkt dat dit werkelijk zo is. God en Jezus kunnen Zich dan volkomen geven. Het werk kan voortgang vinden, in en door dit ‘eigen’ volk.

Eerbied en ontzag

Dit ‘van God zijn’ dient ook door te werken in de wijze waarop wij met God en Jezus omgaan. Hoewel we mogen spreken van een relatie met God en Jezus, van groeiende verbondenheid met de Vader en de Zoon in heilige Geest, zijn en blijven wij van God. Jahweh wordt nooit van ons, en Jezus evenmin. God heeft ons aangenomen tot zonen, Jezus heeft ons gekocht en betaald, en niet andersom. Zij hebben ons eerst liefgehad, wij mogen hun liefde met wederliefde beantwoorden. Jahweh wil zijn naam in ons leven waarmaken: de ‘Ik ben die Ik ben’, de altijd aanwezige, wil er altijd zijn voor ons. Jezus wil woning maken in ons hart, ons voortdurend nabij zijn. Het hart van God en van Jezus gaat naar ons uit. Maar hier mogen wij niet slordig mee omgaan. Verzegelden zien vol eerbied en ontzag tot God en Jezus op. In de liefdesverhouding bewaren zij ook de gezagsverhouding (zie BS 13/3). Dit komt te voorschijn in hun op- en instelling. Dit blijkt in woord en werk. Zij zijn er in alle omstandigheden op gericht de naam die op hun voorhoofd staat geschreven in heiligheid (uit) te dragen, om deze naam te verheerlijken.

Dienstknechten

Het is niet verwonderlijk dat Openbaring 7 spreekt over de verzegeling van de knechten van God. Juist in die afrondende fase van het verzegelingsproces gaat het om leden van het lichaam van Christus die zich heel bewust als (dienst)knecht van God opstellen. Om verlosten des Heren die beseffen in wiens dienst zij staan en die in de juiste liefdes_ en gezagsverhouding ten opzichte van hun Heer leven. Om gelovigen die Jezus Christus als Heiland en Heer belijden. Om overwinnaars op witte paarden die Jezus als ruiter op het witte paard volgen. Om priesters die in eerbied en ontzag voor Gods troon staan en Hem dag en nacht vereren in zijn tempel.

Ware dienstknechten van God en Jezus Christus richten zich in elke situatie op hun God en hun Heer. Zij staan en blijven staan. Zij laten zich door niets en niemand meer uit het veld slaan. Zij volharden in geloof, doorstaan verdrukkingen en overwinnen in de strijd. Zij zijn het Koninkrijk Gods waardig (2Th.1:4,5). In hun leven kan de verzegeling worden voltooid. Na de opening van het zevende zegel mogen zij mét het zegel van God op hun voorhoofd, aangaan op het verkrijgen van de zaligheid door Jezus Christus (1Th.5:9).

Aantal

Johannes hoort het aantal van deze knechten: honderdvierenveertigduizend uit alle stammen der kinderen Israëls (Op.7:4), uit alle stammen van Israëls zonen (Can). In vers 9 ziet de apostel deze groep mensen voor de troon van God staan: een schare die niemand tellen kan uit alle volk, stammen, natiën en talen. In hoofdstuk 14 ziet hij deze menigte nog eens. De honderdvierenveertigduizend staan daar met het Lam op de berg Sion. De naam van het Lam en de naam van God staan geschreven op hun voorhoofd. Zij zingen een nieuw gezang. Het zijn de losgekochten van de aarde, de eerstelingen uit de mensen voor God en het Lam (vs.3-4). In hun mond wordt geen leugen gevonden; zij blijken onberispelijk te zijn (vs.5): een heerlijk gevolg van de verzegeling!

Openbaring 12 beschrijft deze schare van knechten des Heren als één vrouw, die het volwassen zoonsleven baart. Openbaring 19 toont hen als de heerscharen in de hemel, gezeten op witte paarden en gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. Zij volgen de ruiter op het witte paard op zijn koninklijke zegetocht.

Gemeente van Christus

In al deze visioenen gaat het om de gemeente van Jezus Christus. De hele Openbaring is aan haar geschreven (zie hoofdstuk 1:4 en 22:16). De honderdvierenveertigduizend vertegenwoordigen het ware Israël, Gods eigen volk. Deze volgen het Lam waar Hij ook heengaat (Op.14:4). Zij komen voort uit alle volken en zijn in de hemel vernieuwd tot ware Israëlieten, gevormd tot geestelijk volwassen zonen van het geestelijke Israël. Zij zijn onder één hoofd samengevoegd: Christus. Hun aantal wordt gehoord, niet bepaald. Deze menigte van verzegelde knechten des Heren is niet te tellen, het gaat ook niet om aantallen. Het genoemde aantal is symbolisch: het duidt op een volheid, zowel in kwaliteit als in kwantiteit.

Allen?

Niet alle kinderen Israëls worden verzegeld: uit elke stam twaalfduizend (Op.7:5-8). Niet alle gelovigen laten zich dopen in water en heilige Geest. En ook: niet alle kinderen Gods komen mee in het proces van verzegeling nadat zij in heilige Geest zijn gedoopt. Dit sluit aan bij het hele beeld dat Openbaring schetst van de geestelijke ontwikkelingen ten tijde van het zesde zegel (zie BS 34).

Dit duidt niet op een bepaalde vorm van ‘uitverkiezing’: God roept allen tot volledige gemeenschap met zijn Zoon, Jezus Christus. God bestemt allen tot het verkrijgen van zaligheid door Jezus Christus (1Cor.1:9, 1Th.5:10). Doch niet ieder gaat hierop in. Niet allen bevestigen hun roeping en verkiezing (2Pe.1:10). Niet ieder laat zich daadwerkelijk gebruiken bij de bouw van het geestelijk huis (1Pe.2:5).

De verzegeling komt op gang en tot voltooiing in het volgen van Jezus, waar Hij ook heen gaat. Waar dit volgen niet (langer) plaatsvindt en mensen gaan verachteren van de genade (Heb.12:15), komt de door God bedoelde ontwikkeling tot stilstand. Zelfs wat zij hebben, wordt hen dan ontnomen (Mar.4:25): het zegel van God verliest in het leven van deze mensen stilaan zijn waarde. Dit is geen lot maar een keuze.

Bedroeven

Onder invloed van vijandige geesten kun je de heilige Geest ook bedroeven (Ef.4:30), zelfs nadat je de water- en Geestesdoop hebt ondergaan, zelfs nadat het proces van verzegeling in je leven is begonnen. Paulus geeft dit aan. Het volk Israël heeft dit vele malen gedaan (Jes.63:10, Ps.78:40). Als dit bedroeven van de Geest voortgaat, loopt het in je leven uit op het doven van de Geest (naar 1Th.5:19). Stefanus spreekt zelfs over de mogelijkheid van het je verzetten tegen de heilige Geest (zie Hand.7:51).

Wat een afschuwelijke geest zit hierachter. Wetteloos, weerspannig en hardnekkig. Deze antigoddelijke geest uit het Oude Verbond manifesteert zich als antichristelijke geest in het Nieuwe Verbond. Het is Belial, de aanvoerder van het leger van boze geesten op rode, zwarte en geelgroene paarden. Hij wil het goede werk van Jezus in onze levens tegenhouden en afbreken. De verzegeling bereikt zijn doel dan niet. De hemel wijkt dan terug als een boekrol die wordt opgerold (Op.6:14).

Opstelling

Wij willen de Geest Gods niet bedroeven, maar de Heer vreugde bereiden door Hem alle ruimte te geven zijn goede werk in ons voort te zetten. Stel je daarom op als knecht van God en van Jezus: Heer, hier ben ik voor U, ik heb lust om uw wil te doen; ik stel mij open voor uw woord en Geest. Met mijn broeders en zusters wil ik het proces van verzegeling in verbondenheid met U geheel doorlopen, ook al gaat dit door aardbevingen en stormen heen. Ik wil mondig worden, behoren tot die schare van verzegelden die de berg Sion beklimt en voor uw aangezicht staat. Ik wil het zegel van de levende God dragen, mijn bediening in geloof aanvaarden en vervullen (Col.4:17).

Blijf de strijd opnemen tegen de geesten waarop Jezus met het openen van het tweede, derde en vierde zegel zicht geeft. Kom mee in de vernieuwing van denken en leven. Besef welke naam op je voorhoofd staat geschreven. Blijf je gewaad wassen en wit maken in het bloed van het Lam. Blijf aan dit gewaad weven in woord en werk. Hul je in dit witte kleed en volg het Lam op het witte paard. Kom los van de aarde, van al het zichtbare en tijdelijke en laat je opvoeren tot de top van de berg Sion. Neem je plaats in als priester in de tempel van God. Geef mee gestalte aan het lichaam van Christus, in twee werelden tegelijk.

Voortgang

Zo gaat het zesde zegel verder open in je leven; het proces van verzegeling gaat door. Je wordt sterk en weerbaar. Er ontstaat geen schade in je levenshuis, door welke wind en aardbeving je ook heengaat. Jezus kan zijn werk in je voortzetten, je toerusten voor zijn dag. Je komt met je broeders en zusters voor de troon van God en het Lam te staan, in een wit gewaad en met palmtakken in je handen (Op.7:9). Je leert samen met hen het nieuwe gezang zingen (14:3). Met het ‘oude liedje’ is het definitief gedaan. Je wordt dan ‘als’ Jezus, je gaat leven zoals Hij. De vrucht van de Geest komt tot rijpheid, in jou en in de gemeente.

Wat een vreugde om het zegel van de levende God in alle volheid te mogen ontvangen en in alle eeuwigheid op het voorhoofd te mogen dragen. Aan de Vader en de Zoon zij hiervoor alle dank en eer.