Geheimenissen onthuld (1)

Inleiding

De werkelijkheid van de geestelijke wereld is eeuwen en geslachten lang voor de mens verborgen geweest (naar Col.1:26). En de volle waarheid omtrent Gods wil en bedoeling ten aanzien van de mens even zo lang verzwegen (Rom.16:26). Het was en bleef een mysterie, een verborgen­heid, een geheime­nis, een ondoorgrondelijke en niet te vatten zaak. Niet door toedoen van God, maar door het werk van de duivel. Deze heeft via de wet der zonde en des doods een sluier, een bedekking kunnen aanbrengen over alles wat God reeds van eeuwigheid had voorbe­schikt voor de mens (naar 1Cor.2:7). Te­gelijker­tijd heeft hij de mens steeds meer kunnen vervreem­den van het leven Gods en zijn antigoddelijke bedoeling met mens en schepping verder kunnen uitwerken.

Jezus Christus

Jezus was de eerste mens die de geheimenissen van het Konink­rijk der hemelen ging verstaan. Hij wist wie Zijn God was en kende Diens bedoelin­gen. Maar Hij wist ook wie Satan was en wat deze voor ogen had.

Door middel van Zijn evangelie wil Jezus alle mensen die in Hem geloven op de hoogte brengen van de waarheid Gods en inzicht geven in de werkelijk­heid van de geeste­lijke wereld. In Mattheüs 13:11 zegt Hij: Het is u gegeven de geheime­nis­sen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, te gaan verstaan. Hij wil in Zijn Gemeente - gelegen op de (geestelijke) berg Sion - de sluier vernieti­gen, die alle natiën omsluierd en de bedekking waarmede alle volken bedekt zijn (Jes.25:7). Jezus is gekomen om de werken des duivels te verbreken, opdat wij - geheel naar Gods wil - leven hebben en overvloed (1Joh.3:8, Joh.10:10). Hij wil het geheimenis van Gods wil aan de mens-in-Christus openbaren, opdat deze vervuld wordt tot alle volheid Gods (Ef.1:9, 3:19).

Geheimenis van Christus

Het gehele plan van God met mensen kan gevat worden in de term die Paulus in Efeziërs 3:4 gebruikt: het geheimenis van Christus. Daarin wordt alle liefde van God, al het goede en positieve van Hem ten opzichte van de mens samenge­bundeld. Het geeft aan op welke wijze Hij het heerlijke einddoel des geloofs met de mensheid wil bereiken: in en door de Christus Gods, het Hoofd van Zijn Gemeente, de Eersteling van Zijn volk.

Van dit 'geheimenis van Christus' is ons al heel veel duidelijk geworden. Het is in onze levens dankzij de genade van God en persoonlijk geloof in het evangelie in werking getreden. Wij hebben deel gekregen aan Christus; we mogen werken met Zijn evangelie en ons daarbij richten op het volkomene (Stb.51 t/m 58). We bemerken dat dit bezigzijn vrucht afwerpt, dat het leven Gods zich in de gemeenten gaat openbaren. We worden in elk opzicht rijk in Hem, in alle woord en alle kennis en we zien met groot verlangen uit naar de openbaring van onze Here Jezus Christus (1Cor.1:5,7).

Eindtijd

Tegelijkertijd wordt het ons steeds duidelijker dat het er in deze tijd op aankomt voor de gemeenten van Jezus Christus. Alles spitst zich toe. De eindtijd is ingegaan. Door de verdergaande prediking van het evangelie Gods zal het mogelijk worden om in de komende tijd alle geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen - en het geheimenis van Christus in het bijzonder - in vol­heid te gaan verstaan en beleven. Dit zal de volle en kostelij­ke vrucht gaan opleveren voor God: de openbaring van de eerstelin­gen der zonen Gods.

Voordat het evenwel zover is, zal de laatste geestelijke barrière op weg naar het zoonschap genomen moeten worden. Het laatste bolwerk van het rijk der duisternis, waarin zich alle verzet, ontkenning, weerspannigheid en wetteloosheid concentreert, zal overwonnen moeten worden. We schreven hierover al in Studieblad 56 blz.7.

Het geheimenis der wetteloosheid

Paulus spreekt in dit verband over een ander geheimenis van het Koninkrijk der hemelen, een tweede verborgenheid in de geestelijke wereld: het geheimenis der wetteloosheid (2Thess.2:7). Hij stelt dat ook dit mysterie reeds in werking is en in directe zin te maken heeft met de wederkomst van Christus in en met de Zijnen. Paulus heeft daar in de gemeente te Thessalo­nica meerdere malen over gesproken (vs.5). Hij achtte de kennis van deze dingen in een gemeente die zich richtte op de komst des Heren van wezenlijk belang. En dat is het ook! Niet alleen voor de gemeenten van toen, maar juist ook voor de gemeenten van nu!

Wanneer wij als gemeenten van Jezus Christus de voltooiing willen gaan beleven van het geheimenis van Christus, zullen we ons ook moeten verdiepen in dat geheimenis der wetteloosheid. Met het doel om alle werkingen daarvan te kunnen gaan onderscheiden en er ieder persoonlijk - en zo samen als gemeente(n) - volledig van los te komen. Wanneer dit niet gebeurt, wordt het bereiken van het volwassen zoonschap in het leven hier op aarde in feite onmogelijk.

Tegenovergesteld

Het geheimenis der wetteloosheid staat in haar totaliteit tegenover het geheimenis van Christus: in aard en wezen, in werkingen en doelstellingen; zij zijn elkanders tegenpolen. Hetzelfde kan gezegd worden van de personen die in de twee genoemde geheimenissen werkzaam zijn en daarin centraal staan: de wetteloze, de ongerechtige (SV), de tegenstander, ook wel de mens der wetteloosheid en de zoon des verderfs genoemd (2Thess.2:3), en de Christus, de mens der gerech­tigheid, de Zoon Gods. De apostel Johannes spreekt zich ten aanzien van deze persoon in zijn brieven aan de gemeenten eveneens zeer duidelijk uit; hij noemt hem de antichristus, de absolute tegenvoeter van de ware Christus Gods.

Personen

Beide centrale personen zijn geestelijk volwassen mensen. De één vol van het 'licht' van Gods Koninkrijk, de ander vol van de 'duisternis' van het rijk van Satan. Beiden zijn eerstelingen van een hele generatie volwassen geestelijke mensen; het zijn de hoofden van twee in aard totaal verschil­lende gemeenten, de aanvoerders van twee (geestelijke) volken.

Jezus Christus is de eerste mens in wie het geheimenis van Christus ten volle zichtbaar is geworden, Hij is er de belichaming van. Hij is het Hoofd van de ware Gemeente, de eersteling en aanvoerder van het volk Gods.

De wetteloze, de antichrist zal de eerste mens worden in wie het geheimenis der wette­loosheid in volheid naar voren komt; daar zal hij de belichaming van worden. Hij zal het hoofd worden van de antichristelijke gemeente, de aanvoerder van het antigoddelijke volk.

Geesten

In het geheimenis van Christus, het plan Gods, is de 'Geest van Christus' van meet af aan werkzaam geweest. Deze geest was al actief voordat Jezus werd geboren; hij werd reeds ervaren door vele profeten in het oude verbond (zie 1Petr.1:11). In de Zoon Gods werd de volheid van deze Geest openbaar; Hij werd erin gedoopt, mee vervuld. En daarmee trad het geheimenis van Christus in alle openheid aan de dag.

Voor alle duidelijkheid zij hier nog opgemerkt dat de Geest van Christus geen 'aparte' geest is, maar een andere benaming voor de Geest Gods, de heilige Geest (zie Rom.8:9).

In het geheimenis der wetteloosheid is de wetteloze en antigoddelijke geest, de 'geest van de antichrist' van aanvang af actief (1Joh.4:3b), ook al is de antichrist, de mens der wetteloosheid op dit moment nog niet in de wereld. Wanneer deze geopenbaard zal worden, zal deze mens als eerste gedoopt worden in en vervuld worden met deze geest. Dan zal de antichriste­lijke geest in volheid werkzaam worden en het geheimenis der wetteloosheid in alle duidelijkheid zichtbaar worden.

De werking van deze wetteloze geest is eveneens door alle eeuwen heen reeds ervaren. En met name in de eindtijd, wanneer Jezus openbaar wil gaan komen in de Zijnen, zal de werking van deze antigeest steeds sterker en duidelij­ker waarneembaar worden.

Jezus voorop

De openbaring van het geheimenis van Christus ligt dus onbetwistbaar vóór op de openbaring van het geheimenis der wetteloosheid. De ware Christus Gods, Jezus onze Heer, is reeds geopenbaard. Deze heeft Zijn verhoogde en verheerlijkte positie aan de rechterhand van de Vader reeds ingenomen en werkt vanuit die machtspositie met steeds grotere volheid in Zijn Gemeente. Door de werking van de Geest van Christus zullen er nog vele zonen Gods geopenbaard worden die tezamen met hun Heer het werk Gods in hemel en op aarde zullen mogen voltooien.

De antichrist zal zich pas in de laatste ure kunnen gaan openbaren, in de eindtijd. Deze zal zijn positie in de geestelijke wereld nog moeten gaan innemen. Pas daarna zullen er meerdere zonen des verderfs kunnen komen.

Johannes zegt dat deze mensen van de gemeenten van Jezus zullen uitgaan (1Joh.2:19). De werking van de wetteloze, antichristelijke geest richt zich dus in eerste instantie op de gemeenten teneinde daarin mensen tot afval te brengen. En het is daarom dat wij over deze dingen schrijven.

In rust

Als gemeenten hebben wij in deze tijd dus enerzijds te maken met de ware Christus en de werking van de Geest die van Hem en de Vader uitgaat om vele zonen tot heerlijkheid te voeren. Anderzijds met de werking van de wetteloze geest om mensen juist daarvan af te houden door hen tot ongehoor­zaamheid, wetteloosheid en afval te verleiden.

Jezus gaat evenwel vooraan. Hij neemt de initiatieven. Hij weet de weg en leidt Zijn Gemeente met vaste hand. Hoe de vijand ook te keer gaat, en wat er ook allemaal nog zal moeten gaan gebeuren, het loopt de Heer niet uit handen. Hij is in volle rust bezig om het werk dat Hij begonnen is geheel te gaan voltooien.

Daar mogen we als Zijn gemeenten zeker van zijn. Vol van dankbaarheid en rust willen we ons met Hem verdiepen in de zaken die voor de verdere ontwikkeling van belang zijn. Wanneer wij te allen tijde de Here Jezus Christus blijven aandoen, zal het geheimenis van Christus zich ook in onze levens gaan voltrekken en zal de boze op ons geen enkel voordeel kunnen behalen. Dat dienen we bij de verdere bespre­king van het geheimenis der wetteloos­heid goed voor ogen te houden.

Verdere uitwerking

In 2 Corinthiërs 6:14-16 doet Paulus een vijftal uitspraken die in het kader van het bovenstaande heel duidelijk kunnen worden verstaan. Uitspra­ken waarin hij steeds twee geestelijke zaken scherp tegen­over elkaar plaatst. Hij spreekt over gerechtig­heid en wetteloosheid (SV: ongerechtig­heid), over licht en duisternis, over Christus en Belial, over de gelovige en de ongelovige, over de tempel Gods en die der afgoden.

Deze uitspraken komen onderling overeen; er wordt in telkens andere bewoor­dingen steeds over dezelfde twee zaken gesproken. We zullen dit nader gaan uitwerken.

Christus en Belial

De gerechtigheid, het licht, Christus, de gelovige en de tempel Gods behoren bij elkaar. Dit is wat in Christus is en van Christus uitgaat; Hij staat hierin centraal. In Hem is licht. Als je Hem aanneemt, kom je in het licht. Hij wil de mens brengen in het volle licht. Wie tot Hem gaat, wordt een rechtvaardige die door geloof een plaats mag krijgen in de tempel Gods, de Gemeente van Jezus Christus. Hij wordt door de Heer in staat gesteld om tezamen mèt, en onder leiding vàn Hem alle gerechtig­heid Gods te gaan vervullen en het geheimenis van Christus in eigen leven geheel openbaar te laten worden.

De wetteloosheid, de duisternis, Belial, de ongelovige en de afgoden behoren eveneens bij elkaar. En zo goed als Christus centraal staat in de eerste opsom­ming, staat Belial centraal in deze tweede opsomming. In Belial is de wetteloosheid en ongerechtigheid geconcentreerd. De wetteloosheid gaat van hem uit; het is een kenmerk van zijn wezen. In hem is duisternis, dit gaat van hem uit. Wie zich door hem laat leiden komt in de duisternis, uiteindelijk zelfs in de buitenste duisternis. Hij staat centraal te midden van de afgoden, is daar de grootste van. Hij wil in de tempel Gods laten zien dat hij (een) god is. Hij wil het geheimenis der wetteloosheid in het leven van mensen geheel openbaar laten worden.

Namen

Deze personen staan dus lijnrecht tegenover elkaar. Zij zijn elkanders tegenpolen in wezen en werken. Tussen hen bestaat geen enkele overeenstem­ming; er is tussen hen een totale, absolute en definitieve scheiding.

Belial moet dus een andere 'naam' zijn voor de antichristus, voor de mens die zich in de eindtijd zal openbaren en verhef­fen tegen Christus.

Er worden in de bijbel nog meer namen gebruikt voor deze persoon. Bij het overzien van deze benamingen valt het op dat de naam van de mens steeds ont­leend is aan, en overeen­komt met de naam van de geest die hem vervult.

We zagen reeds dat Johannes hem de antichrist noemt, die bij zijn komst vervuld is met de geest van de antichrist.

Paulus beschrijft hem in 2 Thessalonicenzen 2:3 als de zoon des verderfs, de zoon van de verderver. Hij wordt daar dus benoemd naar de verderver, Apolly­on, de heerser over de afgrond, de onderkoning in het dodenrijk (Stb.31 blz.6,7), de macht die op het moment van zijn openbaring volledig bezit van hem neemt.

In hetzelfde vers wordt hij de mens der wetteloosheid genoemd, opnieuw naar de inwo­nende macht, de grootvorst der wetteloosheid en weerspannigheid, een aanvoerder van de duivelse legermacht (zie Stb.45).

In de Groot-Nieuwsvertaling wordt in dit vers gesproken over de mens die de wetteloos­heid in persoon is, degene die het wetteloze en weerspannige als mens belichaamt.

Verkorte namen

Naast deze 'volledige' namen schrijft Paulus op andere plaatsen ook wel in korte en krachtige termen. Hij heeft het dan over de tegen­stander, of over de wettelo­ze. Hij gebruikt dan dezelfde naam voor de mens en de macht. En dat is in deze situatie niet onlogisch: het wezen en de naam van deze mens wordt volledig bepaald door de naam en het wezen van de inwonende geest. Hier is namelijk geen sprake meer van een niet gewenste intrek in het levenshuis van de mens - een gebondenheid - maar van een volledig door de mens gewenste inwoning van de macht in zijn huis en hart. De macht mag het hele leven van deze antichrist vullen, zo goed als de heilige Geest het gehele leven van de Christus mocht vullen.

De antichrist, de zoon des verderfs, de mens der wetteloosheid zal de eerste mens zijn die een werkelijke en totale wezensverandering zal ondergaan. De eerste waarin de duisternis in alle vezelen van zijn bestaan zal doordrin­gen en zijn gehele hart, huis en hemel zal gaan vervullen (zie ook Stb.52 blz.4 en Stb.57 blz.4). Hij wordt een volwassen 'zoon' van deze duistere macht en draagt voortaan derhalve diens naam!

Belial

Wanneer Paulus in het reeds eerder genoemde 2 Corinthiërs 6:15 kortweg spreekt over 'Belial', is dit de verkorte naam van de mens, die geheel beheerst wordt door de in hem wonende macht. 'Belial' is dus in feite de naam van de macht; het be­schrijft het wezen van de grote geest die in de mens woont.

De 'volledige' naam van deze mens zou in dit geval luiden: de Beli­alsman, de Belialszoon, of de zoon van Belial. Deze termen komen veelvuldig voor in de Statenver­taling van het Oude Testament. Zij komen qua vorm geheel overeen met de reeds eerder genoemde nieuwtestamentische termen als 'mens der wetteloosheid' en 'zoon des verderfs'.

Werkzaam

Deze zoon van Belial, deze mens der wetteloosheid is nog niet openbaar gekomen. Zijn komst is wel aanstaande. Wat reeds wel werkzaam is, is de geest Belial. En het is door deze geest dat het geheimenis der wetteloos­heid reeds in werking is. Belial is de drijvende kracht daarin, het centrale element. Wanneer er in de laatste ure een geestelijk volwassen mens bereid is zich helemaal voor deze geest te openen, zal Belial zich in deze mens vestigen. Hierdoor zal deze persoon het zichtbare en tastbare middelpunt worden van de verdere openbaring van het geheimenis der wetteloosheid.

Aanvulling

Belial zal niet de enige geest zijn die de toekomstige tegenvoeter van Jezus Christus - de antichrist - zal gaan vervullen. De parallelle naamaanduiding 'zoon des verderfs' spreekt hierin voor zich. Ook Apollyon zal zich vestigen in het hart en huis van deze mens. Belial en Apollyon zullen als het ware tot één worden in deze grote tegenstander van de Gemeente van Jezus Christus en tezamen 'de geest van de antichrist' gaan vormen.

Alle kracht van het rijk der duisternis wordt door dit samengaan bijeen­ge­bracht, zowel vanuit de legermacht (Belial - de sterkste grootvorst onder Satan) als vanuit het dodenrijk (Apollyon - de sterkste grootvorst onder Dood).

Ook hier zij voor alle duidelijkheid opgemerkt dat de anti­christelijke geest - de geest van de antichrist - geen 'aparte' geest is, geen derde geest naast Belial en Apollyon. Het is een andere, functionele naam voor de sterkst mogelijke samenbundeling van alles wat het rijk van Satan en Dood maar aan destructieve kracht kan opbrengen.

De antichrist ontvangt daarmee van Satan al zijn kracht, zijn troon en grote macht (naar Op.13:2). Hij vormt dus ook daarin weer het tegenbeeld van Jezus, die van Godswege alle macht in hemel en op aarde heeft ontvan­gen.

Vervolg

We zullen op dit moment niet verder ingaan op de zaken die in de eindtijd nog zullen gaan plaatsvinden. Dit zal in een later stadium van onze studie aangaande Gods plan met mensen uitgebreid in het Studieblad aan de orde komen. Het gaat ons nu om een verdere onthulling aangaande het geheimenis der wetteloosheid, een zaak waar we als mensen-in-Christus allemaal van op de hoogte dienen te geraken omdat we er allemaal in eigen leven en gemeente mee te maken krijgen.

Vandaar dat we onze aandacht nu verder gaan richten op de werkingen van de geest die in de huidige fase van ontwikkeling centraal staat in het geheimenis der wetteloosheid: Belial.