De vrucht van de Geest in de gemeente (4)

Inleiding

De vrucht van de Geest ontwikkelt zich in het leven door de Geest. Het is doorwerking en gevolg van het leven in gemeenschap met Jezus Christus. De bijbel gebruikt meerdere (voor)beelden om dit proces te beschrijven. Twee hiervan zijn reeds besproken: ‘zaaien op de akker’ (BS 24) en: ‘groeien naar volwassenheid’ (BS 25).

In deze bijbelstudie benaderen we het proces van vruchtvorming als een geestelijke ‘zwangerschap’ die uitloopt op een ‘baring’, een geboorte. Hiermee sluiten we onze serie studies over ‘de vrucht van de Geest in de gemeente’ af.

Aanvullend

Het beeld van zwangerschap en baring vult de eerdere beschrijvingen op profetische wijze aan. Het geeft zicht op wat er in het leven met Jezus aan de orde is als het proces van vruchtvorming zijn voltooiing nadert: als de kostelijke vrucht des lands - het volle koren in de aar - tevoorschijn komt, als de geestelijke volwassenheid - het volle zoonschap - zich in het zoonsleven aandient.

Openbaring 12:1 toont ons een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. Deze vrouw representeert de gemeente van Jezus Christus op aarde: in haar zijn geestelijke ‘banden’ en ‘pezen’ tot ontwikkeling gekomen (zie BS 9-11). Zij functioneert in hemel en op aarde daadwerkelijk als lichaam van Christus. Zij is geworden tot een ‘groot teken’ in de hemel (BS 8/6). Deze vrouw is zwanger en schreeuwt in haar weeën en in haar pijn om te baren. Blijkbaar verloopt de (open)baring van de vrucht van de Geest niet zonder slag of stoot: het gaat door moeite en benauwdheid, geestelijke weeën en pijn heen. Het laatste verzet vanuit het rijk der duisternis wordt hierbij gebroken en de eeuwenlange vruchteloosheid doorbroken.

Verlossing en bevrijding

Paulus spreekt in Romeinen 8:22,23 over ‘barensnood’ en ‘verlossing’. In vers 20,21 over ‘onderworpenheid aan de vruchteloosheid’ en ‘bevrijding van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid’. Deze termen passen volledig in het bovengenoemde beeld van zwangerschap en baring. Met de (open)baring van de volle vrucht komt de vrijheid van de heerlijkheid van de ‘kinderen’ Gods te voorschijn (vs.21). Geheel naar de geest van dit schriftgedeelte spreken twee Engelse vertalingen over ‘the glory of the sons of God’. De verlossing leidt tot geestelijke volheid, tot verwezenlijking van het (volle) zoonschap (vs.23). Ook hier laten twee Engelse vertalingen de bedoeling van de tekst duidelijk uitkomen: at last we have realised our full sonship in Him.

Evenals bij een geboorte in de natuurlijke wereld weegt de moeite en het lijden bij de baring niet op tegen de vreugde en de heerlijkheid die hierin ‘vrij’ komt, tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard wordt (vs.18). Het gaat rechtstreeks aan op het ten volle delen in de heerlijkheid van Jezus Christus (vs.17). Dit mag voor ons vaststaan op grond van Gods vaste voornemen: die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (vs.30).

Schepping en gemeente

In de context van de bovengenoemde verzen spreekt Paulus over ‘de schepping’ en ‘wijzelf’ (Rom.8:18-23). Hij maakt hierbij geen scheiding tussen de schepping enerzijds en de gemeente anderzijds. Hij duidt een bepaalde groep mensen in deze schepping nader aan. De gemeente maakt deel uit van de schepping. Tezamen met de schepping is zij (nog steeds) aan de vruchteloosheid onderworpen. Tezamen met de schepping hoopt zij op bevrijding van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid, wacht zij met reikhalzend verlangen op het openbaar worden der zonen Gods.

Tegelijkertijd onderscheidt de gemeente zich van de schepping in dit hopen en wachten. De openbaring van de zonen Gods waarop de hele schepping wacht, geschiedt namelijk niet in de wereld maar in de gemeente van Jezus Christus. Zij brengt de kostelijke vrucht des lands voort. Geheel naar Gods bedoeling mag zij de mensheid vervolgens dienen met de vrucht die in haar midden tevoorschijn komt, met de heerlijkheid die in haar volwassen zonen openbaar komt. Onder leiding van haar hoofd mag zij de door God geschapen wereld - hemel en aarde - verlossen van hem die mens en schepping aan de vruchteloosheid onderworpen heeft. Haar in alle delen bevrijden van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid.

Omslagpunt

De hoop van de schepping in haar totaliteit gaat pas in vervulling nadat de hoop van de gemeente tot vervulling gekomen is. We mogen dit uit Romeinen 8:19 opmaken: met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods (in de gemeente). Indien het volle zoonschap in de gemeente niet tevoorschijn komt, ziet het er voor de wereld slecht uit. Wie zal de schepping verlossen en bevrijden van haar geestelijke overheersers, wie zal haar voeren tot de heerlijkheid die God bedoelt? Wie anders dan Jezus Christus en zijn (volwassen) gemeente!

Aan de verlossing en bevrijding van de schepping gaat de verlossing en bevrijding van de gemeente vooraf. De gemeente zal eerst zelf overwinnaar moeten worden over duivel en dood, eerst zelf van de vruchteloosheid worden verlost en van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid worden bevrijd, voordat zij de schepping met deze overwinning kan dienen. Als de volheid van Christus in haar midden niet openbaar komt, kan zij de schepping niet verlossen van deze onderworpenheid. Hier wacht dus alles op.

Wat een enorme geestelijke belangen staan er op het spel bij het tevoorschijn komen van de vrucht van de Geest in de gemeente. Geen wonder dat de vijand hier bovenop zit; dat de baring van deze vrucht met veel moeiten gepaard gaat. De (open)baring van zonen Gods vormt een omslagpunt in het wereldgebeuren: de volheid der tijden gaat in. In de komende bijbelstudies over het boek Openbaring gaan we hier dieper op in.

Wereld in nood

Wacht de wereld van vandaag eigenlijk wel met reikhalzend verlangen op het openbaar worden van de zonen Gods? Ziet men hier wel concreet naar uit? Ik geloof van niet. Je ziet of hoort hier nooit iets van in de nieuwsmedia. Zelfs niet op het christelijk erf. Hoogstens verwacht een aantal gelovigen het van ‘een spoedige wederkomst van Jezus Christus’. Hoe dit in zijn werk gaat en welk aandeel de zonen Gods hierin hebben, is onbekend. Dat hier plaatselijke gemeenten voor nodig zijn die daadwerkelijk als lichaam van Christus gaan functioneren en hiermee als een ‘groot teken in de hemel’ tevoorschijn komen, beseft men niet.

De wereld zucht en kreunt wel onder alle wetteloosheid die haar steeds meer in de greep krijgt - zij is wel in nood - maar zij ziet niet wat hiervan de ware oorzaak is. Zij tracht het tij met wereldse en vleselijke wapens te keren. Hetzelfde geldt helaas voor vele kerken en kringen. Er is nauwelijks kennis over zoonschap en zoonsleven; laat staan dat men in de verwachting leeft van het volle zoonschap (BS 25/2). De nood is geen barensnood!

Eerstelingen

Romeinen 8:18-23 geldt daarom in eerste plaats voor dát deel van de schepping dat zich bewust is van de werkelijkheid in de hemel: de gemeente. Zij zal als eerste en ook lange tijd als enige hopen op het openbaar worden der zonen Gods, op verlossing van de vruchteloosheid en bevrijding van de vergankelijkheid. Zij zal als eerste en voorlopig ook als enige in werkelijke barensnood komen en in al haar delen zuchten in de verwachting van het volle zoonschap. Zij gaat de schepping in alles vóór: in hopen, wachten en reikhalzend verlangen, in zuchten en barensnood, in openbaring van de heerlijkheid Gods. Zij baart de ‘eerstelingen’ onder Gods schepselen (Jac.1:18).

Strijd opnemen

De gemeente dient zich daarom scherp van de wereld rondom haar te onderscheiden, vooral in de hemel. Zij dient door de Geest te (blijven) leven en met geestelijke wapens de strijd op te nemen tegen alles wat haar van geestelijk ‘zwanger-worden’ wil afhouden. Tegen alles wat de geestelijke zwangerschap wil afbreken. En zeker als de baring dichterbij komt, zal zij in de kracht en vrijheid van haar Heer de strijd dienen op te nemen tegen de vijand die deze baring wil tegenhouden om de ‘vruchteloosheid’ in stand te houden. Tegen de draak die voor de vrouw staat die baren zal, om, zodra zij haar kind gebaard heeft, dit te verslinden (Op.12:4b). Vanuit het rijk der duisternis wordt alles in het werk gesteld om het openbaar worden van de zonen Gods in de gemeente te verhinderen en het gaan functioneren van deze zonen Gods in de schepping te verijdelen.

Genade

Wat een bijzondere plaats en taak geeft God aan de gemeente van Jezus Christus te midden van zijn schepping. Wat een rijkdom van genade schenkt Hij haar bij het innemen en invullen hiervan. In het beeld uit Openbaring 12 wordt de vrouw met de zon bekleed: in de geestelijke ontwikkeling komt Gods heerlijkheid steeds meer over haar. Zij mag staan op de maan: vast en onwankelbaar gefundeerd raken in Christus en volledig doortrokken worden van Hem. Zij krijgt een krans van twaalf sterren op haar hoofd: zij mag het evangelie van de apostelen en profeten verwerken en gestalte laten aannemen in denken, doen en leven. Onder leiding van Jezus, haar Heer, mag zij de eerstelingen voortbrengen en de volheid van God tevoorschijn laten komen. Vanuit haar midden zal de redding en verlossing over de wereld uitgaan.

Dit gebeurt indien zij - in verbondenheid met Jezus - weerstand biedt in de boze dag en haar taak geheel vervullende, stand houdt (naar Ef.6:13). Dan baart zij een mannelijk wezen (Op.12:5a), overwint zij de draak (vs.9) en verschijnt het heil, de kracht en het koningschap van God vanuit de hemel op aarde (vs.10).

Medeverantwoordelijk

Wat een verantwoordelijkheid geeft God in deze heilsopenbaring aan de gemeente van Jezus. Het gebeurt niet aan haar, maar mede door haar; als kostelijke vrucht van haar innige relatie met Jezus Christus. Zij is volledig betrokken bij de invulling van dit visioen en medeverantwoordelijk voor de vervulling ervan. Zij dient te leven vanuit de genade die God geeft, krachtig te zijn in haar Heer en in de sterkte van zijn macht. Zij dient de hele wapenrusting Gods aan te doen en met alles wat in haar is mee te werken aan de verwezenlijking van Gods bedoeling ten aanzien van mens en schepping. Zij dient haar Heer in zachtmoedigheid en afhankelijkheid te volgen, door alle hemelen heen.

Van klein naar groot

De openbaring van heerlijkheid Gods begint op grond van het voorgaande in het ‘kleine’ en ‘verborgene’, in een relatief kleine groep mensen, zeker als je dit in verhouding ziet ten opzichte van een hele schepping. Zo gaat het altijd in Gods Koninkrijk, leert Jezus: door groei en ontwikkeling werkt het van klein naar groot; dit is kenmerkend voor het leven Gods. Het begint als een mosterdzaadje, het kleinste van alle zaden; maar het wordt groter dan alle tuingewassen: het groeit uit tot een boom (Mat.13:32). Het begint als een klein beetje zuurdesem; maar het blijkt in staat te zijn een groot vat met drie maten meel (ruim 40 l) geheel te doorzuren (Luc.13:21).

Deze lijn zie je steeds weer. In je eigen leven: het begint in je hart en werkt van binnen naar buiten. In de ontwikkeling binnen de eigen gemeente, in de groei naar het volle zoonschap: het begint in de kern en werkt door naar het geheel. En zo gaat het dus ook wanneer de zonen Gods openbaar komen in een schepping-in-nood. Zij geven gestalte aan het begin van de wederoprichting aller dingen.

Kwaliteit

Wij hoeven in deze fase van de geestelijke ontwikkeling die aan de baring van het volle zoonschap Gods voorafgaat daarom niet te letten op aantallen, op grootte en omvang van de (plaatselijke) gemeente, alsof het dáárvan afhangt. Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke, zegt Jezus, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven (Luc.12:32). Al vormen jullie maar een klein groepje; jullie Vader is zo goed geweest zijn Koninkrijk voor je open te stellen (HB). En dáár gaat het om; dát is bepalend.

Het gaat in eerste instantie niet om kwantiteit maar om kwaliteit. De kwantiteit komt voort uit de kwaliteit. Dit ligt in lijn met wat in BS 25 reeds is opgemerkt: het gaat om de instelling in plaats van de doelstelling, om de relatie in plaats van de prestatie. Het werk van Jezus gaat door vanuit de hartegesteldheid die God welbehaaglijk is. Het doel van God wordt bereikt in de relatie met zijn Zoon Jezus Christus.

Hoop én barensnood

In deze hartsverbondenheid met Hem leidt Jezus eerst zijn gemeente uit, verlost Hij ons als eersten van de vruchteloosheid en bevrijdt Hij ons van iedere vorm van dienstbaarheid aan de vergankelijkheid. De Zoon van God voert allereerst zijn gemeente tot zijn volheid en heerlijkheid, tot de vrijheid van de heerlijkheid der zonen Gods.

Als leden van het lichaam van Christus mogen wij met reikhalzend verlangen uitzien naar het openbaar worden van het volle zoonschap in ons leven - de kostelijke vrucht van het leven door de Geest - terwijl we deelhebben aan het proces dat hiertoe leidt. De hoop waarover Romeinen 8:21 spreekt, mag onze hoop zijn. Dit bijbelse hopen en verwachten draagt geen enkele onzekerheid in zich. Het is verankerd in het vaste vertrouwen: wat God zegt, gebeurt. In de geloofszekerheid: Jezus werkt dit door de Geest in ons leven uit.

Tegelijkertijd merken we dat we in dit wordingsproces nog ergens ‘doorheen’ moeten. Wij ervaren de weerstand vanuit het rijk der duisternis, we beleven soms al iets van die ‘weeën’ die aan de baring vooraf gaan. Wij komen langzaam maar zeker in de ‘barensnood’ waarover de Schrift spreekt. Ook in Romeinen 8:22 doelt Paulus in eerste instantie op de gemeente: op hen die de Geest als eerste gave hebben ontvangen (vs.23); hij spreekt over ons!

Weeën

Weeën treden op in de laatste fase van de zwangerschap en komen tot een hoogtepunt bij de baring. Zij duiden op de pijn en de smart die gepaard gaat met het samentrekken van de baarmoederspier. Het zijn vaak de eerste symptomen van de komende bevalling.De bijbel spreekt over deze weeën (bv. Jes.13:8, 21:3, 1Thes.5:3). Niet alleen in het natuurlijke leven; ook bij het geestelijke baren (Gal.4:19, Op.12:1-6).

Komen deze ‘weeën’ van God? Hoort ‘barensnood’ bij het leven zoals God het heeft geschapen? Ik geloof van niet. De noodzakelijke spiercontracties kunnen ook zonder pijn verlopen. De benodigde ‘kracht om te baren’ kan ook in ruime mate aanwezig zijn, of je gegeven worden (zie Jes.37:3, Dan.10:16-19). Weeën en barensnood getuigen van het ‘oerverzet’ van het rijk der duisternis tegen het nieuwe leven. Alsook tegen het openbaarkomen van geestelijke volheid in het leven van mensen. Zolang het rijk van Satan nog bestaat en werkzaam is, zullen deze weeën en barensnood er zijn.

Oorspronkelijke

Van oorsprong bedoelt God dat mensen in zijn tegenwoordigheid, in volledige rust en blijdschap, met kracht des Heren kinderen baren. Hetzelfde mag gezegd worden van het baren in de geestelijke wereld. Zwanger worden en baren hoort bij het leven; de moeite van de zwangerschap en de smart bij het baren niet. Deze bijkomende verschijnselen komen pas na de zondeval tot uiting (Gen.3:16).

Met het binnentreden van Satan en Dood in de wereld en het leven van de mens is het normale en oorspronkelijke verloren gegaan. Wel verwijst de Schrift nog in ‘bedekte termen’ hiernaar: Zou Ik ontsluiten en niet doen baren? zegt de Heer. Of ben Ik één die doet baren en toesluit? zegt uw God (Jes.66:9).

Tevens biedt het leven van Jezus ons zicht op het baren zoals God het van den beginne bedoelt. Op het moment dat Jezus Zich in water en heilige Geest laat dopen, zalft God Hem in volstrekte rust tot Christus en Heer. God ontsluit op dat moment in Jezus het volwassen leven Gods. Jezus baart als eersteling de vrucht van de Geest: de mannelijke rijpheid, de mens Gods in volheid (Stb.72/2).

Dit voorbeeld toont aan hoe God mensen tot geestelijke vol(wassen)heid wil brengen: hen dopen en vervullen met heilige Geest en hen voeren tot de baring van het volle zoonschap in volkomen vrede en in kracht door Hem verleend.

Ontworstelen

Zo beleven wij het helaas niet meer, noch in het natuurlijke, noch in het geestelijke. Wij dienen ons gaandeweg te ontworstelen aan hem die de geestelijke zwangerschap wil bemoeilijken en de baring van het volle zoonschap wil voorkomen. Persoonlijk, in eigen leven. Tezamen, in ons gemeenteleven. Dit is dus geen strijd tegen onszelf of tegen situaties en omstandigheden, maar tegen de weerhouder, de geest die de moederschoot van de gemeente wil toesluiten. We hoeven hierbij niet te zoeken naar tekortkomingen in onszelf, in de gemeente of in de boodschap. Het gaat erom te blijven staan in Christus, méé te gaan in alles wat Hij ons door heilige Geest als gemeente aanreikt en dóór te gaan in alles wat reeds bereikt is. Om door de Geest het spoor te houden, te midden van al het verzet dat zich in de geestelijke wereld aandient (naar Fil.3:16, Gal.5:25).

Weerhouder

Wie is deze geest, deze weerhouder? Welke macht wil onze geestelijke moederschoot toegesloten houden? Wie moeten wij in het zoonsleven passeren op de weg naar het volle zoonschap? Belial, de schender van de goddelijke levensorde (2Cor.6:15, Bijbel met Kanttekeningen); de schender van de goede orde die God ook voor het baren heeft ingesteld.

In Studieblad 59-62 komt naar voren dat Belial op dit moment de belichaming is van de antichristelijke geest, de geest die het op de gemeente heeft gemunt en zich met name verzet tegen de baring van het volle zoonschap in haar. Als grootvorst van wetteloosheid en weerspannigheid vormt hij de feitelijke kop van het beest uit de zee (Op.13:1).

Hierdoor krijgen vooral de eerstelingen met hem te maken. Zij bemerken in hun leven steeds meer van zijn aanwezigheid en werkzaamheid.

Jezus gaat voorop

Het is voor deze eerstelingen van belang te beseffen dat niet Belial bepalend is in de laatste fase van de geestelijke zwangerschap maar Jezus, onze Heer. Tegenover elke ontmoediging van Belial staat een bemoediging van Jezus. Tegenover iedere ontkenning en verwerping staat bevestiging en waardering. Tegenover elke veroordeling staat vrijspraak. Bij ieder hartgrondig ‘nee’ van Belial klinkt een volmondig ‘ja’ van Jezus. Onderscheid dit in je hemel en leer je volledig te richten op je Heiland en Heer. Indien je op een bepaald moment zwak bent of valt, versterk je dan in Hem en sta in zijn kracht direct weer op. Je hoeft je voor de aantijgingen van de vijand niet te schamen; je mag je onder leiding van Jezus op ieder terrein aan de invloed van Belial gaan onttrekken.

Het positieve van onze Leidsman staat niet alleen tegenover het negatieve van Belial; het gaat er ook aan vooraf. Jezus reageert niet op de activiteiten van de vijand; Belial komt op tegen het werk van onze Heer! Jezus voert ons in goddelijke orde tot de baring van het volwassen leven Gods, ondanks al het verzet van de schender van deze levensorde. Hij werkt in ons met heilige Geest, bewerkt de ontsluiting en geeft kracht om te baren. Samen met Jezus zullen we daarom de weeën trotseren, Belial passeren en tot baring komen.

Zuchten

Romeinen 8:23 spreekt over ‘zuchten’ in de verwachting van het (volle) zoonschap. Evenals bij het baren in de natuurlijke wereld kun je met dit ‘zuchten’ de weeën die aan de geestelijke baring vooraf gaan, enigszins ‘opvangen’. Zo’n zucht geeft ‘lucht’, het brengt je in de ruimte van het Koninkrijk Gods. Je vestigt je aandacht op de werkelijkheid van Christus; je ademt zijn kracht in en uit. De Geest Gods werkt.

Dit goede, geestelijke zuchten kunnen we van Jezus leren. Niet alleen door er kennis van te nemen, maar ook door praktische oefening. Evenals in de natuurlijke wereld kunnen we deze ervaring vooraf opdoen.

Jezus zucht

De bijbel geeft ons enkele voorbeelden. In Marcus 7:31-37 geneest Jezus een doofstomme man. Hij ziet op naar de hemel en zucht en zegt: Effata, dat is: word geopend! Met het ‘zuchten’ doorbreekt Jezus in de hemel de macht die de oren en de tong van de man blokkeert. Hij opent - ontsluit - zijn vermogen om te horen en te spreken. De man komt tot een ‘nieuw’ leven. Het zuchten leidt in dit voorbeeld tot een doorbraak.

In Marcus 8:12 staat: En Hij, diep zuchtend in zijn geest, zeide: Waartoe begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Aan dit geslacht zal voorzeker geen teken gegeven worden. Met het zuchten vangt Jezus op dat moment alleen de druk op die in de geestelijke wereld op Hem afkomt. Hij bemerkt het geheel van duistere werkingen in de discussie met de Farizeeën. Hij ervaart het vrome, weerspannige geslacht dat Hem uitdaagt tot het geven van een teken uit de hemel. Hij beseft dat de doorbraak van het Koninkrijk hiermee niet gediend is; integendeel. Hij gaat er niet op in. Hij bewaart Zichzelf in de liefde Gods. De vijand behaalt geen enkel voordeel op Hem.

Heilig zuchten

Zo mogen ook wij leren zuchten wanneer wij in onze hemel geconfronteerd worden met het taaie verzet van Belial en zijn trawanten. Met dat geslacht van wetteloze en weerspannige geesten dat ons hart wil afsluiten voor de werking van de Geest Gods, ons leven wil toesluiten voor de baring van de vrucht van deze Geest. We mogen met Jezus opzien naar de hemel en samen met Hem uitzien naar een verdere opening en doorbraak, naar een volledige ontsluiting en de hierop volgende baring van het volle zoonschap.

Dit zuchten betreft een puur geestelijke activiteit. Concentreer je op wat bij de Heer aan de orde is. Bewaar jezelf in de liefde Gods. Onttrek je in de vrede Gods aan de invloed en het klimaat van het rijk der duisternis. Verdraag de moeite, aanvaard het lijden in de kracht Gods. De ene keer leidt dit tot een doorbraak; de andere keer tot het pareren van en standhouden in de druk.

Dit zuchten heeft niets te maken met ‘klagen’ en ‘kreunen’. Het is een ‘heilig’ zuchten, ontdaan van al het negatieve en destructieve. Jezus komt ons hierin te hulp: in de Geest zucht Hij met ons mee en vult Hij aan wat wij in onze zwakheid tekort komen (naar Rom.8:26). Wat een bijzondere genade geeft Hij ons hierin.

Door de weeën heen

In verbondenheid met Jezus kunnen wij door alle weeën heen komen: in kracht door Hem verleend, gericht op wat Hij bezig is te doen. Kenmerkend voor zo’n wee is enerzijds de tegenstand die behoorlijk kan oplopen en anderzijds de stuwende kracht in wat de Heer doet om hogerop te voeren.

Je kunt deze weeën niet ‘weg’ bidden; ze zijn er omdat het rijk der duisternis er nog is. Wel kun je bidden om volharding en geduld om samen met Jezus tot volle heerlijkheid te komen. Roem te midden van de weeën in Hem en beijver je om je roeping en verkiezing te bevestigen (2Pe.1:10). Neem het op tegen de antichristelijke geest die je in de hemel van je plaats wil dringen. Volg het Lam waar Hij ook (door)heen gaat (Op.14:4), in volle overtuiging dat je door Hem méér dan overwinnaar bent. Daarin lever je jouw aandeel in het passeren van Belial als gemeente.

Omwenteling

De gemeente komt tot baring, zegt Openbaring 12:5. De volwassen zonen Gods komen openbaar. De uitkomst van het proces van vruchtvorming staat vast, in weerwil van alle barensnood: Christus verschijnt in de zijnen.

Wat een vreugde brengt dit teweeg in het Koninkrijk Gods en in de gemeente van Jezus Christus. De engelen juichen en zetten zich vol vreugde in om deze eerstelingen bij te staan in het invullen van hun bediening ten aanzien van mens en schepping.

In de heilsgeschiedenis vormt deze doorbraak het begin van het definitieve einde van de duivel en zijn rijk: een point of no return. Er vangt een geweldige periode aan waarin velen tot volwassen leven Gods komen. In de tijd die volgt, overwint de gemeente de dood, in navolging van Jezus die dood en dodenrijk heeft overwonnen. De wederoprichting aller dingen krijgt zijn beslag. Met als resultaat: een nieuwe hemel en nieuwe aarde (Op.21:1). We zullen dit verder uitwerken in de bijbelstudies over het boek Openbaring.

Vreugde

Het leven door de Geest biedt niet alleen vreugde na de baring van het volle zoonschap (zie BS 24/8). Ook nu reeds mogen wij deel hebben aan al het goede van onze goede God, aan de overvloedige vertroosting van Christus in tijden van verdrukking (2Cor.1:5). Het lijden van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard wordt (Rom.8:18). Onze droefheid zal steeds weer tot blijdschap worden (Joh.16:20).

Wat een voorrecht om in deze tijd als gemeente van Jezus te leren om door de Geest te leven. Bereid u daarom toe en wees verheugd, opdat Jezus in u wordt gezien. Het ligt besloten in Gods plan: wij zullen zijn als Hij. Bereid u toe, wees verheugd dat uw leven het beeld wordt van Hem!