Gericht op het volkomene (2)

Inleiding

God verlangt naar een mensheid die in al haar delen heilig en onberispelijk is, volwassen en volmaakt naar geest, ziel en lichaam.

Jezus Christus werkt met vaste hand aan de realisatie van dit plan Gods. Als Hoofd van de Gemeente wil Hij in alle leden doorwerken en het proces van heiligmaking op gang brengen, laten voortgaan en geheel voltooien. Alle gelovigen worden daarom vanuit het woord en door de Geest aangespoord om werkelijk heilig te worden en met volle inzet mee te werken aan de verdere heiligmaking. Zij dienen zich met alles wat in hen is te richten op het volkomene, opdat het doel van God verwezenlijkt zal worden.

Van binnen naar buiten

Het proces van heiligmaking begint in het (geestelijk) hart van de mens, het centrum van zijn bestaan, zijn diepste innerlijk (Stb.56 blz.6).

Jezus wil naar goddelijk principe allereerst de binnenkant van de mens reinigen en heiligen; Hij begint daarom in de kern, het meest wezenlijke deel van de innerlijke mens.

Wanneer de heiliging daar werkelijk ten volle zijn beslag kan krijgen, is het niet meer dan logisch dat deze heiligmaking zich van binnen naar buiten voortplant en te voorschijn komt in het gehele leven van de mens. Jezus zegt: Reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein worden (Mat.23:26). Het gaat allereerst om een vernieuwing van hart en geest in het binnenste van de mens (Ez.11:19), dan zal hij uit de goede schat zijns harten het goede voortbren­gen. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond (Luk.6:45); daarvan zal het gehele leven vol worden.

Hart

Er is over het hart van de mens al veel geschreven. In de bespreking van het bijbelse mensbeeld (Stb.6 t/m 20) is naar voren gekomen dat het hart van de mens de plaats is van waaruit zijn leven ontspringt en wordt geleid.

Het hart is het privé-gebied van de mens, waar niemand anders dan God alleen kan inkijken. De bijbel spreekt in dit verband over de verborgen mens des harten (1Petr.3:4).

Jezus vergelijkt het hart van de mens in Mattheüs 13 met een akker waarop kan worden gezaaid. Woorden en beelden kunnen op het hart inwerken als zaad op een akker en daardoor een bepaalde ontwikkeling in het leven van de mens teweeg brengen: de mens is vatbaar voor inspiratie van buitenaf. Het hart is het verwer­kingsgebied van alle waarne­mingen, indruk­ken en belevin­gen in twee werelden.

In het hart worden de gedachten gevormd en ontspringen de gevoelens, daar zetelen alle innerlijke vermogens, daar worden de beslissingen genomen. Van daaruit wordt gesproken, gehandeld, geleefd. Het hart is het brongebied van alle uitingen van de eigen, menselijke vermo­gens.

De hartegesteldheid van de mens is bepalend voor zijn opstelling en instel­ling, voor zijn mentaliteit en gezindheid.

Samenvattend kunnen we zeggen: In het hart van de mens liggen de oorspron­gen van zijn le­ven (Spr.4:23).

Door God begeerd

Het is dus geen wonder dat God met name dit hart van de mens begeert. Hij wil spreken tot de mens, Zich openbaren aan de mens en in dit samenzijn met de mens Zijn woorden en bedoelingen in diens hart zaaien, om daarmee de ontwikke­ling op gang te brengen die Hij voor ieder persoonlijk beoogt. We zien dit al gebeuren vanaf de schepping van de eerste mens.

God wil in dit contact toewerken naar een directe en permanen­te verbinding met het hart van de mens op basis van wederzijdse liefde. Hij wil de mens geheel voor Zich hebben en met hem een liefdesrelatie opbouwen van hart tot hart. God wil woning maken in het hart van de mens en al Zijn goedheid en liefde in diens hart uitstor­ten. Anders gezegd: God wil de mens met alles wat in hem is tot Zich nemen, hem in Zijn eigen goddelijk, geestelijk lichaam opnemen, hem met Zijn eigen Geest - de heilige Geest - omhullen en tot in het diepst van zijn wezen vervul­len.

Eenheid

Deze prachtige en allesomvatten­de verbinding met God wordt door Jezus Christus tot stand gebracht door de doop in heilige Geest. Vanaf dat moment maken de Vader en de Zoon woning in het hart van de mens (Joh.14:23) en komt de mens in de situatie waarin zijn hart en leven met Christus verborgen is in God (Col.3:3).

God en Jezus kunnen ten volle gaan doorwerken in het hart van de mens en de oorspron­gen van diens leven gaan vervullen met de volheid Gods. Zij kunnen medebepa­lend worden voor zijn hartegesteld­heid en al zijn levensuitingen.

Vanuit deze eenheid met God in het hart kan het leven Gods in volheid openbaar worden in de mens; het doel van God kan bereikt worden.

Rechtmatig

Dit verlangen van God naar (het hart van) de mens is volkomen rechtmatig. Als Schepper heeft Hij het 'alleenrecht' op de mens. Alle zielen zijn van God, zegt de bijbel, zowel de ziel van de vader als van de zoon (Ez.18:4).

In feite mag niemand anders dan God het leven van de mens inspire­ren, leiden, vormen en vervullen. De mens is Zijn maaksel.

Het is volstrekt normaal dat de mens zich voor de leiding en inspiratie van God openstelt en zijn hart geheel aan Hem geeft.

Toch eist God dit niet van de mens. Vanuit Zijn oneindige liefde en goedheid vraagt Hij aan ieder mens persoonlijk: Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart (Spr.23:26)!

Satan

Sinds de val van Lucifer en het ontstaan van het rijk der duisternis wordt het hart van de mens ook begeerd door de duivel en zijn demonen. Zij trachten eveneens toegang te verkrijgen tot diens diepste innerlijk, tot het centrum van zijn bestaan. Ook zij doen dit door te zaaien op de akker van het hart. Door middel van verdraaide, verleidende en leugenachtige woorden en beelden proberen zij het denken en doen van de mens te beïnvloe­den en hem tot zonde te brengen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van pressie, betovering en geweld.

Ook zij trachten een permanente verbinding met de mens te verkrijgen. Zij willen de mens als slaaf aan zich onderwerpen en hem ongeschikt maken voor de realisatie van het plan van God.

Dit begeren en bezigzijn van de boze geesten is volkomen wetteloos, en alles wat daaruit voortkomt - zonden, ziekten, gebondenheden en de dood - eveneens! Het is weerspannig en antigoddelijk; het gaat rechtstreeks in tegen de wil en bedoeling van God met mensen.

Woning maken?

Kunnen de boze geesten ook woning maken in het hart van de mens? Nee, althans voorlopig nog niet. Zij kunnen in de huidige fase van ontwikkeling nog niet éénworden met het hart van de mens en een rechtstreekse verbinding krijgen met diens bron- en verwerkingsgebied. Dat zal pas in de eindtijd kunnen gebeuren, wanneer er - na de openbaring van de eerste zonen Gods - mensen zijn die door middel van een weloverwogen en bewuste keuze zich met hun hele hart openstel­len voor de antichristelijke, wetteloze en verderven­de geest. Deze zal hen dan gaan vervullen zoals de Geest van God nu de kinderen en zonen Gods om­hult en vervult. Dit zal in het diepste wezen van deze mensen een totale omslag bewerken. Zij zullen in hart en leven gaan worden als het beest dat uit de zee opkomt (Op.13) en daarmede gaan gelijken op de duivel zèlf. De bijbel spreekt in dat verband over mensen der wette­loosheid en zonen des ver­derfs (2Thes.2:3 - zie ook Stb.52 blz.4 en Stb.13 blz.7-9).

De duivel en zijn demonen hebben op dit punt dus een duidelijke en principiële achterstand op Jezus en op God, en terecht!

Omgeven

Het hart, het privé-gebied van de mens, verkeert niet in een onbeschermde positie in de geestelijke wereld. Het menselijk hart, de ziel, wordt omgeven en omsloten door de menselij­ke geest. Het vormt het middelpunt van het geestelijk lichaam van de mens (zie Stb.7). Het innerlijke leven van de mens vindt zijn oorsprong in het hart, maar beperkt zich niet tot het hart. Het gehele geestelijke lichaam functioneert mee in elke ontwikkeling die zich vanuit het hart in het leven van de mens voordoet.

Het geestelijke lichaam van de mens is op zijn beurt weer verbonden met en omgeven door het natuurlijke lichaam; het geestelijk lichaam 'woont' in het natuurlijke lichaam en functioneert daarin als levens­geest. De ontwikke­lingen van de innerlijke mens delen zich daarom mee aan de uiterlijke mens. De mens is hierin niet gedeeld. Hij is een geest-ziel-lichaam wezen met één leven in twee werelden tegelijk.

Huis

De mens als geheel wordt door alle ontwikke­lingen in en rondom zijn leven gevormd. Hij bouwt door alles wat hij meemaakt en beleeft en door alles wat hij onderneemt een eigen leven op.

In de bijbel wordt dit groeiproces vergele­ken met de bouw van een huis, het levenshuis. Dit eigen huis omvat dus al datgene wat de mens zich door de jaren heen heeft eigen gemaakt, zich heeft verworven. Het duidt op alles wat in de ontwikkeling van het eigen leven tot stand is gebracht, op alles wat daar in de loop der tijd bij is gaan behoren. Het behelst alles wat zijn deel is geworden, al of niet bewust en gewild. Daartoe behoort dus ook het ongewenste en het onbewus­te dat heeft plaatsgevonden.

Onder het levenshuis van de mens wordt geen starre, onveranderlijke toestand verstaan, maar een situatie die nog steeds in ontwikkeling is. De bouw is nog niet gereed; deze duurt in feite levenslang. Er kunnen steeds weer opnieuw delen aan worden toege­voegd, en andere delen uit worden weggeno­men.

Begrenzing

Het levenshuis omvat de gehele innerlijke mens, het gehele geestelijke lichaam en alles wat daarin en daarmee tot ontwikkeling is gebracht. Het staat voor het gehele innerlijke leven van de mens. Niet meer en niet minder.

Het levenshuis van de mens is begrensd. Niet alles wat er rondom hem gebeurt en niet alles wat hij meemaakt en beleeft, zal in zijn leven een plaats krijgen. De mens hoeft zich niet voor alles wat naar hem toekomt te openen; hij kan zijn hart daarvoor afsluiten en er voor kiezen om heel bewust in bepaalde ontwikkelingen niet mee te gaan. Hij is bij de bouw van zijn huis niet passief, integendeel!

We kunnen die begrenzing ook vanuit een andere invalshoek omschrijven. Omdat het geestelijke lichaam van de mens omgeven wordt door het natuurlij­ke lichaam, kunnen we stellen dat het innerlijke levenshuis door dit uiterlijke lichaam wordt begrensd; het vormt als het ware de 'buiten­kant' van het levenshuis.

Verband

Welk verband bestaat er tussen het eigen hart en het eigen huis?

Het levenshuis is méér dan het hart. Het hart is de kern, het huis is de eerste cirkel er omheen. We zouden het hart het meest inwendige deel van het huis kunnen noemen, de 'binnenkamer'.

Het huis heeft meerdere kamers, die rondom de binnenkamer gelegen zijn. Het leven van de mens beslaat meerdere terreinen die allemaal vanuit het hart worden bestuurd.

We kunnen het hart en het huis niet van elkaar scheiden; zij kunnen wel op bovengenoemde wijze van elkaar worden onderscheiden. Tezamen vormen zij een eenheid, zoals ziel en geest een eenheid zijn.

Bijbels beeld

Jezus gebruikt in zijn onderwijs aangaande de geestelijke werkelijkheid vaak het beeld van het huis. Hij zegt: Bouw uw huis op de rots, en niet op het zand (Mat.7:24-27). Hij spreekt over een sterke die het huis kan binnendrin­gen, maar die daar ook weer uit verdreven kan worden (Luc.11:21-26 - zie ook Stb.54 blz.2). Jezus benoemt ook de 'binnenkamer' van het huis en brengt deze in verband met 'het verborgene', met de verborgen mens des harten (Mat.6:6).

Het beeld komt voor in de brieven der apostelen, bijvoorbeeld in 1 Corinthiërs 3:10-15, 2 Corinthiërs 5:1 en Efeziërs 2:21-22.

In het laatste bijbelboek wordt het eveneens gebruikt: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij (Op.3:20). Maar het komt ook voor in het eerste boek van het Oude Testa­ment: Indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen (Gen.4:7).

Door de gehele bijbel heen wordt gesproken over het (levens)huis van de mens.

Bewoning

In dat huis woont de mens dus te allen tijde zèlf. Maar er kunnen nog meerdere personen in zijn huis aanwezig zijn. De Heer kan daar zijn. Hij wil daar wonen: in de binnenka­mer, in het hart, en in alle andere vertrek­ken. Hij wil het gehele levenshuis vervullen met zijn heerlijke tegenwoor­dig­heid.

Maar ook de boze geesten kunnen het levenshuis van de mens binnendringen en het in bepaalde kamers, op bepaalde terreinen van zijn leven voor het zeggen krijgen. Zij wonen dan niet in het hart, de binnenkamer, maar wel in het huis. Ze hebben een plaats dichtbij het hart bemachtigd, zij zitten 'binnen' en werken van binnenuit. Zij laten hun gedachten en gevoelens, hun neigingen en werkingen steeds weer door de mens heengaan en wel zo dat deze in eerste instantie denkt dat dit allemaal van hemzelf uitgaat, dat hij dit allemaal zelf doet en het zelf zo wil.

Er is dan sprake van een gebondenheid. Er woont een sterke in hem, in zijn huis. Al of niet gewild. Zijn leven wordt erdoor beheerst, overheerst, geterroriseerd; zijn li­chaam wordt erdoor verontreinigd en onheilig gemaakt.

Keuzemogelijkheid

In aansluiting op wat reeds eerder in dit artikel is gesteld over het eigen hart, mogen we zeggen dat voor ieder mens - hoe zwaar gebonden dan ook - de mo­gelijkheid open blijft om Jezus Christus aan te nemen en samen met Hem in zijn hart een nieuw levensbegin te maken. Ook al zijn bij wijze van spreken alle kamers in zijn huis bezet door boze geesten, dan nog blijft de gebonden mens te benaderen voor het goede van God en in zijn diepste wezen gevoelig voor de liefde en het leven van God. In zijn hart - in zijn binnenkamer - blijft de ruimte bestaan om zich met zijn hele hart te bekeren en te gaan geloven in het evangelie van Jezus Christus. Bevrijding en herstel zullen daarop mogen volgen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit Lucas 8:26-39.

Die mogelijkheid vervalt pas wanneer de vijand werkelijk in het hart van de mens kan komen wonen, dus bij de zonen des verderfs. De bijbel zegt dat het 'onmoge­lijk' is om hen nog tot bekering te brengen (Hebr.6:6).

Eigen hemel

Tenslotte nog een verdere aanscherping van het begrip 'eigen hemel'.

De eigen hemel is weer vele malen groter dan het eigen huis. Het betreft de gehele omgeving rondom het eigen huis, zover als men maar kan kijken. Het omvat dat deel van de geestelijke wereld waarmee men als mens in zijn leven te maken heeft of krijgt.

Voor het verkrijgen van een goed beeld ten aanzien van het functioneren van de mens in de geestelijke wereld zouden we dus kunnen spreken van drie om elkaar heen liggende cirkels met hetzelfde middelpunt. Het eigen hart vormt daarin de kleinste cirkel: het kerngebied. Daar omheen een wat grotere cirkel: het eigen huis. En daar weer omheen een veel grotere cirkel: de eigen hemel.

Huis en hart behoren onlosmakelijk bij elkaar. Zij duiden tezamen op het innerlijke leven van de mens, op zijn bestaans­vorm in de geestelijke wereld.

Huis en hemel dienen scherp van elkaar onderscheiden te worden. Dit moge blijken uit het volgende.

Engelen

In die buitenste cirkel, de eigen hemel, werken de engelen Gods die uitgezonden worden ten dienste van de mens die het heil beërft (Hebr.1:14). De serafs en cherubs zijn bezig in onze hemel, in de directe omgeving rondom ons huis. Zij staan van Godswege aan onze ramen en deuren, en be­scher­men de zwakke plekken. Zij wonen niet in ons huis, zij hechten zich niet aan ons geestelijk lichaam; zij eerbiedigen de wetten Gods, zij dienen de mens, maar hebben géén gemeen­schap met hem. Zij zijn rondom ons, vlakbij ons en staan voor ons in. Zij vormen een geestelijk 'kordon' rond ons levenshuis.

Bij de bevrijding onder handoplegging werken de cherubs mee door de buiten­ het huis ge­plaats­te boze geesten af te voeren (zie Stb.52 blz.10). Zij werpen hen op gezag van de naam van Jezus in de afgrond, een situatie buiten de eigen hemel! Zij helpen mee met het puinruimen in en rondom het huis. Zij werken mee in de verdediging, in het herstel en de verdere opbouw van het huis.

Vijand

In die eigen hemel kan ook de vijand opnieuw opduiken en een nieuwe aanval ondernemen. Zelfs nadat het huis is vrijgemaakt en op orde is gebracht. We spreken van geestelijke achtervolging (Stb.54). De boze komt dan van buitenaf; hij benadert in onze hemel opnieuw ons huis, onze deur. Je kunt hem al horen of zien aankomen, al iets proeven van zijn sfeer. Hij is weer bezig in je hemel.

Dan komt het er op aan. Je hoeft hem niet opnieuw binnen te laten. Je kunt hem buiten laten staan met al zijn geschreeuw en gedoe, hem in de naam van Jezus afwijzen en terugdringen, hem laten wijken van je huis.

Wezenlijk verschil

Het bezigzijn van de vijand in je hemel betekent dus nog niet dat hij in je huis bezig is. Daartussen bestaat een wezenlijk onderscheid. Het is het verschil tussen 'buiten' en 'binnen', tussen het 'geen deel eraan hebben' en het 'wel deel eraan krijgen'.

Dat de vijand in onze hemel bezig is, hoeft ons niet te bevreemden of te verontrusten. Daar kunnen wij niet op worden aangesproken. Wij kunnen niet verantwoordelijk zijn voor alles wat we meemaken en wat er in onze omgeving, in onze hemel gebeurt.

De bijbel roept ons op om ons huis en bovenal ons hart te bewaren boven al wat te bewaren is (Spr.4:23) en ervoor te zorgen dat er niets naar binnen komt wat buiten behoort te blijven. We kunnen de vijand in eigen hemel buiten ons eigen huis houden. Daar zijn wij verant­woordelijk voor.

Met degenen die met ons zijn, kunnen wij meerder en sterker zijn dan degenen die tegen ons zijn (naar 2Kon.16:16). Jezus woont in ons hart en huis, de heilige engelen staan rondom. Hierdoor kunnen we in alle situaties in eigen hemel meer dan overwin­naars worden.

Door te blijven werken met het evangelie van Jezus Christus zal deze overwinning op een steeds breder terrein in ons leven naar voren gaan komen. Het proces van heiligma­king zal het nu nog onvolko­me­ne en onvolwas­sene laten verdwij­nen en het volkomene en volwassene in alle delen te voorschijn doen treden.

Vervolg

In het volgende Studieblad zullen we de verdergaande heiliging in en vanuit het hart beschrijven. In eigen huis en eigen hemel zal deze heiliging zijn volle beslag mogen krijgen, want dat wil God: onze heiligma­king (1Thess.4:3a).