God gaat scheppen

Inleiding

In den beginne schiep God de hemel en de aarde (Gen.1:1). Dit zou de omgeving zijn waarin God zijn plan met de mens, de mensheid zou volvoeren. God wist waaraan Hij begon toen Hij een aanvang maakte met het creëren van de hemel en de aarde. En daarin is God tot op heden niet veranderd en zal Hij nooit veranderen. Onze God werkt nog steeds met vaste hand door aan de volledige realisatie van alles wat in den beginne bij Hem was. In u en in mij ziet Hij elk moment die potentiële kandidaat, dat unieke wezen dat bestemd is om uit te groeien tot dat goddelijke niveau en om samen met alle andere mensen die dit willen, onder één hoofd samengevat te worden en als één geheel de vrouw van God te worden, in wie God alles en in allen kan zijn.

Gods werkwijze

Bij het bestuderen van de scheppingsdaden van God in Genesis 1 bemerken we dat God een bepaalde werkwijze heeft. Hij doet niet alles in één keer, want dat zou niet het gewenste resultaat opgeleverd hebben. God wilde zijn partner verwerven en als deze in één keer kant-en-klaar geschapen zou worden, valt er niets meer te ‘verwerven’. God heeft gekozen voor de weg van groei en ontwikkeling, het starten van bepaalde processen, een uniek principe door God bedacht. Hierdoor ontstaan inderdaad ongekende, onuitputtelijke mogelijkheden. Door groei en ontwikkeling van de door God ingeschapen vermogens zou de mens onder de bezielende leiding van, en in gemeenschap met God kunnen uitgroeien tot het volwassen, zelfstandige wezen, dat uit vrije wil, in liefde, met alles wat in hem is, wil beantwoorden aan wat God bedoelt en verlangt. God heeft dit in zijn oneindige wijsheid uitgedacht. Het is door dit goddelijk principe dat God zijn plan realiseert in fasen, in perioden, waarin een bepaald door God ingezet proces verloopt. In een bepaalde fase kunnen dingen wel plotseling tot stand komen, maar dit vormt dan altijd maar een onderdeel van het grote geheel. Op deze wijze werkt God met vaste hand toe naar de totale realisering van zijn oorspronkelijke doel.

In de rust

We kunnen tevens opmerken dat Gods werken te allen tijde geschieden in een bepaald klimaat. Bij God is volmaakte rust, volledige zekerheid, een onwankelbaar vertrouwen, een onvoorstelbaar groot geloof in eigen plan en werk, en daarbij een oneindig grote kracht, een onuitputtelijke hoeveelheid energie, bijna niet onder woorden te brengen. Dit alles is in God en gaat van Hem uit. Het is heel goed om ons dit voortdurend te realiseren; enerzijds om God hierin met eerbied en ontzag te bewonderen, anderzijds om ook voor ons eigen leven hierin een basis te vinden. Wij mogen vanuit die zelfde rust en zekerheid, met hetzelfde geloof en vertrouwen in gemeenschap met God meewerken aan de realisering van Gods plan. Het komt goed, het werk van God komt tot voltooiing in ons leven, want God wil het.

Twee werelden

We zullen ons nu gaan bezig houden met die eerste aanzet tot de realisering van Gods plannen. God ging spreken. Hij sprak iets uit van die totale gedachte die in Hem was. En met het spreken van God werd de Geest Gods werkzaam, ontsloot zich de kracht van God en werd er iets tot aanzijn geroepen dat er voorheen nog niet was. God schiep de hemel, de onzichtbare, de onstoffelijke, de geestelijke wereld en de aarde, de zichtbare, de stoffelijke, de natuurlijke wereld. Tezamen zouden zij van aanvang af dienstbaar zijn voor de nog te scheppen mens en diens ontwikkeling naar het voornemen Gods. God schiep twee werelden die op het eerste gezicht totaal verschillend lijken, maar die bij nader inzien toch volledig bij elkaar behoren.

De hemel

Bij het formeren van de geestelijke wereld, de hemel, bouwde God bepaalde wetmatigheden en principes in die overeenkomen met Hemzelf. God zelf is (een) geest (Joh.4:24). God zelf is onstoffelijk. God kent geen groei, geen ontwikkeling. God is eeuwig. Deze kenmerken vinden we terug in de wezens die God mèt het scheppen van de hemel in het aanzijn riep: de engelen. Het zijn (dienende) geesten zegt Hebreeën 1:14. Zij zijn onstoffelijk; zij kennen geen groei, geen ontwikkeling; zij zullen bestaan tot in eeuwigheid. We zullen in een apart artikel op hun existentie terugkomen.

In de geestelijke wereld moeten we niet denken in termen van ‘plaats’ en ‘ruimte’. Het is een wereld waarin slechts sprake kan zijn van een bepaalde situatie. Om het makkelijk te kunnen onthouden zeggen we dan vaak met een woordspeling: in de geestelijke wereld bestaan geen locaties, maar situaties. Ook het begrip ‘tijd’ heeft in de geestelijke wereld een eigen betekenis. Het is altijd gekoppeld aan het verloop van een bepaald proces. God werkt niet met uren, dagen of maanden; het stadium waarin het proces zich bevindt, is voor Hem maatgevend.

De hemel is rondom God geformeerd. Hij zelf staat in deze wereld centraal; God bevindt Zich in ‘het midden des hemels’ (Op.14:6). Hij is de Koning, de Heerser, de beheerser en drager van het geheel.

De aarde

Bij het scheppen van de natuurlijke wereld ging God van andere principes uit. Hij formeerde de materie, de stof, en bouwde daarmee een hele stoffelijke wereld op. In deze wereld legde God de unieke mogelijkheid van groei en ontwikkeling. In deze wereld zou God - in een later stadium - groeikernen, kiemen scheppen, waarna het door God ‘bedoelde’ door ontwikkeling te voorschijn zou komen. Op aarde kan gedacht worden in termen van plaats, ruimte en tijd. Er is vergankelijkheid in plaats van eeuwigheid. Ook op deze dingen zullen we in volgende artikelen ingaan.

Eén leven in twee werelden

Waarom schiep God de hemel én de aarde? We zouden geneigd zijn te zeggen dat dit twee onverenigbare werelden zijn; twee werelden die niet bij elkaar kunnen aansluiten. Het tegendeel is waar. De zichtbare, stoffelijke wereld staat namelijk niet op zichzelf. Zij wordt beïnvloed, gedragen en beheerst vanuit de geestelijke wereld. De hemel is er voor de aarde; de aarde is er voor de hemel. Zij ‘behoren’ bij elkaar; zij sluiten complementair op elkaar aan. God is niet alleen de Koning van de hemel, maar ook van de aarde.

Het is juist met oog op de mens dat God deze twee werelden schiep. Hij achtte deze combinatie in zijn oneindige grootheid en wijsheid de enig juiste voor de mens. Een engel is geformeerd voor de geestelijke wereld, voor een bestaan in één wereld. Plant en dier zijn geschapen voor de natuurlijke wereld, zij leven alleen op aarde. Doordat God de mens zou scheppen voor ‘één leven in twee werelden tegelijk’, zouden in de mens alle wetmatigheden van de geestelijke wereld en het eeuwige daarin, gaan samenvloeien met het unieke principe van groei en ontwikkeling dat aan de natuurlijke wereld ten grondslag ligt.

Met recht kan gezegd worden dat de mens de kroon van de Gods schepping is: in de mens komt al het ‘afzonderlijke’ tezamen. In de mens is het stoffelijke en het onstoffelijke, de groei en de eeuwigheid, samengebald. Juist hierdoor zou de mens in staat zijn uit te groeien tot partner van God om tot in alle eeuwigheden in een liefdesgemeenschap met God te leven. De mens zou mèt God mede-beheerser van hemel en aarde mogen en kunnen zijn. Zo had God het bedacht.

Voor de mens

Alles wat er in hemel en op aarde geschapen werd, zou een eigen bijdrage mogen leveren in dat totale plan van God. Zo had God het bedoeld, daartoe heeft Hij alles geschapen. Niets is er zomaar. In het oorspronkelijke plan van God heeft alles zijn taak en bestemming en dat alles in een mate, een veelheid, die kenmerkend is voor God: een ruime, volle, overlopende maat, zodat er leven zou zijn en overvloed voor alles en allen.

De hemel en de aarde zijn er voor ons. Zo heeft God het van vóór de grondlegging der wereld bedoeld. Dat het ons vandaag de dag even anders toeschijnt, heeft een andere oorzaak; we zullen hier in volgende studies op in gaan.

God liefhebben

Het is voor ons heel belangrijk dat wij inzicht krijgen in het oorspronkelijke plan van God met mensen. Wij willen Hem leren kennen die van den beginne is (1Joh.2:13). Samen willen wij in ons leven alles gaan uitwerken wat God tevoren met ons beoogde en nog steeds wil realiseren. Met alles wat in ons is, met alle vermogens die God in ons gelegd heeft en die in gemeenschap met Hem helemaal tevoorschijn mogen komen, willen wij God liefhebben, dat is zijn plan met ons leven liefhebben.

In deze gezindheid en gerichtheid van ons naar God toe, zal God ook steeds meer aan ons kunnen openbaren, Zichzelf aan ons kunnen geven, zodat tenslotte de hemel en de aarde met al wat daarin is, en de mens(heid) zal zijn zoals God bedoelt. Hem, de alleen wijze God zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen.