De wereld na de zondvloed

Inleiding

De zondvloed die aan het einde van de voortijd heeft plaatsgevonden, is een diep ingrijpend gebeuren geweest. We hebben daar in de vorige Studie­bla­den bij stilge­staan. De gevolgen ervan zijn merkbaar tot op de dag van vandaag.

God had ondanks het geweld dat door het rijk der duisternis was ontketend, Zijn werk aan mens en schepping in alle rust kunnen voortzetten. Er waren acht mensen en vele representa­tieve dieren bewaard gebleven voor een hernieuwde en verdergaan­de ontwikkeling. Voor God was dat ruim voldoende. Hij zag de nieuwe mogelijk­he­den en sprak daarover met Noach nadat de aarde weer was opge­droogd.

Gedierte

En God sprak tot Noach: Ga uit de ark, gij en uw vrouw en uw zonen en de vrouwen uwer zonen met u; doe al het gedierte dat met u is, van al wat leeft: het gevogelte, het vee en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, met u uitgaan, opdat zij wemelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde (Gen.8:16,17).

Het laatste deel van vers 17 vertoont een sterke overeenkomst met de zegenrijke woorden die God aan het einde van de vijfde scheppingsdag over de dieren had uitgesproken (Gen.1:22). God wilde Zijn bedoeling ten aanzien van het gedierte voor mens en schep­ping opnieuw duidelijk maken en Zijn zegen over hen als het ware hernieu­wen. Door de versprei­ding en de vermenig­vuldiging van de dieren zou 'het leven' zich weer op allerlei plaatsen, op velerlei niveaus en in rijk gescha­keerde variaties kunnen gaan manifes­te­ren en zou de dieren­stand op aarde na de enorme aanslag die op haar was gepleegd, weer op peil gaan komen (zie ook Stb.46 blz.5).

Mens

Nadat al het wild gedierte, al het kruipend gedierte en al het gevogelte, alles wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, van de ark was uitgegaan, en Noach voor de Here een altaar had gebouwd en van al het reine vee en van al het reine gevogelte brandoffers op het altaar had gebracht (Gen.8:19,20), sprak God zich ook uit ten aanzien van de verdere ontwik­keling van de mens. En God zegende Noach en zijn zonen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde (Gen.9:1). Na de gruwelijke en wereldwijde 'holocaust' mocht ook in de mens een hernieuwde groei en ontwikkeling onder de zegen van God op gang komen.

Ook deze woorden grepen terug op eerdere uitspraken van God. Aan het einde van de zesde dag had God in vrijwel dezelfde termen tot Adam en Eva gespro­ken (Gen.1:28a). God wilde het eerste mensenpaar in die fase van hun ontwik­keling inzicht geven in Zijn plan met de mens en hen van Zijn intense en heerlijke zegen bij de realisering ervan verzekeren (zie Stb.22).

Vanuit Gods hart

In diepste zin grepen de woorden van God tot Noach terug naar wat van den beginne in en bij God aanwezig was en is, de logos. Zij stonden recht­streeks in verband met het oorspronke­lijk voornemen van God, met Zijn intens verlangen naar een mensheid die tot in eeuwigheid partner Gods, vrouw van God, zou zijn.

Vanuit die allesomvattende basisgedachte had God reeds vóór de schepping van de mens gesproken: Laat ons mensen maken... (Gen.1:26 - Stb.5). Vanuit diezelfde grondslag sprak God in Genesis 9 tot Noach en de zijnen. Zij stonden aan het begin van een nieuwe periode. God zag de nieuwe mogelijkhe­den, ondanks de ontwrichting die had plaatsgevonden en de schade die over de gehele wereld was aangericht. Hij geloofde in de algehele realise­ring van Zijn plan. Het voornemen Gods mocht door hen heen verdere voortgang hebben.

God riep Noach op om zich met de zijnen in te zetten voor een nieuwe opbouw van het menselijk geslacht en een goede, opgaande ontwikkeling daarin: Laat ons tezamen de mens Gods voortbrengen! God verzekerde deze mensen in dit bezigzijn opnieuw van Zijn zegen en leiding.

Veranderingen

Veel dingen zouden als gevolg van de zondvloed voortaan anders zijn en anders gaan. De stand van de aarde ten opzichte van de zon was gewijzigd, het uitspansel was grotendeels ingestort. Het klimaat op aarde had daardoor enorme en blijvende veranderingen ondergaan (Gen.8:22). De plantengroei zou mede hierdoor lang niet meer zo weelderig en zo uitgebreid kunnen worden als voorheen. Er waren grote en dorre woestijnen ontstaan, poolkappen met enorme hoeveelhe­den ijs, gebieden met strenge koude, gebieden met tropische hitte. Grote stukken van de aarde waren onbewoonbaar geworden door de aanwezigheid van enorme waterop­pervlakken - oceanen - of door reusach­ti­ge bergmassieven. En dit is nog maar een greep uit de vele veranderingen. Het oorspronkelijke evenwicht was op velerlei wijze grondig verstoord. De fraaie harmonie was voor een groot deel verdwenen. Het aanschijn van de aarde was ingrijpend gewijzigd.

De voedsel­voorzie­ning van de mens moest als gevolg van de gewijzigde plantengroei en leefomstandigheden eveneens aangepast worden. De mens kreeg naast het groene kruid alles wat zich roert, wat leeft, tot spijze (Gen.9:3). En dit bracht weer veranderingen teweeg in de verhouding tussen mens en dier (vs.2).

Trouw

Ondanks alle ingetreden veranderingen spreekt God vol geloof en hoop met Noach en de zijnen over de toekomst. God laat deze acht mensen niet aan hun lot over. De wederopbouw zou direct mogen gaan beginnen voor zover dat in die fase mogelijk was. De belofte ten aanzien van de komende Messias (Gen.3:15) mocht blijven voortleven in de harten van de mensen. God zèlf stond borg voor het uiteindelijke herstel aller dingen. Zijn schepping - en daarin in het bijzonder Zijn mensheid - zou in en door de komende Christus ondanks alles wat op dat moment was gepasseerd en nog zou komen, toekomen aan de volledige realisatie van Gods plan. Dat stond en staat voor God vast.

En om dit nog eens heel duidelijk vast te leggen, richt God met Noach en zijn zonen en met al wat op aarde leeft een verbond op, en geeft aan hen een teken van trouw: de regenboog (Gen.9:8-17). Wat een liefde en trouw blijkt hier van Gods kant. Hij stelt geen voorwaarden en beperkingen in dit verbond. Het is van Zijn kant univer­seel en eeuwig. Hij verzekert al wat leeft te allen tijde van Zijn blijvende goedheid. God heeft Zijn schepping lief. Hij laat niet varen het werk Zijner handen. Zijn goedertie­renheid is tot in eeuwigheid.

Geen herhaling

God geeft bij het oprichten van het verbond ook aan dat de wateren niet wéér tot een vloed zullen worden om al wat leeft te verderven (Gen.9:15). De mensheid zou niet hoeven te vrezen voor een tweede zondvloed.

Mogen we uit deze woorden opmaken dat God een 'eerste' zondvloed heeft toegela­ten, maar het voor een tweede keer verbiedt? Neen! Zo is onze God niet. Hij heeft op geen enkele wijze de hand gehad in de zondvloed. En daarom 'gedoogt' of 'verbiedt' God ook geen zondvloed. Hij staat daar volkomen buiten. Hij is daar geheel los van. Daar gaat het hier niet over.

God is op een geheel ander niveau bezig. Hij spreekt in dit gedeelte over wetmatig­heden in de geestelijke wereld. We kunnen deze woorden Gods alleen maar verstaan vanuit het zicht op de hemelse en onzichtbare werkelijk­heid.

Logisch

De zondvloed is niet door God, maar door Satan en diens rijk tot stand gebracht. In het vorige Studieblad is reeds uiteengezet op welke wijze de machten der duisternis daarbij uiteindelijk in de door henzelf gegraven kuil zijn geval­len. Dit was door Satan en zijn machthebbers niet voorzien. Met een variant op 1 Corinthiërs 2:8 zouden we kunnen stellen: Indien de beheersers van die eeuw van de (geestelijke) gevolgen geweten zouden hebben, zouden zij de zondvloed wellicht niet op die wijze over de wereld hebben gebracht... Een herhaling van een dergelijk gebeuren valt dus niet te verwachten! Het is niet meer dan logisch dat het rijk der duisternis niet nog eens zo'n zondvloed in de zichtbare wereld zal ontketenen.

Toekomst

God spreekt met wijsheid en zekerheid. Hij weet dat aan het eind der tijden niet alleen de aarde maar ook de hemel zal beven (Hebr.12:26). Maar dan op initia­tief van Zijn Zoon, de Christus, die met Diens Gemeente een allesom­vattende strijd aangaat met het rijk der duisternis, en daarmee met de antichrist en zijn gemeente. Dan gaat het om herstel, om de wederoprichting aller dingen (Hand.3:21). Dan zullen alle gevolgen van de verwording in hemel en op aarde van de voortijd, de zondvloed en de tijd daarna worden uitge­wist. De aarde zal opnieuw kunnen 'opstaan' en er zal een enorme verande­ring ten goede optreden, opdat blijve wat niet wankel is (Hebr.12:27).

Deze hoop en dit geloof van God klinkt reeds door in de belofte die God aan Noach doet en in het teken dat Hij aan de mensen geeft. Bij het zien van de regenboog behoeft de mens niet weemoedig terug te denken aan wat eenmaal is geweest, maar mag hij in gemeenschap met zijn God in grote vreugde vooruit zien naar wat komen gaat.

Wetteloosheid

De weg daar naar toe zou door de mens niet zonder slag of stoot bewandeld kunnen worden, want Satan zou natuurlijk ook niet stil blijven zitten. De strijd zou opnieuw gaan oplaaien, de 'overgebleven' demonen zouden andermaal van hogerhand worden aangedreven om mensen tot nieuwe zonden te verleiden.

We zien de zonde en de wetteloos­heid al weer snel opduiken in het leven van de mensen. Noach zelf raakte beneveld door de wijn en werd dronken. Hierdoor kon onder invloed van het rijk der duisternis een stukje wette­loosheid naar voren komen in zijn leven (Gen.9:20,21). Wat zal de vijand daarvan misbruik hebben gemaakt en deze onberispelijke mens, deze geloofs­getuige, de man waaraan God zoveel vreugde had beleefd, op dit punt hebben aangeklaagd en veroordeeld. Hij zal mede hierdoor Noach hebben willen afhou­den van verdere daden en werken Gods. Over de rest van het leven van Noach - na de vloed nog driehon­derdvijftig jaar - verhaalt de bijbel niets meer (Gen.9:28).

De zoon van Noach, Cham, raakte nog verder verstrikt in de wetteloos­heid en bracht daarmee een vloek over zijn nageslacht.

De vijand sloeg keihard toe, waar hij maar kon! Hij probeerde opnieuw allerwegen invloed en macht te krijgen in het leven van mensen.

List

Satan bedoelde evenwel meer. Tijdens de zondvloed was een groot deel van zijn leger en legeroversten door de geweldenaren uit de voortijd in de afgrondsituatie terecht­gekomen (Stb.48 blz.4,5). Zij werden daarin gevangen gehouden en tot inactiviteit gedwongen door Dood en Apollyon. In deze voor hem onverwachte situatie wilde Satan een keer gaan brengen. En opnieuw had hij daar de mens voor nodig. Door de wil van mensen waren er machten der duisternis in de afgrond gekomen; door mensen zouden ze er ook weer uitgehaald kunnen worden.

Voor de zondvloed was het streven van Satan erop gericht geweest om mensen onkundig te laten over het reilen en zeilen in de geestelijke wereld. Het was voor hem genoeg dat zij in een zondig, geheel vleselijk en verdorven levenspatroon terecht­kwamen. Geweld, haat, onreinheid, weerspannigheid en wetteloosheid bepaalden het wereld­beeld.

Na de zondvloed gooide hij het mede over een andere boeg. Hij wilde er een nieuw element inbrengen. Naast alle reeds 'bekende' zonden wilde hij de mens tot een 'nieuw' soort zonde verleiden. Hij ging op sluwe en listige wijze het sluime­rende vermogen van mensen bespelen om zich ook in de geeste­lijke wereld te ontwikke­len en te verheffen.

Van God

De mens kan iets leren doorzien, iets gaan doorgronden en de onzichtbare werkelijk­heid achter de zichtbare dingen gaan verstaan. Daartoe heeft de mens van God bij de schepping niet alleen een natuurlijk lichaam gekregen maar ook een geestelijk lichaam met geestelijke zintuigen en vele geeste­lijke vermogens (Stb.6,7).

Dit 'geestelijke' is ingeschapen bij de mens, opdat hij onder leiding van God en omgeven door Diens zegen ten volle begrip zou kunnen krijgen van de onzichtbare werkelijkheid. De mens zou zijn God uiteinde­lijk ten volle kunnen leren kennen zoals Hij werkelijk is, en op volwassen niveau met Hem gemeenschap kunnen hebben.

Doel

Op dit prachtige ingeschapen vermogen wilde Satan gaan inspelen met het doel dat de mens zich op zijn initiatief zou gaan interesseren voor de onzienlijke dingen en zelfstandig - en vooral buiten God om - op zoek zou gaan naar het bovennatuur­li­jke. Dit zou een geheel ander 'soort' zonde in en onder de mensen teweeg brengen dan de zonden in de voortijd.

In dit zoeken van de mensen naar contacten met geestelijke wezens in de onzichtba­re wereld, zouden zij zeker geen contact krijgen met God. Integendeel: er zouden voor de duivel kansen ontstaan om ontmoetingen te arrangeren tussen mensen en allerlei demonen die tot op dat moment 'gevangen' en 'werkeloos' onder de macht van Apollyon zaten. Door de actie en de wil van deze zoekende mensen zouden deze demonen op specifieke wijze tot hernieuwde activiteit kunnen worden opgeroepen en zich op basis daarvan kunnen onttrekken aan hun bewakers. Op deze wijze wilde Satan met behulp van mensen zijn verloren gegane legers met zijn aanvoer­ders en grootvorsten uit het dodenrijk, de geeste­lijke gevangenis, terugha­len.

Occultisme

Een dergelijke wijze van werken kan met één woord worden getypeerd. Dit is occult bezig zijn: het op een verborgen, geheime, mystieke, in alle stilte en alleen voor ingewijden kenbare wijze bezig zijn in de geestelijke wereld. Het gaat buiten God om en geheel tegen zijn bedoeling in. Het vormt een nog rechtstreekser en nog bewuster verzet tegen Hem! Het drijft de mens in de diepste geestelijke duisternis. Het is voor God een gruwel!

Het occultisme in al zijn vormen en variaties - en de gehele afgodendienst die ermee is verbonden - is het door Satan bedachte antwoord op de geeste­lijke situatie in zijn rijk na de zondvloed. Daarmee heeft hij zijn gezicht, zijn troon en zijn grote macht willen redden.

Satan introduceerde in het denken, zoeken en bezig zijn van mensen een nieuw fenomeen: het zoeken naar het 'meerdere' tussen hemel en aarde.

Babel

Aldus gebeurde. In Genesis 11 lezen we de resultaten. In het land Sinear werd een toren gebouwd waarvan de top tot de hemel reikte (vs.4).

Vanuit de geschiedenis is bekend dat in die tijdsperiode de astrologie is ontwikkeld: de wetenschap waarbij gebeurtenissen op aarde gekoppeld worden aan gebeurtenissen aan de hemel. Volgens Van Dale: de leer van de invloed van de hemellichamen op het lot en de aanleg van de mensen, en de kunst van het opstellen van horoscopen.

Men ging in de eeuwen na de zondvloed van elders inklimmen (naar Joh.10:1). De mens ging op zoek in de geestelijke wereld en maakte op occulte wijze krachten werkzaam. Er werden machten losgemaakt, waardoor een deel van de gevolgen van de zondvloed voor wat betreft het rijk der duisternis enigszins werden teruggedraaid.

De bouw van de toren van Babel - 'huis van het fundament van hemel en aarde' - vormde hierin het hoogtepunt. De 'poort des hemels', of de 'poort der godheid', de 'poort der goden' (letterlijke betekenis van de Babyloni­sche naam Babiloe) werd geopend; er ontstond contact met de grootste en sterkste grootvors­ten uit het leger van Satan.

Verwarring

Deze vorsten kwamen los uit de afgrond en voeren in de mensen die met hen contact hadden gemaakt. En daarbij bleek dat het rijk der duister­nis geen werkelijke eenheid vormt. Er ontstond een zekere verwarring onder de mensen; het effect van dit geestelijke, gemeenschappelij­ke, gerichte en occulte bezigzijn was wellicht veel groter dan men had verwacht. De grootvorsten zochten zich direct een goed heenkomen en verschansten zich in de mensen die hen hadden opgeroepen. De aanvankelijke eenheid in het bezigzijn raakte daardoor verstoord, velen gingen op eigen houtje verder, daartoe aangedreven door de reeds losgemaakte grootvors­ten. De mensen begrepen elkaar niet meer, spraken elkaars 'taal' niet meer en zochten voortaan met degenen die hen wel begrepen een eigen weg. De verwarring had alom toegeslagen. De mensen waren uiteen gedreven in en door hun bezigzijn met het duistere deel van de onzienlijke wereld.

Satan had zijn doel evenwel bereikt; hij had te midden van alle verwarring de werkelijke macht op aarde aan zich weten te houden en zijn grootvors­ten opnieuw tot activiteit en dienstbaarheid aan hem kunnen brengen. Het 'verdeel en heers' princi­pe werd op krachtige wijze in werking gesteld.

Talen

Door het uiteengaan van de mensen over de aarde ontwikkelden zich niet alleen vele volken, maar ook talloze talen. Elk van deze talen kende weer haar eigen ontwik­keling. Dat is een kenmerk van een levende taal; zij verandert in de loop der tijd.

Als gevolg van de verspreiding ontstonden er na verloop van tijd allerlei taalgebieden op aarde.

Het moge duidelijk zijn dat God de spraak van de mensen niet heeft verward. Bij God is geen verwarring. Dit kan niet van Hem uitgaan! Het ontstaan van de vele talen op aarde is mede een gevolg geweest van de geestelijke verwar­ring tijdens de torenbouw van Babel. En deze verwarring vindt zijn oorsprong in het rijk van Satan.

We willen hiermee evenwel beslist niet suggereren dat de vele talen die heden ten dage onder de mensen op deze wereld worden gesproken allemaal 'occult' zijn. Wel zal de taal der mensen op basis van het gebeuren dat in Genesis 11 beschreven staat, in geestelijke zin in sterke mate 'verarmd' zijn in vergelijking met de taal die Adam heeft gesproken.

Afgoderij

Elk groep mensen ontwikkelde vervolgens zijn eigen methoden en zijn eigen goden. In het occulte bezigzijn van mensen werd de afgoderij ontwikkeld. Grootvors­ten uit het leger van Satan wierpen zich op als inspirators en 'bescher­mers' van mensen, stammen en volken. Zij wensten aanbeden te worden. Zij verkozen zich als camoufla­ge­materiaal allerlei zichtbare voorwerpen of de zichtbare hemellichamen, zoals de zon en de maan. Zo ontstonden niet alleen vele verschillende volken, maar ook goden in menigte (naar 1Cor.8:5) en allerlei religies en godsdiensten.

Bouwwerken als de toren van Babel, terrasvormige tempeltorens van zeven verdiepin­gen, 91 meter hoog, rustend op een fundament van 91 m2 en met een tempel of hemelse godenwo­ning op de bovenste verdieping - de zogenaamde ziggoerats - zijn later in vele plaatsen verrezen. De afgodendienst werd wereldwijd ingevoerd.

Na de zondvloed

Prof. A.M. Rehwinkel maakt in zijn boek 'De Zondvloed' een zeer belangwek­kende opmerking: Het geslacht van voor de zondvloed was geen heidens of afgodisch geslacht. In de préhistorische graven die in Ur ontdekt zijn, is geen enkel goden­beeld, of enig zinnebeeld of sieraad, dat van godsdienstige aard leek te zijn, aangetroffen! Afgodendienst was klaarblijkelijk een latere ontwikkeling en wordt voor het eerst na de zondvloed genoemd (einde citaat).

Wij kunnen dit begrijpen vanuit de realiteit van de geestelijke wereld. Pas nà de zondvloed werd het voor Satan noodzakelijk om met een listige truc zich enigszins te redden uit de ontstane situatie. Toen moest er iets 'nieuws' gevonden worden. En zo is het occultisme ontstaan.

Vervolg

In de ontwikkeling van de mensheid betekende dit een nieuw dieptepunt. Occulte zonden zijn zware zonden en de strijd tegen de occulte geesten is vaak heel zwaar. Toch heeft Jezus ons ook op dit terrein de overwinning beloofd. We zullen er in het volgende artikel op doorgaan.