Profetieën aangaande de Christus (1)

Inleiding

Vanaf de moederbelofte in Genesis 3:15 wordt er door het gehele Oude Testament heen telkens weer in profetische bewoordingen gesproken over de geboorte, het leven en het werk van de komende Messias. Door deze woorden wilde God de mensheid oproepen om hiernaar uit te zien, Zijn volk opwekken om daarnaar toe te leven. Zij mochten door alle eeuwen heen tot vertroos­ting dienen voor allen die er hun hoop op wilden vestigen en hun geloof aan wilden verbinden.

Zekerheid

Al deze woorden zijn in vervulling gegaan, van de eerste tot en met de laatste. Dit staat beschreven in het Nieuwe Testament. Het is een goede zaak om in deze fase van onze studie aangaande Gods plan met mensen hier eens bij stil te staan en daar een zeker overzicht van te geven.

Het bevestigt het feit dat de woorden die van de mond Gods uitgaan, niet ledig tot Hem wederke­ren, maar te allen tijde zullen doen wat Hem behaagt en zullen volbrengen, waartoe Hij ze zendt (naar Jes.55:11). Wij kunnen hierdoor gaan zien hoe betrouwbaar de woorden Gods zijn en hoe goed het is om elk woord van God te geloven en daar met volle vrijmoedig­heid op in te gaan.

Voor de toekomst

Dit geldt dus ook voor onze toekomst als gemeenten van Jezus Christus.

Onze God zal het woord van Zijn knechten gestand doen en de aankondiging van Zijn boden volvoeren (Jes.44:26). Niet één woord van al Zijn goede woorden zal onvervuld blijven (naar 1Kon.8:56). Wij mogen denken aan hetgeen vroeger en tot nu toe is gebeurd. Hij is God, en er is geen ander. Niemand is aan Hem gelijk. Hij, die van den beginne de afloop verkondigt en vanouds wat nog niet geschied is; die zegt: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering (naar Jes.46:9-11). Dit geeft zekerheid en hoop voor vandaag en voor de toekomst! Wij mogen in blijdschap zien op alles wat reeds is en met vreugde uitzien naar alles wat nog gaat komen!

Jezus' afkomst

De afkomst van Jezus wordt in het Oude Testament nauwkeurig aangegeven. Psalm 2:7 beschrijft Hem als Zoon van God: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. Dit wordt in Lucas 1:32 en 35 door Gabriël herhaald: Deze zal groot zijn en Zoon des Aller­hoogsten genoemd worden. De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden.

Tevens wordt aangegeven dat deze Zoon Gods zou voortkomen uit het zaad van de vrouw (Gen.3:15), geboren worden uit een maagd (Jes.7:14). Dit wordt bevestigd in Mattheüs 1:18, Lucas 1:26-35 en 2:5-7 en Galaten 4:4.

Tenslotte wordt duidelijk gemaakt dat Jezus zou voortkomen uit het geslacht van Abraham (Gen.17:7) en dat deze geslachtslijn zou lopen via Isaak (Gen.21:12), Jacob (Num.24:17), Juda (Gen.49:10) en David (Ps.132:11, Jes.9:6, 11:1, Jer.23:5). Dit wordt bevestigd in de geslachts­registers die zijn opgenomen in Mattheüs 1 en Lucas 3. Bovendien in Handelingen 13:23 en Romeinen 1:3.

Geboorteplaats

Micha profeteert over de geboorteplaats van Jezus: En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid (5:1). Bevestiging hiervan vinden we in Mattheüs 2:1 en Lucas 2:4.

Ook over de gebeurtenissen vlak ná de geboorte wordt geprofe­teerd. Het bezoek van de wijzen uit het Oosten (Mat.2:1-12) wordt in Psalm 72:10 reeds min of meer 'aangekondigd'. Hetzelfde geldt voor de vlucht naar Egypte (Hos.11:1) en de afschuwelijke kindermoord te Betlehem (Jer.31:15).

Heraut

Het openbare optreden van Jezus is voorafgegaan door een heraut, Johannes de Doper (Mat.3:1,3 en Luc.1:17). Ook dit is vooraf reeds aangegeven in de schrift: Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. (Jes.40:3). En: Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, die gij zoekt, namelijk de Engel des verbonds, die gij begeert. Zie, Hij komt, zegt de Here der heerscharen (Mal.3:1).

Heilige Geest

De voor Jezus zo diep ingrijpende gebeurtenis aan de Jordaan - Zijn doop in de heilige Geest, Zijn zalving tot Christus en Here - is eveneens tevoren voorzegd.

In Psalm 45:8 zingen de Korachieten: Gij koos voor het recht, haat het onrecht: zó heeft God, uw God, u gezalfd, u gezalfd met olie der vreugde boven al uw medegenoten (vert. Gerhardt). Jesaja profeteert: En op hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren (11:2). Een aantal hoofdstukken verder zegt hij: Zie, mijn knecht, die Ik onder­steun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren (42:1). En in hoofdstuk 61: De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis.

In Mattheüs 3:16 en Lucas 3:21 wordt de concrete vervulling van deze beloften verhaald. In Johannes 3:34 en Handelingen 10:38 wordt het nog eens extra bevestigd.

Koning, priester en profeet

Door Zijn doop en vervulling met heilige Geest werd Jezus niet alleen tot Christus gezalfd, maar ook tot koning, tot (hoge)priester en profeet.

Over Zijn koningschap vinden we profetische woorden in Psalm 45: Uw troon, naar Gods wil, staat voor eeuwig; uw koningschap voert een scepter die scepter der rechtsorde is (vs.7 - Gerhardt). Ook in Psalm 2:6, Jesaja 9:7, 32:1, Jeremia 23:5, Daniël 7:14 en Zacharia 9:9 wordt over dit koningschap van Jezus geprofeteerd.

Zijn profeetschap blijkt onder meer uit de woorden van Mozes: Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren (Deut.18:15). Jezus noemde Zichzelf verschillende keren een profeet (Mat.13:57, Luc.13:33).

Zijn priesterschap wordt aangekondigd in Psalm 110:4: De Here heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek. In Hebreeën 5:5,6 wordt hierop teruggegrepen: Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt; zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.

Galilea

Het grootste deel van het openbare optreden van Jezus heeft zich voltrokken in Galilea. Jesaja spreekt hierover: Doch er zal geen donkerheid wezen voor het land dat in benauwdheid was. Zoals Hij in het verleden smaad bracht over het land van Zebulon en over het land van Naftali, zo brengt Hij in de toekomst eer over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, de land­streek der heidenen. Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht (9:1,2).

Jezus heeft op bewuste wijze het woord van deze profeet ingevuld en daarmee de beloften Gods vervuld. Dit blijkt uit Mattheüs 4:12-16: Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea. En Hij verliet Nazaret en ging wonen te Kafarnaum, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide .... enz.

Gestalte noch luister

Ook de uiterlijke gedaante van Jezus wordt tevoren door profeten beschre­ven. In Jesaja 53 staat: Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. In Markus 6:3 wordt dit bevestigd: Is dit niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En behoren zijn zusters hier niet bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem. En in Lucas 9:58 vinden we woorden van dezelfde strekking: En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen.

In hoofdstuk 42 spreekt Jesaja over de totale afwezigheid van enig uiterlijk vertoon in het optreden van de Messias: Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen (vs.2). Mattheüs bevestigt dit: Maar Jezus doorzag het en ging vandaar weg. En velen volgden Hem en Hij genas hen allen, en Hij verbood hun ten strengste Hem bekend te maken 12:15,16). In vers 19 staat: Hij zal niet twisten of schreeuwen, en niemand zal op de pleinen zijn stem horen.

Karakter

Jesaja beschrijft in profetische termen ook het karakter van de Christus.

Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergade­ren en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden (40:11). Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren (42:3). In Mattheüs 12:15 en 20 lezen we de vervulling hiervan. In Hebreeën 4:15 staan eveneens woorden die hierop betrekking hebben: Want wij hebben geen hoge­priester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondi­gen.

Jezus was volstrekt rechtvaardig. Hij sprak te allen tijde de waarheid. Dit was door Jesaja reeds voorzegd: En men stelde zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was hij in zijn dood, omdat hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in zijn mond is geweest. De apostel Petrus komt hier in zijn eerste brief op terug. Hij heeft het persoonlijk meegemaakt: Die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden (2:22).

Ook de ijver van Jezus is voorzegd. In Psalm 69:10 staat: Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder. Toen Jezus vrijwel aan het begin van zijn rondwande­ling op aarde voor de eerste maal de tempel reinigde, kwamen deze woorden terug in de herinnering van zijn discipelen (Joh.2:17). Zij zagen de vervulling ervan voor zich!

Gelijkenissen

Jezus heeft vooral in de tweede helft van zijn rondwandeling veel gesproken in gelijkenissen, omdat de schare het rechtstreekse onderwijs over de geestelijke zaken niet begreep. Dit blijkt uit Mattheüs 13:13. Deze vorm van aanschouwelijk onderwijs is eveneens reeds tevoren beschreven. Psalm 78:2 zegt: Ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen. Jezus haalt deze woorden aan in Mattheüs 13: Dit alles zeide Jezus in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen, opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is (34,35).

Wonderen

Ook de vele grote wonderwerken van Jezus zijn profetisch aangekondigd. Bijvoorbeeld in Jesaja 35:5,6: Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen; want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppe. In Mattheüs 11:4 en 5 wordt de heerlijke vervulling hiervan beschreven: En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie.

Ook de overpriesters en de Farizeeën moesten toegeven dat hier iets zeer bijzonders aan de hand was. Zij riepen op een gegeven moment daar zelfs de Raad voor bijeen en zeiden: Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen (Joh.11:47).

Gesmaad en verworpen

Ondanks de goede woorden als van God, een evangelie met oplossingen voor alles en iedereen, het karakter van de ware Zoon van God en alle goede werken en daden is Jezus toch door vele van zijn tijdgenoten gesmaad en verworpen, gehaat en veracht. Dit wordt in de Psalmen reeds onder woorden ge­bracht: Maar ik ben een worm en geen man, een smaad voor de mensen en veracht door het volk (22:7). Want om Uwentwil draag ik smaad, bedekt schaamte mijn gelaat (69:8). De smaadwoor­den van wie U smaden, kwamen op mij neder (vs.10). De smaad heeft mij het hart gebroken, en ik ben verzwakt. Ik wachtte op een teken van medelijden, maar tever­geefs, op troosters, maar ik vond hen niet (vs.21). Paulus haalt deze woorden aan in Romeinen 15:3.

Aanstoot

Psalm 69:9 zegt: Ik ben een vreemde geworden voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder. Jesaja profeteert: Ik heb de pers alleen getreden en van de volken was niemand bij Mij... (63:3).

Johannes bevestigt deze woorden: Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen (1:11). Zijn broeders dan zeiden tot Hem: Ga van hier en reis naar Judea, opdat ook uw discipelen uw werken aanschouwen, die Gij doet. Want zelfs zijn broeders geloofden niet in Hem (7:3,5).

Hij was een steen des aanstoots voor de Joden: Dan zal Hij tot een heiligdom zijn, en tot een steen, waaraan men zich stoot, en tot een rotsblok, waarover men struikelt, voor de beide huizen van Israël, tot een klapnet en tot een valstrik voor de inwoners van Jeruzalem (Jes.8:14). Paulus en Petrus komen hierop terug (Rom.9:32, 1Petr.2:8).

De Joden versmaadden Hem (Ps.118:22, Mat.21:42, Joh.7:48). Hij werd zonder oorzaak gehaat (Ps.69:5), diep veracht en verafschuwd (Jes.49:7). De vervulling ervan staat beschre­ven in Johannes 15:24,25.

Vervolg

Het is opmerkelijk hoe nauwkeurig de profeten tevoren hebben aangegeven wat er in het leven van de Messias allemaal zou gaan gebeuren. Jezus heeft dit in Zijn jeugd bestudeerd en Zich toegeëigend. Mede daardoor was Hij op alles voorbereid en heeft Hij alle gerechtigheid Gods kunnen invullen en vervullen.

We willen in het volgende Studieblad doorgaan met het naar voren halen van deze profetische woorden en daar steeds weer de beschreven vervulling bij plaatsen. Dit zal ook voor ons, als aankomende zonen Gods, ter lering mogen dienen. Paulus zegt: Al wat tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschre­ven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden (Rom.15:4).

Dat willen we met heel ons hart. Opdat het plan Gods in en door de gemeente van Jezus Christus ten volle openbaar zal worden!