De zondvloed (1)

Inleiding

Onze goede God heeft op geen enkele wijze de hand gehad in de totstandkoming van de zondvloed. Hij heeft de mensheid slechts willen zegenen en aan allen genade willen schenken. Doch aan het einde van de voortijd is duidelijk geworden dat niemand onder de mensen is ingegaan op de uitnodigende en heilrijke prediking die Noach de honderdtwintig jaren daarvoor van Godswege heeft laten horen. Geen van hen had geloof gehecht aan de profetische woorden van deze prediker der gerechtigheid. De mensen bleven volharden in hun zonden en verhardden hun hart.

Na ruim zestien eeuwen had Satan de 'gehele' mensheid in zijn macht gekregen. En zodoende kon hij zijn afschuwelijk voornemen om door middel van een grote, wereldomvattende zondvloed mens en schepping te verdelgen, ten uitvoer gaan brengen.

Vloek

De zondvloed is door de duivel en zijn rijk bedacht en bewerkt. Hij is met de zijnen ten volle verantwoordelijk voor dit gebeuren.

Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat de miljarden mensen uit de voortijd het door hun zondige leefwijze voor het rijk der duisternis mogelijk hebben gemaakt om een dergelijke ramp over de aarde te laten komen (zie ook Stb.44 blz.2). Zij zijn dus medeverantwoordelijk geweest.

Zij hadden de zegen en genade des Heren veracht, waardoor de goddelijke bescherming en bewaring in hun leven niet langer werkzaam kon blijven. Dit was geen actie van God; Hij trok Zijn bescherming niet in! Het was een gevolg van de keuze van de mensen zèlf. Zij hadden hun leven buiten het bereik van Gods zegen, genade, bescherming en bewaring gebracht. Mede hierdoor kon de duivelse vloek (zie Stb.40 blz.4,5) ten volle gaan doorwerken en het verderf in en rondom hen vrij spel krijgen.

De aarde was ontwijd door haar bewoners, omdat zij de wetten hadden overtreden, de inzetting ontdoken en het eeuwig verbond hadden verbroken. Daarom kon een vloek de aarde verslinden en moesten haar bewoners boeten; daarom werden de bewoners der aarde door een gloed (vloed) verteerd en bleven er maar weinig stervelingen over (naar Jes.24:5,6).

Behoud

Alleen Noach zèlf, zijn vrouw, zijn drie zonen en hun vrouwen waren in de ark gegaan. Vol geloof en eerbied hadden deze mensen zich ingezet en toebereid. Zij hadden zich op geen enkele wijze ingelaten met de manier van leven van de mensen uit hun tijd. Dientengevolge zouden slechts acht mensen behouden blijven voor God. Zij waren rechtvaardig bevonden voor Zijn aangezicht (Gen.7:1). Zij hadden genade gevonden bij God (6:8). Aan hen beleefde God veel vreugde (GN).

Door deze acht mensen kon God Zijn plan met mens en schepping - ondanks het duivelse geweld en alle gevolgen van de zondvloed - verder voortzetten. Dat hadden deze mensen mogelijk gemaakt.

Gods had Zijn heilrijke rechterhand op de ark gelegd en Zijn zegen uitgesproken over de mensen en dieren daarin. Zij zouden door Hem beschermd blijven tegen het uitbrekende geweld in hemel en aarde.

Geweld

In Noachs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend (Gen.7:11). Andere vertalingen spreken over het 'losbreken van de kolken van de geweldige afgrond' (Can) en over het 'openbreken van de fonteinen van de grote afgrond' (SV). Het water zocht zich met geweld een uitweg (GN).

Het grootste natuurdrama aller tijden begon zich te voltrekken.

De gebeurtenissen op aarde staan ook hier weer niet los van situaties en gebeurtenissen in de hemel. We zullen deze woorden uit Genesis 7 daarom in twee werelden moeten plaatsen en trachten te verstaan. Het begin, het verloop en de afloop van de zondvloed kan slechts mede vanuit de realiteit van de geestelijke wereld worden begrepen. Van daaruit is de zondvloed op gang gebracht, strak gedirigeerd vanuit het hoofdkwartier van Satan, met inzet van al diens machten en krachten.

Geestelijke wereld

Het geweld van de demonen, de grootvorsten, de overheden, de wereldbeheersers balde zich samen en richtte zich - vanuit de verworven positie in de hemel van de mensheid - op de werken Gods op aarde, en met name op alles wat leven had. Een explosie van geweld in de hemelse gewesten, een ontlading van negatief-werkende energie met als doel alles te ontwrichten, te ruïneren, te doden en te verderven wat God in de zeven scheppingsdagen had opgericht en daarna had doen groeien en ontwikkelen.

Tegelijkertijd sperde het dodenrijk en met name daarin de afgrond (zie Stb.31 blz.7) haar muil wijd open (naar Hab.2:5) om onverzadigbaar de grote buit binnen te halen. Dood met zijn doodsmachten, Apollyon en zijn verderfengelen stonden gereed om een gehele mensheid definitief in hun machtsgebied gevangen te zetten.

Ook in geestelijke zin gingen dus zowel in 'de hemel' als in 'de afgrond' alle sluizen open en braken alle kolken los.

Het gehele rijk der duisternis inclusief het rijk des doods verkeerden in hevige beroering, in een opperste staat van activiteit. Dit was hun uur, hun gelegenheid, de ure van de macht der duisternis.

Uitspansel

De resultaten op aarde bleven niet uit. De machten der duisternis ondernamen een gezamenlijk aanslag op het uitspansel, teneinde 'de sluizen des hemels' ook in letterlijke zin te openen.

Het door God geschapen uitspansel was naar alle waarschijnlijkheid een immens groot waterdampgewelf dat de oorspronkelijke aarde als een soort hemelkoepel omringde. Dit uitspansel maakte scheiding tussen de wateren onder en boven het uitspansel (naar Gen.1:7). Het heeft in de wereld vóór de zondvloed bijgedragen aan het gelijkmatige klimaat op aarde. Mede door dit uitspansel kon er op aarde voortdurend een kostelijke temperatuur gehandhaafd worden. Daarnaast zorgde dit waterdampgewelf voor het onderscheppen van dàt deel der zonnestraling dat het sterkst de veroudering van levende wezens bewerkt en gisting en verrotting teweeg brengt.

Volgens prof. A.M. Rehwinkel is het mogelijk dat in die fase, bij het begin van de zondvloed, dit immense gewelf van waterdamp, ineen is gezakt (zie zijn boek: De Zondvloed).

De gevolgen daarvan waren tweeërlei. Enerzijds kwam hierdoor een onvoorstelbaar grote hoeveelheid water vrij - waarschijnlijk de voornaamste bron van de wateren van de zondvloed. Anderzijds is deze ineenstorting één van de oorzaken geweest van de enorme en radicale klimaatverandering op aarde ten tijde van de zondvloed.

Aanslag

De aanslag van het rijk der duisternis op deze prachtige, goddelijke creatie had rampzalige gevolgen. Op dit waterdampgewelf is een zo'n grote druk 'van boven' uitgeoefend, dat het ineen is gezakt en enorme waterhoeveelheden uit de atmosfeer zich bijgevolg naar beneden stortten.

Dit is dus geen grote, langdurige regenbui geweest, zelfs geen wolkbreuk, maar nog veel meer dan dat. Met verpletterende kracht en een verwoestende uitwerking kwam het water op aarde terecht... sterke waterstromen tot gevolg hebbend, die alles meesleurden wat op hun weg kwam.

Kolken

Tegelijkertijd braken ook alle kolken der grote waterdiepten open. Ook daar werden door de machten der duisternis alle natuurwetten en goddelijke ordeningen verkracht en uit hun verband gerukt. Door de enorme duivelse druk ontstonden de eerste aardbevingen en deden zich de eerste vulkanische uitbarstingen voor. De aarde scheurde door deze gewelddadige beroeringen op vele plaatsen open. Water, stoom en gloeiend, vloeibaar gesteente stroomde er aan alle kanten uit.

De wateren onder de aarde, maar ook alle wateren van en op de aarde werden door al dit geweld in een onstuimige beweging gebracht. En dat niet op één plaats, zoals wij vandaag de dag nog wel eens meemaken, maar over de gehele wereld tegelijk: alle kolken braken los.

De talloze vulkaanuitbarstingen en aardbevingen bewerkten weer vloedgolven van zeeën en rivieren die in kracht nauwelijks te beschrijven zijn. Welk een spoor van vernieling kan één aardbeving in onze tijd al tot gevolg hebben. Laat staan als deze wereldwijd optreden en het vasteland daarbij ook nog eens op allerlei plaatsen tegelijk overspoeld en overweldigd wordt door de reusachtige vloedgolven die ermee gepaard gaan. Met een meedogenloze kracht werd alles verwoest en ontwricht.

Opengebarsten

Door de enorme uitbarstingen en bevingen zijn hele bergketens omhoog gekomen, andere delen weggezakt, waardoor diepe ravijnen, grote spleten en gapende afgronden zijn ontstaan. Enorme oppervlakten zijn met een allesvermorzelende kracht over elkaar heen geschoven.

Delen van de zeebodem zijn omhoog gekomen, opnieuw een enorme waterverplaatsing tot gevolg hebbend. Andere delen zijn weggezakt, waardoor ontzagwekkend sterke draaikolken zijn ontstaan, die alles in hun omgeving in een niets ontziende kracht mee naar beneden hebben gezogen.

Ja, bij het openen van de sluizen in den hoge hebben tegelijkertijd de grondvesten der aarde gebeefd. Ten tijde van de zondvloed is de aarde opengebarsten, heeft de aarde hevig geschud, heeft de aarde vervaarlijk gewankeld, als een beschonkene gewaggeld... want haar overtreding drukte zwaar op haar (naar Jes.24:18b-20).

Uit oorspronkelijke stand

Mede door al dit geweld dat de aarde deed schudden en wankelen, is de aardbol uit zijn oorspronkelijke stand ten opzichte van de zon getrokken. De helling van de aardas veranderde, met dramatische gevolgen voor het klimaat op aarde (zie ook Stb.44 blz.5). Opeens was er een ijzige koude bij en rondom de poolgebieden waardoor daar plotseling enorme hoeveelheden ijs gevormd werden. Voortaan zouden de seizoenen scherp onderscheiden worden en zouden er tijden zijn van koude en hitte, zomer en winter (Gen.8:22).

De prachtige, weelderige natuur werd aan alle kanten ontwricht. Het paradijselijke aanzien van de aarde werd vernietigd. De zo goed door God geschapen, de zo mooi door God geordende wereld werd ten tijde van de zondvloed op zijn kop gezet.

Werkelijk aan alle kanten tegelijk, van bovenaf (hemelgewelf) en van onderuit (kolken) en in haar totaliteit (as) werd de aarde door het rijk der duisternis aangevallen, en met een misbruik maken van alle potentiële krachten in de natuur zèlf overweldigd, ontluisterd, verwoest. De aarde viel en stond niet weer op (naar Jes.24:20c).

Kort

De bijbel wijdt maar weinig woorden aan het geweld dat ten tijde van de zondvloed is ontketend. In Genesis 7 wordt gesproken over de slagregen die onafgebroken veertig dagen en veertig nachten over de aarde was (vs 12). In vers 18 staat dat de wateren zeer toenamen, dat het water zeer krachtig werd (Reisel). En in vers 19 wordt vermeld dat het water geweldig sterk toenam, nog in heviger mate in kracht toenam (Reisel), waardoor de gehele aarde en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt.

Tenslotte wordt in vers 24 beschreven dat de wateren de overhand hadden over de aarde, honderdvijftig dagen lang. Dr. Reisel zegt hier: het water bleek krachtig op de aarde.

Het bovengeschetste beeld past geheel in deze sobere woorden.

Bewijsmateriaal

En toch is het bovenstaande niet maar een fantasierijke voorstelling van de gebeurtenissen tijdens de verschrikkelijke zondvloed. Prof. Rehwinkel voert in zijn al eerder aangehaalde boek op basis van uitgebreide geologische en archeologisch onderzoekingen en op grond van vele fossiele vondsten allerlei feiten aan die als bewijsmateriaal daarvoor dienst doen. De aarde die overbleef, laat namelijk nog steeds allerwegen de sporen zien van het geweld en de verwoesting die toen moet hebben plaatsgevonden.

Het voert te ver om daar in dit bestek een overzicht van te geven.

Zijn eindconclusie komt overeen met het bijbelse gegeven: De toenmalige wereld is inderdaad door het water vergaan, door het water verzwolgen (2Petr.3:5).

Mens en dier

Wat een verschrikkelijke tijd moet dit geweest zijn voor de mensen en dieren die op aarde waren achtergebleven! Onbeschrijfelijk! Geen van hen is in leven gebleven. Een wereldwijde holocaust. Mens en dier, allen die leven hadden, werden in één grote duivelse aanslag uitgeroeid. Allen vonden de dood.

Vele diersoorten zijn sindsdien uitgestorven. Over de gehele wereld zijn hun overblijfselen gevonden, sommigen ingevroren door de plotseling intredende koude, anderen met velen tegelijk opgeslokt in spontaan gevormde ravijnen, waar ze - bedolven onder weer ander materiaal - uiteindelijk zijn versteend.

Ook van de mensen uit die tijd zijn resten gevonden, en dan bijna altijd in combinatie met resten van dieren.

Wonder

Het mag een wonder heten dat de ark te midden van al dit geweld in hemel en op aarde niet ten onder is gegaan. Een zéér groot wonder!

Gods genade is te allen tijde genoeg (naar 2Cor.12:9), dat blijkt maar weer! Het was voldoende, ruim voldoende, om Noach en zijn gezin en al de dieren die met hen waren te bewaren voor het wereldwijde onheil dat rondom hen was losgebarsten.

Deze volledige bescherming vormt een bewijs dat de goddelijke kracht die werkzaam is binnen het Koninkrijk Gods, alle andere krachten te boven gaat, hoe deze ook samenspannen. Het geeft aan hoe overweldigend groot Zijn kracht is aan degenen die geloven (Ef.1:19).

Binnen de ark was er absolute veiligheid en heerlijke geborgenheid. Daar was bij mens en dier de rust en de vrede van het Koninkrijk Gods. Gods heilrijke rechterhand was over hen. Zijn legioenen van engelen waren uitgezonden ten dienste van deze mensen, die Zijn plan liefhadden en het heil zouden mogen beërven (Hebr.1:14). De engelen Gods behoedden hen en droegen hen op handen (Ps.91:11,12).

En daarom overstroomde de watervloed hen niet, en verslond de diepte hen niet; de put kon zijn mond boven hen niet toesluiten (naar Ps.69:15).

Eindtijd

Voor de gemeente van Jezus Christus in de eindtijd mag vooral het laatste feit een enorme vertroosting en bemoediging zijn. Binnen de ark, de gemeente van Jezus Christus, is er een volkomen bescherming en beveiliging tegen al het demonische geweld rondom. Al wordt alles ontwricht, binnen de gemeente mag er bij allen die het zegel van God op hun voorhoofd hebben intense rust zijn en grote, diepe vrede. Binnen de gemeente zal aan het gras der aarde geen schade kunnen worden toegebracht, noch aan enig gewas, noch aan enige boom (naar Op.9:4). Daar is de Here heerlijk voor ons (Jes.33:21). Daar zijn ook de engelen Gods ten volle actief.

Overwinning

Maar er is nog meer! De aangehaalde profetische woorden uit Jesaja 24 geven namelijk niet alleen een beeld van de gebeurtenissen uit de voortijd; zij geven bovenal zicht op wat aan het einde der tijden nog zal gaan gebeuren.

Te dien dage zal het geschieden, dat de Here bezoeking zal brengen over het heer der hoogte in den hoge en over de koningen der aarde op de aardbodem (aanduiding van het rijk der duisternis met haar wereldbeheersers). En zij zullen bijeengebracht worden, zoals men gevangenen bijeenbrengt in een kuil, en zij zullen opgesloten worden in een kerker, en na vele dagen zullen zij bezocht worden. De Here der heerscharen zal (opnieuw en ten volle) Koning zijn op de berg Sion en in Jeruzalem, en er zal heerlijkheid zijn ten aanschouwen van zijn oudsten (Jes.24:21-23).

Dit heil zal door Jezus Christus worden bewerkt!

Daarom zal aan het einde der tijden - na een periode die in zekere zin te vergelijken is met de voortijd (Luc.17:26) - nog eenmaal niet slechts de aarde, maar ook de hemel beven, zegt Hebreeën 12:26. Bij de allesbeslissende strijd van Harmagedon zal het gehele demonische leger van Satan door Jezus Christus en Zijn verheerlijkte Gemeente overwonnen worden.

Wederoprichting

In de heerlijke periode daarna - het duizendjarige rijk - zal alles wat ten tijde van de zondvloed door Satan en zijn handlangers uit zijn verband is gerukt, door Jezus en de Zijnen weer in het oorspronkelijke verband worden teruggebracht. De aarde zal mogen en kunnen 'opstaan' en opnieuw haar paradijselijk aanzien mogen verkrijgen.

In die tijd van de wederoprichting aller dingen zullen mens en schepping weer geheel aan de goddelijke bedoelingen kunnen gaan beantwoorden.

Noach heeft het in zijn tijd - de voortijd - voor God mogelijk gemaakt om Zijn plan verder voort te zetten.

Wij kunnen het in onze tijd - de eindtijd - voor Jezus Christus mogelijk maken om tot de heerlijke voltooiing van al Gods plannen te komen.

Bereid u daarom toe en wees verheugd!