De eerste bazuin

Inleiding

Bij de opening van het zevende zegel ontvangen de zeven engelen die voor Gods troon staan een bazuin (Op.8:2 NBV). Na een half uur stilte maken zij zich gereed om te bazuinen (vs.6), maken zij aanstalten om op deze bazuinen te blazen (NBV).

Openbaring 8 t/m 11 beschrijft het blazen van deze bazuinen. Johannes ziet de verdere ontwikkeling in zeven fasen verlopen. Daarin bereikt zowel het positieve als het negatieve proces zijn voleinding. Hij ziet waar het in deze (eind)tijd op uitloopt: de totale overwinning van Jezus Christus en zijn gemeente.

Johannes ziet en hoort nog méér over deze enerverende tijd: de visioenen in hoofdstuk 12 t/m 19. Deze beschrijven dezelfde geestelijke ontwikkelingen vanuit andere gezichtshoeken. Dat completeert het beeld van het zevende zegel (BS 28/2).

Bazuinen

In de bijbel gaat het blazen op bazuin of ramshoorn (Hebreeuws: sjofar) gepaard met een oproep of een proclamatie. In tijden van oorlog om het leger te verzamelen en op te roepen tot de strijd (Richt.6:34, Jes.18:3). Als een teken voor aanval of terugtocht (2Sam.20:22). Of om het krijgsgeschreeuw te versterken (Am.2:2). Bij het innemen van Jericho blazen de priesters op ramshoorns en heft het hele volk een luid gejuich aan (Joz.6:4,5). In tijden van gevaar wordt de bazuin gebruikt om het volk te waarschuwen (Ez.33:3).

De sjofar is ook verbonden met de eredienst. In het jubeljaar moet op Grote Verzoendag in heel het land de ramshoorn luid schallen (Lev.25:9 NBV). Evenals bij de aankondiging van de nieuwe maan, het joods nieuwjaarsfeest (Lev.23:24, Ps.81:4). De bazuin roept het volk dan bijeen voor een heilige samenkomst (Num.29:1). Het overbrengen van de ark naar Jeruzalem vindt plaats onder gejuich en stoten op de ramshoorn (2Sam.6:15).

Ook bij belangrijke gebeurtenissen blaast men in Israël op de sjofar. Als Salomo de troon bestijgt, klinkt de bazuin en roept men: Leve de koning (1Kon.1:34). Na de zalving van Jehu blaast men op de ramshoorn en roept: Jehu is koning (2Kon.9:13).

De sjofar komt voor in visioenen en profetieën. Psalm 47 beschrijft de hemelvaart van Jezus Christus. Dit gebeurt onder gejuich en bazuingeschal (BS 6/8). Profeten spreken over bazuinen bij de aankondiging van de dag des Heren (Joël 2:1,15; Sef.1:16). Over een ‘grote bazuin’ in verband met de terugkeer van het volk naar de heilige berg in Jeruzalem (Jes.27:13).

Intermezzo

Na de verwoesting van de tempel blijft de sjofar in de synagoge in gebruik om de sabbat aan te kondigen. Nog steeds kun je in Israël het geluid van de ramshoorn horen: op Rosj Hasjana, het joodse nieuwjaarsfeest, en Jom Kipoer, Grote Verzoendag.

Signalen

De sjofar is geen melodie- maar een signaalinstrument. Het blazen op de bazuin wijst op een luid en duidelijk spreken. Op een belangrijke bekendmaking. Op een heldere en concrete oproep. Het spreken van God tot het volk - en met name tot Mozes - wordt ingeluid en begeleid door zeer sterk bazuingeschal (Ex.19:16-19). Jesaja zegt: Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin (58:1). Jeremia profeteert: Maak bekend in Juda, laat horen in Jeruzalem, beveel: Blaas de ramshoorn in het land! Roep luid: Verzamelen (4:5)! Paulus schrijft: Indien de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot de strijd (1Cor.14:8)?

Duidelijk geluid

Na de opening van het zevende zegel klinkt er vanuit de hemelse tempel - de gemeente van Jezus Christus - zevenmaal een bazuinsignaal. Gaat er zevenmaal een helder en duidelijk geluid in hemel en op aarde uit van Hem die op de troon zit en van het Lam. Om tijden en gelegenheden aan te kondigen, op te roepen tot strijd, te waarschuwen voor gevaar, bijeen te roepen voor een heilig samenzijn, te verzamelen voor belangrijke gebeurtenissen. De dag des Heren breekt aan. Ieder die wil, mag komen naar de berg des Heren, zich voegen bij het volk van de ware koning, Jezus Christus.

De zeven bazuinen geven zicht op de positieve en negatieve ontwikkelingen in de tijd van het zevende zegel. Zij laten zien wat er gebeurt voordat Jezus Christus bij de laatste bazuin wederkomt.

Vanuit de gemeente

Deze bazuinsignalen klinken vanuit de gemeente. Zij zijn te horen in hemel en op aarde. Engelen en mensen dragen de boodschap uit. De zeven engelen voor Gods troon: de engelen van de gemeenten - en daarmee alle engelen die bij de gemeenten behoren. En ook de gemeenten zélf: alle leiders en alle leden van Jezus’ lichaam op aarde in wie het zevende zegel opengaat (BS 42/9). Op aanwijzing van de Heer laten zij zevenmaal een helder en duidelijk geluid horen, kondigen zij de verdere ontwikkelingen aan, maken zij bekend wat Jezus Christus gaat doen.

Dit getuigt van intense verbondenheid tussen hoofd en leden in deze eindfase van het werk van Jezus Christus. Alsook van algehele inzet vanuit Gods Koninkrijk. Het Lam opent de zegels; de gemeente blaast op de bazuinen. Het Lam opent het zevende zegel in zijn gemeente (BS 41,42). De verwerkelijking van dit laatste zegel geschiedt door zijn gemeente. De heilige engelen werken voluit mee. Zij dragen op specifieke wijze bij aan de voleinding van Jezus’ werk.

Aandeel van de gemeente

Deze eenheid tussen Jezus en zijn gemeente ontstaat in de toebereidingsfase tijdens het zesde zegel. Zij komt na de opening van het zevende zegel tot volheid. In de eindtijd komt Jezus’ gemeente centraal te staan in de verdere ontwikkeling. Het gaat om wat zij zegt en doet - onder leiding van haar hoofd. Om wat zij bewerkt en bereikt - in de kracht van haar Heer. Om haar overwinningen op het rijk van Satan en Dood - in de naam van Jezus. Om de openbaring van het volle leven Gods in haar - in de relatie met Jezus. Alle ontwikkelingen in hemel en op aarde zijn daarvan afhankelijk.

Toebereiding

Laten wij daarom vol geloof en liefde ingaan op de uitnodiging van Jezus hogerop te komen en verder te groeien naar Hem toe. Zicht te krijgen op waar Hij met ons naar toe werkt. Besef te krijgen van de plaats en verantwoordelijkheid die Hij ons hierbij geeft. Laten wij ons toebereiden op het volledig functioneren als lichaam van Christus. Op het baren van het volwassen zoonschap in ons leven, het openbaar komen van geestelijke volwassenheid in de gemeente. Dan kan Jezus het laatste zegel in zijn gemeente openen en zullen wij tijdens de zeven bazuinen het vervolmaken van de gemeente beleven en naar de verheerlijking van de gemeente toeleven. Wat een genade van God en Jezus komt hierin openbaar!

De eerste bazuin

Toen blies de eerste engel op zijn bazuin. Er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen. Een derde deel van de aarde brandde af, evenals een derde deel van de bomen en al het groen (Op.8:7 NBV).

In enkele woorden beschrijft Johannes hier de gevolgen van het eerste bazuinsignaal in hemel en op aarde, van de eerste oproep vanuit Jezus’ gemeente. De inhoud van deze boodschap wordt niet meegedeeld. Het visioen dat Johannes ontvangt, laat alleen de (negatieve) gevolgen zien.

Evenals bij de opening van de zegels zijn deze negatieve uitwerkingen ook hier een reactie op de positieve ontwikkelingen. Er gebeurt iets heel moois en krachtigs in de gemeente als er zoveel negatief geweld op volgt.

Parallelgedeelte

Openbaring 12 geeft aanvullende informatie. Johannes ziet een groot en indrukwekkend teken in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd (vs.1 NBG/NBV). We hebben dit beeld van Jezus’ gemeente al eerder aangehaald. Door het openen van de boekrol werkt de Heer hiernaar toe (BS 27/11; 30/3,10; 32/1). In de tijd van het zesde zegel wordt dit werkelijkheid (BS 34/3,12; 36/1,11).

Dit beeld tekent de geestelijke situatie van de gemeente direct na de opening van het zevende zegel (BS 41/7, 42/5). Zij leeft in het volle licht; Gods heerlijkheid omgeeft haar. Deze straalt van haar af - zij is bekleed met de zon. Zij is één met Christus, staat onwrikbaar op de rots, is in Hem geworteld - zij staat op de maan. Haar denken is vernieuwd door de werking van woord en Geest. Zij is geheiligd in waarheid en wandelt in de waarheid. Zij is vol van Gods kracht en vervuld van Jezus’ evangelie dat de twaalf apostelen hebben overgeleverd - zij draagt een krans van twaalf sterren op haar hoofd. Zie voor de betekenis van zon, maan en sterren ook Bijbelstudie 36/8 en 37/1.

In barensnood

De vrouw is zwanger en schreeuwt het uit in haar weeën en haar barensnood; ze wordt gekweld in het baren (vs.2 NBV/NaB). Deze beschrijving vult het beeld aan. Deze vrouw is zwanger van het woord van Christus dat rijkelijk in haar woont (Col.3:16). De gemeente van Jezus leeft in de verwachting van het (volle) zoonschap. Na het openen van het zevende zegel komt zij toe aan de baring (BS 41/7). Ondanks alle eerdere tegenstand en de weeën, de barensnood en de kwellingen van dit moment gaat de gemeente haar eerstelingen baren. Komt het volwassen zoonsleven openbaar in deze eerstelingen.

Draak

Johannes ziet wie verantwoordelijk is voor alle moeite tijdens de baring. Hij ziet een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon (Op.12:3 NBV). Deze draak staat voor de vrouw die op het punt staat haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen is (naar vs.4b).

Deze draak is beeld van de duivel (vs.9). De vuurrode kleur tekent zijn wezen: vol wetteloosheid en verderf (BS 30/5-6). Samen met zijn grootvorsten (zeven koppen) en handlangers (tien horens) zet hij al zijn kracht in om het geestelijk tij te keren. Hij wil de vrouw intimideren door zijn verschijning. Haar kwellen door zijn acties. Met zijn koppen wil hij de vrucht in de gemeente verslinden: zich meester maken van haar eerstelingen. Met zijn staart wil hij een derde deel van de sterren des hemels meeslepen en op aarde werpen (vs.4a): de leden van het lichaam van Christus alsnog tot afval verleiden.

Verzet

Satan geeft zijn strijd tegen de gemeente niet op. Ook al is zijn plan Jezus’ werk in de zijnen te keren al bij de opening van het tweede, derde en vierde zegel in de gemeente ontmaskerd. En heeft hij na de opening van het zesde zegel veel terrein verloren in de hemel van de gemeente. Ook al zijn in het leven van de eerstelingen alle berg en eiland van hun plaats verdreven en is Belial gepasseerd. Satan zélf staat er nog; met slechts één bedoeling: de barende gemeente uit de hemel ‘wegvagen’. Ook al is in haar midden het zevende zegel opengegaan.

Vol vertrouwen

Ondanks al dit duivelse verzet blijft de vrouw staan op de maan: intens verbonden met haar Heer. Zij blijft omgeven door het stralende licht van de zon: hult zich in Gods licht en goedheid, in zijn liefde en genade. Zij weerstaat de druk van buitenaf. Zij gaat door, in volkomen vrede en vol lof en aanbidding. Zij trotseert de weeën en de pijn, houdt in de barensnood haar Heer vast. Zij laat zich niet intimideren door de grote, vuurrode draak die voor haar staat. Niet door zijn afschuwelijke koppen, noch door zijn angstaanjagende staart. Niet door wat hij zegt, noch door wat hij doet. Niet door zijn kwellingen tijdens het baren, noch door zijn plan het kind te verslinden na het baren. Zij richt zich op Jezus, vertrouwt zich volkomen toe aan Christus en ontvangt van Hem de kracht om te baren (zie BS 26/8). Zij overwint.

De bazuin klinkt

Met het blazen van de eerste bazuin voltrekt zich het wonder: de vrouw baart een zoon, een mannelijk wezen (Op.12:5). De geestelijke volwassenheid komt openbaar in de gemeente, de gelijkvormigheid aan Christus wordt bereikt. De lang verwachte doorbraak in de hemel vindt plaats. De eerstelingen komen te voorschijn, vol Geest en kracht.

Wat een moment in de heilsopenbaring. De bazuin klinkt, en terecht. Dit is een feest voor Jezus’ gemeente, voor de mensen en de engelen in Gods tempel. De nieuwe tijd gaat in.

Met deze stoot op de bazuin, deze jubelroep in de gemeente, klinkt er ook een duidelijk signaal, een krachtige roep vanuit de gemeente. Bedoeld om de mensen in en buiten de voorhof de ogen en oren te openen, bijeen te roepen in de tempel, te verzamelen voor een heilig samenleven in Christus. Dit bazuingeschal klinkt niet alleen door in de woorden van deze eerstelingen;het wordt ook zichtbaar in hun leven. Jezus Christus komt openbaar in zijn gemeente. Wordt zichtbaar voor allen die Hem zoeken, maar nog niet gevonden hebben. Ieder kan in deze eerste, volwassen zonen van God het beeld van de Zoon van God zien en (h)erkennen. Ieder die wil, krijgt deel aan het doorgaande werk van Jezus Christus. En groeit ook zelf uit tot een volwassen zoon van God (BS 41/8). Er is volop genade te vinden in Jezus’ gemeente. Redding, verlossing, bescherming, genezing... leven in overvloed!

Schade

De draak reageert furieus op het baren van het volwassen zoonsleven in de gemeente. Na de donderslagen, stemmen, bliksemstralen en aardbeving (Op.8:5) komt er nu een bui van hagel en vuur (vs.7). Om zo veel mogelijk schade aan te richten. Zowel binnen als buiten de gemeente. Zowel in de tempel als in de voorhof. Rechtstreeks. Ook door mensen heen; de hagel en het vuur zijn immers met ‘bloed’ vermengd. Hij wil de jubelroep smoren, het heldere geluid van de gemeente overschreeuwen. Verder binnengaan in de tempel verhinderen. Het wonder in de hemel, het baren van het zoonschap, gaat gepaard met bloed, vuur en rookwalm op aarde (Hand.2:19): de positieve actie wordt gevolgd door een negatieve reactie.

De hagel wijst op de hardheid en de felheid van deze werkingen. Het vuur onderstreept de verwoestende kracht erin. Satan wil de ‘aarde’ beschadigen en verbranden: allen die nog (enigszins) aardsgericht leven te gronde richten. Voorkomen dat zij door het horen van de bazuin geestelijk hogerop gaan.

Volwassen gemeente

Wat staat de gemeente te doen in deze situatie? Wat is er aan de orde voor Gods zonen in haar midden? Openbaring 12 laat dit zien: de zoon wordt dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon. De vrouw vlucht naar de woestijn, naar de plaats door God voor haar gereedgemaakt. Daar wordt twaalfhonderdzestig dagen voor haar gezorgd (vs.5,6 NBV).

Spreekt de bijbel hier van twee verschillende bestemmingen? Nee. Zomin als er sprake is van twee verschillende groepen in de gemeente. De eerstelingen maken volledig deel uit van de gemeente. Zowel vóór als ná de baring. Zij maken zich niet ‘los’ van het lichaam van Christus, maar versterken de gemeente met hun volwassen zoonsleven. Juist als eerstelingen mogen zij velen de weg wijzen naar de openbaring van het volle zoonschap. Mede door hun inzet blijft de vrouw zonen baren - Openbaring 12:17 spreekt over de rest van haar nageslacht. Totdat allen de volwassenheid hebben bereikt. Totdat de hele tempel van God gereed is en gemeten mag worden (Op.11:1).

Door God bereid

De eerstelingen worden in het visioen weggevoerd naar God en zijn troon. Al vóór de opening van het zevende zegel staan zij als leden van de gemeente voor de troon van God en het Lam, en vereren zij Hem dag en nacht in zijn tempel (Op.7:15). Met het openbaar worden van de volwassenheid in hun leven mogen zij nóg hogerop komen in Gods Koninkrijk. In volheid verbonden worden met Vader en Zoon. Om vanuit deze positie met kracht en heilige Geest gezalfd op aarde rond te gaan zoals Jezus destijds.

Deze volkomen hechting aan Christus gaat gepaard met een volkomen onthechting van de aarde. Zij worden volledig afhankelijk van Gods zorg.

Hetzelfde geldt voor alle nog niet tot volheid gekomen leden van Jezus’ gemeente. Ieder dient zich los te maken van het aardse en te richten op het hemelse. Allen dienen de plaats in te nemen die God door het werk van Christus in gereedheid heeft gebracht: voor zijn troon en in zijn tempel. Zich te hechten aan Hem en te onthechten van al het overige.

In de tijd van de bazuinen vlucht de vrouw naar de woestijn. Gaat de hele gemeente in deze woestijnsituatie leven. Waar zij wordt onderhouden door God. Waar zij blijft baren. Waar zij steeds dieper verbonden wordt met God en Christus, doordat steeds meer mensen de volheid van Christus bereiken. Vanuit deze situatie klinken alle volgende bazuinen.

In hemel én woestijn

De plaats in de hemel en de plaats in de woestijn horen in de tijd van het zevende zegel bij elkaar. Zij duiden op één situatie, door God bereid. Op het leven van mensen in volle verbondenheid mét en afhankelijkheid ván God en Christus.

Denk hierbij dus niet aan een dorre, droge woestijn vol van gevaar en ontberingen. Maar aan een paradijselijke oase in de woestijn. Vol bronnen van levend water. Met (hemels) voedsel in overvloed, goed en gezond. Aan een situatie waarin God en Jezus ons alles geven om samen volledig toe te groeien naar Hem die het hoofd is: Christus (Ef.4:15b NBV). En als gemeente toe te leven naar het verkrijgen van de heerlijkheid van Christus. In deze woestijnsituatie leven we ‘los’ van de wereld, zijn we in de hemel onttrokken aan hem die in de wereld heerst. Op deze plaats is de gemeente buiten het bereik van de slang (Op.12:14c NBV).

In de gemeente van Jezus Christus is bescherming tegen ieder geweld. Is veiligheid te vinden voor ieder die in haar zijn toevlucht zoekt. Zowel tegen de hagel als tegen het vuur, met bloed vermengd. Tegen de boosaardige acties van de koppen van de draak, als tegen het onheilspellende zwaaien van zijn staart. De gemeente die haar plaats in hemel en woestijn inneemt, vertegenwoordigt Gods Koninkrijk en manifesteert zich als Gods tempel. In haar is het ware leven. Van haar gaat een heerlijke roep uit.

Tijdsduur

Openbaring 12:6 noemt een tijdsduur van twaalfhonderdzestig dagen. Dit komt overeen met de tijd dat de twee getuigen profeteren (11:3). Ook daar wordt gesproken over twaalfhonderdzestig dagen. Na het baren komt de vrouw in de woestijn en beginnen de eerstelingen als getuigen van Jezus Christus hun rondgang op aarde. Mede door hun inzet wordt het proces van ‘de tempel binnengaan’ en ‘gestalte geven aan deze tempel’ in Jezus’ gemeente voltooid. Kan Gods tempel ‘gemeten’ worden (11:1). Na de voleindiging van hun getuigenis kan de laatste bazuin geblazen worden (11:15).

In diezelfde tijd wordt de voorhof door de heidenen vertrapt: in tweeënveertig maanden (Op.11:2 - zie BS 42/3). Daarmee wordt óók een proces voltooid: de afval der heiligen (BS 37/2). Wordt de ‘scheiding van geesten’ die in het zesde zegel begint, compleet (BS 36/10, 37/10).

Openbaring 12:14 noemt eveneens de tijd die de vrouw in de woestijn doorbrengt. Nu niet als twaalfhonderdzestig dagen, maar als een tijd, twee tijden en een halve tijd: als drieënhalf jaar. Deze aanduiding komt ook voor in Daniël 7:25 en 12:7.

Overeenkomend met Jezus

De tijd tussen de eerste en de laatste bazuin duurt 3½ jaar. Dat is 42 maanden, ofwel 1260 dagen. Deze tijdsduur komt overeen met die van Jezus’ bediening. Hoewel we geen letterlijke betekenis aan deze aanduidingen toekennen - het is profetie - is de gelijkenis treffend. Het openbare optreden van de zonen van God op aarde lijkt in ieder opzicht op die van dé Zoon van God. Wat mooi. Zij getuigen van het evangelie van Jezus Christus, van de kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft (Rom.1:16). Zij roepen op: Trek uit Babel, kom los van elke verwarring en vermenging; van de geesten die dit bewerken. Voeg je in het lichaam van Christus, word vervuld van zijn Geest. Blijf niet in de voorhof hangen, ga de tempel binnen; krijg deel aan het leven in de werkelijkheid van Christus. Zij gaan als weldoeners rond en genezen allen die uit de macht van de duivel verlost willen worden (naar Hand.10:38). Zij hoeden de heidenen met een ijzeren staf (Op.12:5b): zij treden met kracht en gezag op tegen de machten die mensen gevangen houden in een leven dat niet volledig aan God en Jezus is toegewijd. Zij verlossen de mensen die Gods tempel willen binnengaan van alle machten die hen daarvan willen afhouden.

Nieuwe tijd

Met het klinken van deze eerste bazuin komt er een einde aan de ‘stilte in de hemel’. De bediening van de gemeente begint. Haar openbare optreden in volheid gaat van start. Aanvankelijk op kleine schaal: door de eerstelingen. Zij tonen als eersten het ‘volle koren in de aar’. Zij vertegenwoordigen het eerste volle koren in de aren van het korenveld.

Naarmate de tijd verstrijkt komen steeds meer volwassen zonen Gods openbaar in de gemeente van Christus. Het feestelijke geluid van de sjofar blijft klinken in de tijd van het zevende zegel. Steeds opnieuw, bij elke nieuwe geboortegolf van volwassen zonen Gods. Totdat het hele korenveld rijp is, het volle koren in alle aren zichtbaar is. Totdat de oogsttijd aanbreekt (Op.14:14 -15).

Volwassenheid

Geestelijke volwassenheid is vrucht van geestelijke groei, resultaat van het opengaan van de zeven zegels in het leven van gelovigen. Het reikt verder dan de (geestelijke) mondigheid die door het opengaan van het zesde zegel wordt bereikt (BS 34/10). Volwassenheid wijst op volledige rijpheid, op een situatie waaraan niets meer ontbreekt. Je bent dan geheel vervuld van heilige Geest en tot alle goed werk volkomen toegerust (2Tim.3:17). Je bent dan gelijkvormig geworden aan het beeld van de Zoon (Rom.8:29).

Deze volwassenheid is mens-specifiek. Gods volheid komt openbaar in ieders eigenheid. Dit manifesteert zich op velerlei niveau, geheel passend bij degene in wie de volle vrucht van de Geest te voorschijn komt. Ieder is juist dán volledig zichzelf. Ieder gaat in volheid functioneren op zijn plaats in het lichaam van Christus. Met inzet van zijn specifieke, tot volheid uitgegroeide geestelijke gaven. Iedere zoon van God is uniek. Wel lijkt ieder op Jezus: allen worden het evenbeeld van Gods Zoon (Rom.8:29 NBV). Onder leiding van hun hoofd geven zij met elkaar op volwassen wijze gestalte aan het lichaam van Christus.

Geen eindpunt

De volwassenheid die de eerstelingen met het blazen van deze eerste bazuin bereiken, is geen eindpunt in de geestelijke ontwikkeling. Het is een uitgangspunt voor de verdere ontwikkelingen tijdens het zevende zegel. Het gaat aan op de verheerlijking, op het deel krijgen aan de heerlijkheid van Christus. Dit gebeurt bij zijn wederkomst, bij het blazen van de zevende bazuin.

Je kunt de situatie van de eerstelingen in zekere zin vergelijken met die waarin Jezus verkeert na zijn doop in water en heilige Geest (bij de Jordaan) en voor zijn doop in vuur (tijdens de verzoekingen in de woestijn). Na de eerste bazuin volgt ook een beslissende confrontatie met Satan - hierover ‘spreekt’ de tweede bazuin. Net als Jezus zullen ook zij de vuurdoop ondergaan. Voor hen gaat het dan om de volmaakte keuze het Lam te volgen, waar Hij ook heengaat. Dit besluit brengt het ja van hun waterdoop op het niveau van het ja van Jezus in zijn waterdoop (Stb.70/1,6). In hun volwassenheid komt dan ook de volmaaktheid naar voren.

Dankbaar

Wat een tijd breekt er in de gemeente aan met opening van het zevende zegel, met het blazen van de eerste bazuin. Wat een plaats en verantwoordelijkheid krijgt de gemeente in die fase van de voltooiing van Jezus’ werk. We mogen daar nu reeds zicht op krijgen. Met het verder opengaan van de boekrol zal de Heer ons hier nog méér zicht op geven, ons dieper inleiden in zijn tempel en hogerop voeren in zijn Koninkrijk. Ons persoonlijk en tezamen volledig toerusten voor dit functioneren als volwassen zonen van God in deze wereld.

Open je hart hiervoor. Blijf zoeken naar het meerdere en diepere in de dingen van boven. Kom hogerop in de hemelse werkelijkheid. Leer de stem van de Heer herkennen, in elke situatie; nu en straks. Wijd je toe aan Jezus, aan zijn lichaam, de gemeente. Samen met de heiligen met wie je in Christus verbonden bent.

Bereid je toe met een dankbaar hart. Verheug je in de genade die God schenkt, die jouw deel wordt in de gemeenschap met Jezus, zijn Zoon. Benut de mogelijkheden van het zesde zegel. Leef toe naar de opening van het zevende zegel. Het loopt op overwinning uit: in hemel en op aarde. Het zal gezien worden: het leven Gods komt in ons openbaar!