Geheimenissen onthuld (2)

Inleiding

In de huidige fase van de geestelij­ke ontwikkeling is in het 'geheimenis der wetteloosheid' een geest werkzaam die aanwerkt op de openbaring van de mens der wetteloosheid. Een geest die zich verheft tegen alles wat van Christus en van God is. Een grootvorst der duisternis die zich in eerste instantie richt op de mensen-in-Christus en al zijn kracht inzet om hen - en daarmee de gemeenten van Christus - af te houden van het bereiken van het doel van God.

Dat was de conclusie die aan het einde van Studieblad 59 getrokken kon worden. De naam van deze geest is daarin reeds genoemd: Belial.

In dit artikel willen we ons verder gaan verdiepen in de naam van deze grootvorst, en daarmede dus in zijn wezen, zijn positie en zijn werk.

Kenmerkend

Wat betekent de naam Belial? Welke wezenskenmerken komen daarin naar voren? Welk beeld ontstaat er hierdoor van het werk van deze geest?

In vrijwel alle woordverklaringen wordt de Hebreeuwse naam Belial opgevat als een samenge­steld woord, bestaande uit twee delen.

Het eerste gedeelte 'Beli' betekent: niet, geen, zonder. Het meest specifie­ke wezenskenmerk van deze geest komt hierin gelijk tot uiting. In dit 'Beli' klinkt reeds het keiharde nee, het onverwrikbare anti, het ongenadige niet. Het staat voor de totale, absolute ontkenning..., het zich geheel onttrek­ken aan..., het met alle kracht bewust ingaan tegen..., het onbuigzame en weerspannige, het antigoddelijke en antichriste­lij­ke.

Wetteloosheid

Het tweede gedeelte van de naam is afgeleid van 'al' (= boven) of 'ol' (= juk, wet).

Belial is dus een geest die niemand boven zich duldt, die zich onttrekt aan elk juk, aan iedere wet, ja meer nog: bewust ingaat tegen iedere wet Gods. Hij verheft zich tegen al wat God of voorwerp van verering heet (2Thes.2:4). Hij verzet zich tegen elke vorm van gezag en orde. Hij is een trots, hoogmoe­dig, wetteloos en onregeer­baar persoon (Treasury of Scripture Knowledge). Hij is de wettelo­ze, de goddeloze, degene die overal waar hij komt verderf aanricht (Bijbelse Encyclope­die, Kok). De Septuaginta (de Griekse vertaling van het Oude Testament) vertaalt Belial met 'wette­loos persoon'.

De term 'wetteloosheid' wordt ook vermeld in de Kanttekeningen van het NBG bij Spreuken 6:12, een schriftplaats waar in de grondtekst 'Belial' staat. Belial is de wetteloosheid, goddeloosheid en weerspannigheid in persoon, de geestelijke belicha­ming van deze antigoddelijke werkingen.

De wetteloze

Deze betekenis van het woord Belial zal ons in het kader van het voorgaande Studieblad niet bevreemden. Wie anders dan 'de wetteloze' zal de wetteloos­heid kunnen bewerken? Wie anders dan Belial, de wetteloze, zal in het geheimenis der wetteloosheid een centrale rol kunnen vervullen? Het werk van een boze geest komt toch altijd overeen met zijn wezen, met zijn naam!

In 2 Corinthiërs 6:15 wordt deze geest door Paulus dus zeer terecht eens bij zijn (eigen)naam genoemd (zie Stb.59 blz.6-8). Opdat het aan een ieder duidelijk zij dat de daar genoemde wetteloos­heid niet op zichzelf staat - geen zaak op zich is - maar voortkomt uit het wezen van de geest Belial. Zo­als het boze uit en van de boze komt, komt het wetteloze, de wetteloos­heid van de wetteloze, uit Belial.

In feite is het geheimenis der wetteloos­heid, het mysterie dat reeds in werking is, naar hem vernoemd! Paulus zou deze verborgenheid in 2 Thessalo­ni­cenzen 2 ook het 'geheimenis van Belial' hebben kunnen noemen.

Andere betekenissen

Bij verdere woordstudie blijkt dat er nog meer benaderingen mogelijk zijn van het woord Belial. De verscheidenheid komt vooral naar voren in de verklaring van het tweede gedeelte.

Sommigen zien dit deel afkomstig van 'jaälèh', en onderschei­den hierin een vorm van het Hebreeuws werkwoord voor opgaan. Belial wordt dan: Hij, die niet doet opkomen, die niet naar boven laat komen.

Anderen zien in het tweede gedeelte het woord 'jaäl' (waarde). Belial wordt dan: geen waarde, zonder waarde. Deze naam staat dan voor een waarde­loos, nutteloos persoon, die slechts tot misdrijf in staat is. Men omschrijft hem op basis hiervan als de nietsnut, de niets­waardi­ge, als een door en door slecht persoon.

Weer anderen denken dat juist het eerste gedeelte van de naam een wat andere achtergrond heeft. Zij zien het woord Belial afgeleid van 'Bala' (verder­ven) en 'jaäl' (waarde). In deze optiek is hij de verderver van waarde, degene die al het waarde­vol­le waardeloos wil maken, die het volwaardige tot het nietswaardige wil omvormen. Overal waar deze geest bezig kan zijn, wordt verderf gezaaid.

Wezen

Al deze beschrijvingen vullen elkaar aan. Zij geven tezamen een vrij compleet beeld van het wezen en werk van deze macht der duisternis.

Belial is de wetteloze, de weerspannige, de trotse hoogmoedige, de grote nee-zegger, degene die zich verzet tegen het gezag, de orde en de wetten Gods. Hij komt in actie, in opstand tegen hen die naar de wetten Gods willen leven, die willen opkomen, opgaan, bloeien en vrucht dragen in het Koninkrijk Gods. Hij wil hun opgang tegenhouden en hun neergang bewerken. Hij verzet zich tegen al het goede dat van God naar mensen uitgaat. Hij wil mensen die zich waardig het evangelie willen gedragen, tot waardelo­ze, nietswaardi­ge mensen degraderen, hen onnut maken in het kader van Gods plan met mensen. Hij wil verderf stichten, kwaad beramen en niets anders dan onheil teweeg brengen. Hij is de weerhouder, de goddeloze, de verderf-brengende, de heilloze, de schender van de goddelijke levensorde (Kantteke­nin­gen NBG bij 2Cor.6:15), degene die in de grond ontbindend, afbrekend en chaotisch werkt (Van Maag: Belija'al in alten Testament). Hij is degene die zich te­gen het werk van Jezus Christus keert. Degene die in deze fase als geest, als groot­vorst der duisternis het antichris­telijke en antigoddelijke represen­teert en belichaamt.

Positie

In de handschriften van Qumran (de 'Dodezee-rollen') geeft het woord Belial de 'antigoddelijke macht van Satan' weer. In een aantal bijbelse woorden­boe­ken en encyclopedieën wordt Belial omschreven als 'geest van het kwade', vrijwel identiek met Satan. Soms ook als een 'andere naam' voor Satan zèlf.

Belial is een macht die het wezen van Satan en diens positie in het rijk der duisternis zeer dicht benadert. Hij is de personificatie van het nee, van het grootst mogelijke verzet tegen God en Diens plan met mensen. Hij is na Satan de grootste 'anti-geest', de sterkste strijder van Satan op dit gebied, de aanvoerder van het hele regiment wetteloze en weerspanni­ge geesten.

Belial is niet een wetteloze, weerspannige geest, een nee-zegger, maar de wetteloze, de weerspannige, de grote weerhouder,de nee-zegger, met andere woorden: de grootvorst der wetteloze, weerspannige geesten. Een positie te midden van andere aanvoerders en grootvorsten, maar waaronder hij een eerste plaats inneemt. Hij is de 'primus interparus', de eerste onder zijns gelijken.

Strategie

Over de strategie van het rijk der duisternis is al meerdere malen geschreven (zie Index 30-58). Satan laat het 'vuile' werk over aan zijn groot­vorsten, die op hun beurt weer orders geven aan hun ondergeschikten. Hijzèlf wil in zekere zin 'buiten schot' blijven en zich uitsluitend bezighouden met het besturen van zijn legermacht. In uitvoerende zin staan de grootvors­ten - en met name Belial - dus vooraan.

In het dodenrijk is het niet an­ders. Daar mag Apollyon met zijn verderfen­gelen het zwaarste werk opknappen voor Dood.

Het is dus eigenlijk geen wonder dat velen de grootvorst Belial voor Satan hebben aangezien en Apollyon beschouwen als de koning van het dodenrijk.

Belial is evenwel geen 'andere' naam voor Satan, zomin als Apollyon een 'andere' naam is voor Dood. Belial en Apollyon zijn aparte geesten, met ieder een eigen plaats en taak in het rijk der duisternis.

Eigennamen

Het is opmerkelijk dat er in de bijbel zo weinig eigennamen van engelen en boze geesten worden genoemd.

Van de engelen Gods worden alleen de aanvoer­ders benoemd: Michaël (de vorst der cherubs) en Gabriël (de grootste der serafs). Andere namen zijn blijkbaar niet zo belangrijk, althans niet voor het verstaan van het functioneren van de engelen in het Koninkrijk Gods.

In het rijk der duisternis worden in totaal vier geesten bij name genoemd. En ook hier zijn dit de belangrijkste representanten, de aanvoerders, de koningen.

In de duivelse legermacht staat Satan aan het hoofd; in het dodenrijk zwaait Dood de scepter. De naam Apollyon is naar voren gekomen vanwege zijn belangrijke positie in het dodenrijk; hij is de grote verderfengel, de engel des afgronds, de heerser over het donkerste gedeelte van het dodenrijk (zie o.a. Stb.31 blz.6,7).

Als vierde wordt Belial benoemd. En dat moet dus ook zijn vanwege zijn belangrijke positie in de legermacht. We zouden hem de 'onderkoning' kunnen noemen in het leger, op een wijze zoals Apollyon 'onderkoning' is in het dodenrijk. In Job 34:18 komt dit enigszins naar voren: Hem, die tot een koning zegt: Nietswaardige (SV: Gij, Belial), tot edelen: Gij goddelozen.

De andere groot­vorsten in het leger van Satan worden in de bijbel niet apart bij hun (eigen)naam genoemd. Blijkbaar is dit niet nodig. Als gemeenten van Jezus Christus mogen wij hen naar het voorbeeld van de Heer identificeren naar hun taak- en werkge­bied. Dat zal voldoende zijn om hen in de eindtijd in de naam van Jezus te kunnen aanspre­ken en overwinnen.

Schriftplaatsen

Het woord Belial komt 27 maal voor in het Oude Testament en 1 keer in het Nieuwe Testament. Het is opmerkelijk dat in de NBG-vertaling van het OT het woord Belial niet meer wordt gebezigd; het wordt 'weg vertaald'. We moeten de Statenvertaling erbij halen om de bewuste schriftplaatsen te kunnen vinden.

Wanneer we deze teksten de revue laten passeren komt het wezen van deze grootvorst door middel van zijn boosaardig werk in levens van mensen duidelijk naar voren. Zij ondersteunen en complete­ren het beeld dat reeds op grond van de naamsverkla­ring tot stand is gekomen.

Het belialse

In de meeste schriftplaatsen komt het woord Belial voor in combinatie met andere termen. Er wordt dan bijvoorbeeld gesproken over Belialswoorden en Belialsstukken, woorden en zaken waarin de werking van de geest te herkennen is.

Daarnaast wordt vele malen gesproken over Belialskinde­ren en Belials­zonen, of over een Belialsman. Het gaat dan over mensen door wie Belial heeft kun­nen werken.

In al deze teksten komen facetten van 'het belialse' te voorschijn. Daarmee worden de karakteris­tie­ke werkingen van de geest Belial bedoeld.

Afvallig

In het boek Deuteronomium zien we dat mensen onder invloed van Belial hun medemensen tot afval van God willen aanzetten en de afgodendienst willen bevorde­ren: Er zijn mannen, Belialskinderen (letter­lijk: Belialszo­nen), uit het midden van u uitge­gaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en andere goden dienen, die gij niet gekend hebt (Deut.13:13 SV).

Deze mensen tonen een gedrag dat kenmerkend is voor het gedrag van de grote Belialszoon - de antichrist - in de eindtijd. Wat zij destijds in het klein hebben gedaan, zal de antichrist onder invloed van dezelfde geest eenmaal in het groot doen. Het is opvallend hoe dit vers uit Deuteronomium overeenkomt met wat Johannes schrijft over de antichrist en zijn voorlopers en medestan­ders: Zij zijn van ons uitge­gaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn (1Joh.2:19).

Belial zoekt dus met name naar mensen uit het volk Gods, naar leden van de gemeente van Jezus Christus. Hij wil zich in de tempel Gods zetten (2Thes.2:4b) en mensen Gods misbruiken voor zijn doeleinden.

In Nahum 1:11 (SV) staat iets soortgelijks: Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen de Here, een Belialsraads­man.

Deze aanzet tot afval is een zeer duidelijk kenmerk van het belialse. Het 'nee', het wetteloze en weerspannige, het antigoddelijke en antichristelij­ke springt er onmiddel­lijk uit.

Ongehoorzaamheid

In 1 Samuël 2:12 blijkt dat mensen door de werking van Belial ingaan tegen wat van God is, aan Hem ongehoor­zaam worden: Doch de zonen van Eli waren kinderen (zonen) Belials; zij kenden de Here niet (SV), zij stoorden zich niet aan Jahweh (LeV), ze bekommerden zich niet om Jahweh (Can), zij rekenden niet met de Here (NBG).

Deze zonen van Eli waren evenwel niet de eersten de besten. Zij waren pries­ters des Heren. Zij zouden door een heilig leven zeer waardevol kunnen zijn voor God en Zijn volk. Door de invloed en werking van de geest Belial kwam het er met hen echter geheel anders voor te staan. Zij geraakten in geestelijke zin geheel buiten de bedoeling van God. Zij werden van waardevol tot waardeloos gedegradeerd, van volwaardige tot nietswaar­dige mensen omgevormd, van priester Gods (zoon Gods) tot Belials­zoon.

Samuël kende van dichtbij het leven van Hofni en Pinehas, de priesters des Heren en ook van Saul, de eerste gezalfde koning des Heren. Hij heeft het 'belialse' in deze mensen werkzaam zien worden. Hij zag dat ze door ongehoorzaamheid, ongezeggelijk­heid en verwerping van het woord des Heren ten val kwamen. Hij waarschuwt hier dan ook zeer terecht tegen: Weerspannigheid is zonde der toverij en ongezegge­lijk­heid is afgoderij (1Sam.15:23).

Opstand

Op andere bijbelplaatsen zien we dat de zonen van Belial de gezalfden des Heren verachten en tegen hen in opstand komen. Doch de kinderen Belials zeiden (nadat Saul tot koning was aangesteld): Wat zou ons deze verlos­sen? En zij veracht­ten hem, en brachten hem geen geschenk (1Sam.10:27 SV).

Belial brengt mensen tot actief verzet tegen de bedoeling van God en tegen de door God aangestelde leidinggevende mensen. Hij laat daarin zijn verachting voor alles wat van God is en uitgaat duidelijk blijken.

In dit verzet worden weer andere mensen meegenomen; dit is althans zijn bedoeling: Toen was daar bij geval een Belialsman, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan de zoon van Isaï - wij hebben niets met hem te maken (LeV + Can) - een ieder naar zijn tenten, o Israël! (2Sam.20:1 SV).

Ziehier opnieuw een aantal duidelijke kenmerken van het belialse, van de werkingen van de geest Belial!

Verdraaien

Belial zet mensen aan tot een gedrag en handelwijze die in feite 'onmense­lijk' is. Zonen van Belial kunnen zonder blikken of blozen de waarheid verdraaien, allerlei roddels en leugens verspreiden en over hun medemensen een vals getuigenis geven. De goddeloze koningin Izebel gebruikte zulke mensen om de wijngaard van Naboth in haar bezit te krijgen: Zet tegenover hem (Naboth) twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen (1Kon.21:10 SV).

Een Belialsmens is een onheilstichter, die met bedrieglijke mond rondgaat, met zijn vinger wijst, in wiens hart draaierijen zijn... die twist stookt. Deze dingen zijn de Here een hartgrondige gruwel (Spr.6:12-16 SV).

Een Belialsgetuige bespot het recht (Spr.19:28 SV). Hij is tegen elke vorm van recht en gerechtigheid omdat hij zelf vol is geworden van de ongerech­tigheid. Op den duur kan men met deze mensen niet meer spreken, zij worden door hun ongezeggelijkheid, hoogmoed en eigenwijsheid 'onbe­reikbaar' (1Sam.25:17 SV).

Verderfelijk

Het woord 'Belial' komt zoals gezegd ook voor in combinatie met andere termen. Er wordt in de bijbel gesproken over 'Belialswoorden' (SV), dat zijn 'lage gedachten' (NBG). Deze verharden het hart, zij doen een mens tot ernstige zonden komen (Deut.15:6-9).

'Belialsstukken' zijn schandelijke, perverse zaken, die te maken hebben met het doen der afvalligen. Zij voeren tot de dood (Ps.101:3 en Ps.41:9 SV).

In Psalm 18:5 (SV) wordt gesproken over de beken van Belial, de stromen van verderf (NBG). Daarmee wordt heel duidelijk aangegeven in welke richting deze geest de mensen die hij in zijn greep heeft, wil meevoeren.

In het vuur

Belial wil mensen in het verderf storten, hen tijdens het leven door hun vele zonden en overtre­dingen naar de inwendige mens al in de 'afgrondsitua­tie' brengen. Hij wil hen over een bepaalde 'grens' - de onoverbrugbare kloof - heen duwen en zo in geestelijke zin overdragen aan Apollyon (zie ook Stb.48 blz.2). Hierdoor zullen zij uiteindelijk terecht gaan komen in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen - en dus ook voor Belial - is bereid.

Deze eindsituatie wordt in de bijbel de hel genoemd (Stb.31 blz.2). Het Griekse woord hiervoor is gehenna, een woord dat afgeleid is van Gehinnom, het dal van Ben Hinnom, letterlijk: het dal van de 'zonen' (Ben) van 'niets' (Hinnom). De hel is dus het 'dal der nietswaardigen', het dal waarin Belial en de Balialszonen uiteindelijk terecht zullen komen. Dat is hun einde. En zo staat het ook in de bijbel: De mannen Belials zullen zijn als doornen, die weggewor­pen worden... en zij zullen geheel met vuur verbrand worden (2Sam.23:6,7 SV). De Canisiusverta­ling zegt hier: Als doornen werpt men de Belialskinderen weg... om ze tenslotte in de vlammen te werpen.

Duidelijk

Vanuit de besproken schriftplaatsen komt van het wezen en het werk van de geest Belial hetzelfde beeld naar voren als vanuit de naamsverklaring in het eerste deel van dit artikel. De bijbel is hierin duidelijk en conse­quent.

Belial bewerkt in mensen een levenswijze, een manier van bestaan die tegenge­steld is aan God zelf of aan Gods bedoeling met de mens. Het leidt tot afval en vijand­schap tegenover God, tot ontering van het heiligdom en misleiding tot afgoden­dienst. Het 'belialse' vergrijpt zich aan het door God ingestelde koning­schap, leiderschap, of aan de rechtsorde door God ingesteld, het gering­schat de genade en de zegen. Het bevordert in alles het toenemen van de schuwheid tegen het licht (Van Maag, Belija'al in alten Testament).

Ziehier het belialse, het weerspannige en wetteloze, het antigoddelijke en antichris­telijke nog eens ten voeten uit getekend. Het maakt mensen onverschillig, hardnek­kig, ongezeglijk, ongehoorzaam, onbenaderbaar, koud, trots, hoogmoedig, onheilig, onrein en pervers. Het haalt al het oorspron­kelijk goddelijke en daarmee het origineel menselijke uit hun leven weg. Ze zijn uiteindelijk tot niets goeds meer in staat en volledig onnut geworden.

Conclusie

Belial is de eigennaam van de overste der weerspannige geesten, de grootvorst der wetteloosheid, de onderkoning in het leger van Satan.

Belial is een geest die zich met name in de eindtijd steeds meer zal gaan openbaren. Hij heeft het daarbij vooral gemunt op dienstknechten Gods, op leden van de gemeente van Jezus Christus, op mensen die het geestelijk koningschap waardig zijn, die zich als gezalfden des Heren, priesters en profeten des Heren mogen gaan openbaren.

Hij wil hen onbruikbaar maken, ongeschikt en waardeloos. Hen aanzetten tot wetteloos gedrag, tot verharding van hart, tot ongehoorzaamheid en afval, teneinde hen uiteindelijk in het verderf te kunnen storten.

Het is voor de gemeenten van Jezus Christus aan de orde om de werkingen van deze grootvorst te gaan onderscheiden in de geestelijke strijd tegen de overheden, de machten en wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef.6:12).

Dan is het mogelijk om werkelijk alle berg en eiland van zijn plaats te rukken (Op.6:14) en toe te komen aan de openbaring van het volwassen zoonschap Gods.