De bediening van Jezus Christus (8)

Inleiding

De grote sabbat van het Paasfeest - Nisan 15 - is voorbij. De avond is gevallen, de eerste dag van de nieuwe week - Nisan 16 - is ingegaan: de dag waarop het weergaloos grote heilsfeit van de opstanding van Jezus Christus uit de doden zou gaan plaatsvinden.

Voor het graf staan soldaten op wacht; zij moeten op last van Pilatus erop toezien dat daar niets 'ongeregelds' plaatsvindt.

In Jeruzalem hebben de vrouwen in diepe rouw alle voorbe­rei­dingen getroffen om het lichaam van Jezus te gaan zalven; zij zijn van plan om de volgende ochtend in alle vroegte naar het graf te gaan en de laatste eer aan hun geliefde Rabbi te bewijzen. Niemand van hen bevroedt wat juist die dag hun aan nieu­we, hemelse vreugde zou gaan brengen.

Hetzelfde geldt voor de diep bedroefde discipelen van Jezus. Het sterven van hun Meester heeft ook hen totaal 'overval­len' - ondanks de meerdere aankondigin­gen vooraf. Al hun verwachtingen zijn de bodem in geslagen.

Het verdriet van de vrouwen en discipelen is overstel­pend; niemand herinnert zich de woorden van Jezus dat Hij ten derde dage zou opstaan; anders zouden ze zich wel rondom het graf van Jezus hebben verzameld om Zijn glorieuze opstanding van 'dichtbij' mee te maken.

7. Van de opstanding tot de hemelvaart

We zullen in dit artikel het verloop van de gebeurtenissen vanaf zondag Nisan 16 tot en met de hemel­vaart van onze Heer - een periode van 40 dagen - vanuit de vier evangeliën volgen. Het is de laatste episode van Zijn leven en werk op aarde (zie Stb.73 blz.2). Daarmee zal deze serie over 'de bediening van Jezus Christus' worden afgesloten.

Opstanding

Tegen het aanbreken van de ochtend, vlak voor het begin van de dageraad - en daarmee dus in het donkerste gedeelte van de nacht - ontstaat er een zware aardbeving en daalt een engel des Heren uit de hemel neer. Zijn uiterlijk is als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. De steen die het graf van Jezus afsluit, wordt afgewenteld; de engel zet zich daarop neer (Mat.28:2,3).

Deze beschreven gebeurtenissen hebben de opstanding van Jezus Christus uit de doden begeleid. Zij vormen een weergave van wat zich op dat moment in de geeste­lijke wereld aan het voltrekken was. Daar verbrak Jezus door de kracht Gods de weeën van de dood; het rijk des doods kon Hem niet vasthou­den (naar Hand.2:24). Hij beroofde de dood van diens kracht en kwam als overwinnaar te voorschijn uit het machtsgebied van de beheersers van dit rijk. Hij bracht daarbij onvergan­kelijk leven aan het licht (naar 2Tim.1:10).

Consternatie

Wat een consternatie moet dit teweeg hebben gebracht in het dodenrijk: de 'diepte der aarde' werd geschud in al haar delen: de beschreven aardbe­ving was er het gevolg van. Het licht van het leven doorbrak het diepste duister van de dood: de 'bliksemflits' tegen het aanbreken van de dag vormde er een beeld van. De poorten van het dodenrijk werden van binnenuit opengesto­ten: de afgewentel­de steen leverde daar het bewijs van. De Levensvorst verrees!

Als doden

De wachters raken van schrik bevangen; ze worden als 'doden'. Ze vluchten vervolgens in paniek weg, ontredderd en ontgoocheld (Mat.28:4). Zij zullen iets ervaren hebben van de ontreddering en ontgoocheling die de 'poort­wachters' van het dodenrijk inclusief hun koning en onderkoning - Dood en Apollyon - hebben moeten ervaren, toen zij niet bij machte bleken te zijn om de Zoon van God in Diens zegetocht door het dodenrijk tegen te houden. We zullen op deze dingen nog terugko­men bij de beschrij­ving van de inhoud van het werk van Jezus Christus.

Vrouwen

Kort hierop komen de vrouwen die reeds in de allereerste ochtendschemering vanuit Jeruzalem op weg waren gegaan, bij het graf aan. Zij zien dat de steen is afgewenteld. Eén van hen, Maria van Magdala, keert onmiddellijk terug naar Jeruzalem om dit treurige feit aan Petrus en Johannes mee te delen. Zij verkeert in de gedachte dat het lichaam van Jezus is gestolen.

De andere vrouwen lopen door tot aan het graf, waar hun op dat moment twee engelen verschijnen. Eén van hen zegt: Wees niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; kom, zie de plaats, waar Hij gelegen heeft. Zeg Zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien.

Op de terugweg naar Jeruzalem verschijnt Jezus zèlf aan hen. In aanbidding grijpen zij Zijn voeten. Dan zegt Jezus: Wees niet bevreesd. Ga heen en bericht Mijn broeders dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien (Mat.28:1 en 5-10, Mar.16:1-8 en 12-13, Luc.24:1-8, Joh.20:1).

Petrus en Johannes

Maria van Magdala is ondertussen bij Petrus en Johannes aangekomen. Naar aanleiding van haar verhaal gaan deze discipelen gehaast op weg om zelf onderzoek te doen. Maria van Magdala volgt op afstand.

Na het zien van het lege graf met de windsels en de opgerolde zweetdoek, gaat Johannes voor zichzelf in de opstanding van Jezus geloven. Samen met Petrus keert hij daarop terug naar Jeruzalem (Luc.24:12, Joh.20:2-10).

Maria van Magdala

Maria van Magdala is inmiddels voor de tweede keer - en nu alleen - bij het graf aangekomen. Ook zij ziet nu de engelen, maar de werkelijkheid dringt niet tot haar door; zij blijft wenen. De engelen vragen haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zegt: Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben.

Omdat Maria iemand achter zich ziet staan, draait zij zich om. Menende dat het de hovenier is, vraagt ze: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen.

Met één woord doorbreekt de opgestane Heer de geestelijke sluier die zich hardnekkig rondom deze vrouw wil handhaven: Maria!

Dan opeens herkent Maria haar Heer. Zij valt in aanbidding voor Jezus neer: Meester! Ook zij krijgt van Jezus een boodschap mee voor de discipelen: Ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, naar Mijn God en uw God (Mar.16:9, Joh.20:11-17).

Wachters omgekocht

De wachters hebben in de tussentijd de overpriesters en oudsten op de hoogte gebracht van de dingen die tegen het aanbreken van de dag bij het graf hebben plaatsgevon­den. Na overleg besluiten de leidslieden van het volk de soldaten veel geld te geven en ze in ruil daarvoor te vragen om een valse boodschap te verspreiden onder de mensen: Zeg dat zijn discipelen des nachts zijn gekomen en Hem hebben gestolen, terwijl jullie sliepen. In­dien nodig maken wij het voor jullie met de stadhouder in orde.

De soldaten gaan op het aanbod in; zij doen wat hun gezegd is. En het blijkt dat dit verzinsel tot op de huidige dag onder de Joden verspreid is gebleven (Mat.28:11-15).

Discipelen

De discipelen in Jeruzalem hebben die dag heel wat te verwerken gekregen. Allereerst de mededeling van Maria van Magdala dat de steen van het graf was afgewenteld en het lichaam van Jezus zou zijn gestolen. Vervolgens het verhaal van de vrouwen dat Jezus zou zijn opgestaan en dat zij Hem op de terugweg naar Jeruzalem in levende lijve hebben ontmoet... met daarbij een boodschap voor hen allen. Daarna het relaas van opnieuw Maria van Magdala die nu iets geheel anders beweert dan de eerste keer: ook zij spreekt over een ontmoeting met de opgestane Jezus en brengt eveneens een boodschap van Hem voor hen over. De verwarring is compleet. Het komt bij hen over als zotteklap; ze geloven het niet (Mar.16:10-11, Luc.24:9-11, Joh.20:18)!

Petrus

De apostel Paulus vermeldt dat Jezus op die veelbewogen eerste dag der week ook nog aan Petrus is verschenen (1Cor.15:5). In Lucas 24:34 wordt dit feit bevestigd. Het gebeuren zèlf wordt in de evangeliën niet beschreven. Deze persoonlijke ontmoeting van Petrus met de levende Heer heeft waar­schijn­lijk plaatsgevon­den in de namiddag van Nisan 16. We maken dit op uit het feit dat Kleopas en zijn vriend - in diezelfde namiddag onderweg van Jeruzalem naar Emmaüs - wèl van getuigenissen van de vrouwen op de hoogte zijn, maar nog niets blijken te weten van deze derde verschijning van Jezus (Luc.24:22-24).

Emmaüsgangers

Ook deze twee mannen blijken - evenals Maria van Magdala - aanvankelijk 'bevangen' te zijn wanneer zij Jezus ontmoeten. Het gebeurt hen op weg naar huis. Zij herkennen de persoon niet die zich bij hen voegt. Met een somber gelaat zeggen zij tegen Hem: Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is met Jezus de Nazarener, een man, die een profeet was, machtig in werk en woord voor God en het ganse volk, en hoe Hem onze overpries­ters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te veroordelen en Hem gekrui­sigd hebben. Wij leefden in de hoop, dat Hij het was, die Israël verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds dit geschied is (Mar.16:12, Luc.24:13-24).

Herkenning

Dan begint Jezus tot hen te spreken: O onverstan­digen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.

Pas thuis bij de maaltijd worden hun ogen geopend en ontdekken zij wie er al die tijd bij hen is geweest. Hun vreugde kent geen grenzen. Zij keren spoorslags terug naar Jeruzalem en ontmoeten daar de discipelen - met uitzondering van Thomas - waarvan er inmiddels eveneens een aantal tot de overtui­ging is gekomen dat Jezus daadwerkelijk is opgestaan: De Here is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen! De twee uit Emmaüs voegen daar hun ervaring aan toe, maar nog steeds zijn er die het niet helemaal kunnen geloven of bevatten (Mar.16:13, Luc.24:25-35).

Verschijning aan de apostelen

Alle gebeurtenissen van die dag worden uitgewisseld en nog eens nabespro­ken. Dan opeens staat Jezus zèlf in hun midden; de vijfde verschijning na Zijn opstanding. Hij zegt: Vrede zij u. De discipelen raken ontzet en verschrikt; zij menen een geest te aanschouwen. Waarom zijn jullie zo ontsteld, vraagt Jezus: Zie Mijn handen en Mijn voeten, dat Ik het zelf ben! Doch zelfs na het tonen van Zijn handen en voeten zijn er die het ondanks de opkomende blijdschap nóg niet ten volle kunnen geloven. Vervol­gens eet Jezus een stukje gebakken vis om hen allen te overtuigen dat Hij geen geest is, maar een mens in een verheerlijkt lichaam (Mar.16:14, Luc.24:36-43, Joh.20:19-20)!

Onderwijs

Dan begint Jezus te spreken. Hij gaat Zijn discipelen vertellen over alles wat in de wet van Mozes, de psalmen en de profeten over Hem geschre­ven staat en in vervulling moest gaan. Jezus wil hen bevrijden van het laatste stukje geestelijke verblin­ding en versluie­ring, van elke vorm van traagheid en onverstand, van de restanten van ongeloof en hardheid van hart... dus van de machten der duisternis die deze dingen hadden bewerkt en in stand hadden kunnen houden. Hij opent hun verstand, waardoor ze de Schrift ten volle kunnen gaan begrijpen.

Daarna onderwijst Jezus hen over de dingen die zij in Zijn naam zouden mogen gaan uitvoeren: verkondigen van het evangelie, dopen in water, uitdrij­ven van boze geesten, genezen van zieken: Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. Hij spreekt over het ontvangen van de heilige Geest en het spreken in nieuwe tongen... Daarna blaast Hij op hen en zegt: Ontvang de heilige Geest (Mar.16:15-18, Luc.24:44-49a, Joh.20:21-23).

Veertig dagen

Deze avond heeft het begin gevormd van een periode waarin Jezus Zich met vele kentekenen aan Zijn discipelen le­vend heeft vertoond, veertig dagen hun ver­schijnende en tot hen sprekende over al wat het Konink­rijk Gods betreft. Zo vermeldt Lucas het in zijn tweede boek (Hand.1:3). Een periode van specifiek, toegepast onderwijs voor de apostelen, waarin Jezus 'de puntjes op de i heeft kunnen zetten'. Een tijd van verwerking en verdie­ping, van geestelijke éénwording, van een intense, persoon­lijke toeberei­ding op de taak en bediening die zij na het ontvangen van de doop in heilige Geest zouden mogen opnemen.

Thomas

Een week later verschijnt Jezus opnieuw. En nu is Thomas er ook bij. De Heer komt de nog steeds twijfelende Thomas op persoonlijke en liefdevolle wijze tegemoet, waarna ook deze apostel op hartstochtelijke wijze tot geloof en erkenning komt van de opstanding des Heren. Het is de zesde (beschreven) verschijning van de verrezen Heer aan de Zijnen (Joh.20:24-29).

Galilea

Na al deze dingen zijn de discipelen in overeenstemming met het woord van Jezus naar Galilea teruggekeerd. Zeven van hen, waaronder Petrus, zijn op een gegeven moment weer eens een nachtje gaan vissen, maar het zit hen niet mee; ze vangen niets! Jezus staat op de kant hen op te wachten, maar ze hebben niet door dat Hij het is. Dan voltrekt zich op aanwijzing van Jezus de tweede wonderbare visvangst (zie ook Stb.73 blz.7). Voor Petrus het moment van herkenning: Het is de Here!

In het gesprek dat volgt stelt Jezus aan Petrus driemaal de vraag: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief? Petrus begrijpt tenslotte de volle diepte van deze vraag en zegt: Here, Gij weet alles, Gij weet dat ik U liefheb. Dan zegt Jezus: Weid Mijn schapen. De vertrouwensband tussen Jezus en Petrus is hiermee ten volle hersteld, ja zelfs nog verdiept. De vijand zal op geen enkele wijze nog voordeel kunnen behalen uit het feit dat Petrus Jezus in de nacht van Zijn gevangenneming driemaal heeft verloochend!

Dan zegt Jezus: Volg Mij! Petrus wil hier ten volle op ingaan, maar vraagt dan in verband met zijn medediscipel Johannes: Here, maar wat zal met deze gebeuren? Het antwoord van Jezus is veelbetekenend: Wat gaat het u aan? Volg gij Mij.

Deze gebeurtenis is de zevende verschijning van Jezus na Zijn opstanding - de derde aan de discipelen als groep (Mat.28:16a, Joh.21:1-23).

Op de berg

Hierna verschijnt Jezus voor de achtste maal. Nu voor meer dan vijfhonderd broeders tegelijk (1Cor.15:6), op een berg in Galilea, de plaats waarvan Hij zèlf had gesproken tijdens het Pascha (Mat.26:32, Mar.14:28), de plaats die ook in de boodschap tot de vrouwen was genoemd (Mat.28:7,10 en Mar.16:7).

Vrijwel alle aanwezigen komen bij het zien van hun opgestane en verheer­lijkte Heer tot aanbid­ding, maar sommigen van hen twijfelen nog steeds. Jezus neemt dan de allerlaatste sporen van twijfel weg door hen vol van liefde en geloof aan te spreken met de zo bekend geworden woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, maak alle volkeren tot leerlingen in Mijn naam en leer hen onder­houden al wat Ik u bevolen heb. En zie Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld (Mat.28:16-20).

Laatste verschijningen

Jezus is hierna nog verschenen aan Jacobus. Hiervan maakt alleen Paulus melding in 1 Corinthiërs 15:7. Over de inhoud van deze ontmoeting is ons niets overgeleverd.

De tiende en laatste verschij­ning van Jezus vindt plaats vlak voor Zijn hemelvaart en vormt daar de inleiding van. Tijdens de maaltijd die Jezus gedurende deze laatste ontmoeting te Jeruzalem met Zijn discipelen houdt, gebiedt Hij hun de stad niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader: Gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze.

Jezus doet naar aanleiding van een vraag over het herstel van het koning­schap voor Israël nog een belangrijke uitspraak: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde (Luc.24:49b, Hand.1:4-8).

Hemelvaart

Vervolgens leidt Jezus hen naar buiten tot bij Bethanië. Op de Olijfberg aangekomen heft Jezus Zijn handen omhoog en zegent Hij hen. Wat een moment moet dat zijn geweest. Wat een woorden van heil en zegen zullen daar zijn uitgesproken. Zij komen in aanbidding.

Dan wordt Jezus voor de ogen van de discipelen opgenomen in de hemel. De Zoon des mensen gaat van hen heen. Het werk op aarde is voleindigd. Jezus is gerechtigd om de troon te bestijgen en Zich te zetten aan de rechterhand Gods. En dit gebeurt. Vanuit die verhoogde en verheven positie wil Jezus het werk dat God Hem te doen heeft gegeven, gaan voortzetten: een nieuwe fase gaat in.

Wat een feest zal deze hemelvaart teweeg hebben gebracht in het Koninkrijk Gods. Ook op dit gebeuren zullen we nog terugkomen bij de beschrij­ving van de inhoud van het werk van Jezus (Mar.16:19, Luc.24:50-51, Hand.1:9).

Terug naar Jeruzalem

Dit schitterende gebeuren in de hemel heeft zich voltrokken buiten het waarnemingsvermo­gen van de discipelen. Zij zien Jezus niet meer, een 'wolk' onttrekt Hem aan hun ogen, schrijft Lucas.

Voor hen verschijnen er twee engelen met de bood­schap: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen. Daarop keren zij terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, waar zij in een bovenzaal in de buurt van de tempel eendrachtig bijeen zijn gebleven, God lovende, tot aan de Pinksterdag toe (Luc.24:52-53, Hand.1:10-14).

Besluit

Johannes eindigt zijn verslaggeving van het leven en werk van Jezus op aarde met de volgende woorden: Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen Zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek - indien deze één voor één beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten - maar deze zijn geschre­ven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam (Joh.20:30-31 en 21:25).

Daar willen we ons bij aansluiten en evenals de discipelen in grote blijdschap eendrachtig bijeen blijven, God lovende en dankende, en met elkaar de wederkomst van Jezus in de Zijnen en daarna ook met de Zijnen verwachten. Ja Heer Jezus, wij zien U met heerlijkheid en eer gekroond; wij hebben Uw verschijning lief!