De bediening van Jezus Christus (1)

Inleiding

In de komende artikelen zal het verloop van het leven en werk van Jezus op aarde centraal staan. We zullen onze Heer vanuit de beschrijvin­gen van de vier evangelisten proberen te volgen gedurende de periode dat Hij met heilige Geest en met kracht gezalfd op aarde rondging, weldoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren (Hand.10:38).

Het doel hiervan is om de talrijke verhalen, gebeurtenissen en uitspraken die Jezus' leven kenmerken, zo veel mogelijk in de goede volgorde en het juiste verband te plaatsen, om daarmee een 'over­zicht' te krij­gen van Zijn bediening en werk op aarde. Dit zal onze beeldvorming van het leven van Jezus ten goede komen.

Onzekerheden

Het is onmogelijk om de volgorde der gebeurtenissen met absolute zekerheid vast te stellen. In elk boek dat over het leven van Jezus is verschenen, wordt aangegeven dat bepaalde onzekerheden (helaas) zullen blijven bestaan.

In deze studie wordt daarom een zeer waarschijnlijke opeenvol­ging aangebo­den.

Daarbij is vooral gebruik gemaakt van een werk dat in 1878 in het Neder­landse taalgebied is verschenen: Overeenstem­ming der vier evangeliën in hunne volgorde en gelijkvormigheid naast elkander geplaatst, bewerkt naar de Griekse Harmonica van Dr. Robinson. De schrijver gaat er vanuit dat de vier evangelisten elkaar nimmer wezenlijk tegenspre­ken, maar 'dat de één de leemte van de ander aanvult of zijn verhaal meer opheldert'. Daarmee wil hij 'de volkomen eenheid aantonen, die te midden van de verscheidenheid heerst'.

Tijdsduur

De bediening van Jezus is begonnen rond Zijn dertigste levensjaar (Luc.3:23). Hoewel Hijzèlf niet tot de stam Levi behoorde, komt dit overeen met de leeftijd die priesters en Levieten bereikt moesten hebben eer zij hun ambt ten volle mochten vervullen (Num.4:3,35,39,43,47 en 1Kron.23:3).

Hoelang heeft de rondgang van Jezus op aarde geduurd?

Deze vraag kan het meest duidelijk worden beantwoord vanuit het evangelie van Johannes. Daarin worden namelijk vier Paasfeesten beschre­ven. Driemaal tijdens het openbare optreden van Jezus: in hoofdstuk 2:13-25, 5:1-47 en 6:4. En tenslotte het vierde Paasfeest, het feest van Jezus' opstan­ding uit de doden met alles wat daaraan voorafging, vanaf hoofdstuk 12:1 t/m 20:29.

Aan het eerste Paasfeest zijn de doop van Jezus in water en heilige Geest en Zijn verblijf in de woestijn voorafgegaan - zie Studiebladen 68,69 en 72 - alsmede een aantal gebeurtenissen waarop hierna zal worden ingegaan.

We kunnen derhalve aannemen dat de rondwandeling van Jezus op aarde zo'n drieënhalf jaar heeft geduurd.

Indeling

Terwille van het overzicht en de duidelijkheid zullen we deze periode gaan indelen in de volgende tijdvakken:

1. Van de Jordaan tot het eerste Paasfeest - ca. een half jaar

2. Van het eerste tot het tweede Paasfeest - een jaar

3. Van het tweede tot het derde Paasfeest - een jaar

4. Van het derde Paasfeest tot het Loofhuttenfeest - een half jaar

5. Van het Loofhuttenfeest tot de intocht in Jeruzalem - een half jaar

6. Van de intocht in Jeruzalem tot en met Golgotha - een week

7. Van de opstanding tot de hemelvaart - 40 dagen

Nadat deze episoden uitgaande van de vier evangeliën beschreven zijn, zullen we uitgebreid ingaan op de heerlijke inhoud van het werk van Jezus. Daarbij zal vooral de betekenis van het lijden, sterven, opstaan en ten-hemel-varen van Jezus naar voren komen.

1. Van de Jordaan tot het eerste Paasfeest

Na Zijn doop in water en heilige Geest en de veertig dagen in de woestijn zien we Jezus terugkeren naar de plaats waar Johannes de Doper predikte en werkte: bij Bethanië over de Jordaan (Joh.1:28), niet ver van de Dode Zee. Dit Bethanië in Perea dienen we niet te verwarren met het Bethanië in Judea, dat vlakbij Jeruzalem lag en de woonplaats was van Maria, Martha en Lazarus.

Johannes ziet Jezus tot zich komen en spreekt op dat moment de zo bekend geworden woorden: Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). Hierna volgt het getuigenis van Johannes over Jezus in het bijzijn van vele omstanders. Hij noemt Hem bij deze gelegenheid onomwonden de Zoon van God (vs.30-34).

Eerste discipelen

Een dag later getuigt Johannes de Doper in aanwezig­heid van twee van zijn discipelen opnieuw van Jezus, wanneer hij Hem voorbij ziet gaan: Zie het Lam Gods (1:36). De twee mannen - vissers uit Bethsaïda, gelegen aan het meer van Galilea - horen het en volgen Jezus. Dit loopt uit op een kennismaking die hun hele leven zou gaan bepalen. Zij worden de eerste discipelen die Jezus gingen volgen: Andreas en Johannes (de latere schrijver van het evangelie). Andreas vertelt het vervolgens aan zijn broer Simon: Wij hebben gevonden de Messias, wat betekent Christus. Deze gaat eveneens Jezus volgen en wordt door Hem 'Petrus' genoemd (vs.35-43).

Naar Galilea

De dag daarna roept Jezus vlak voor Zijn vertrek naar Galilea (in het noorden van Israël) ook Filippus op om Hem te volgen. Gezamen­lijk gaan zij naar Kana in Galilea. Hier vindt Filippus Nathanaël en leidt hem tot Jezus met de bekende woorden: Kom en zie! Ook deze man wordt een discipel van Jezus (Joh.1:44-52). Hij wordt later - als apostel - Bartholomeüs genoemd.

In Kana vindt vervolgens het eerste (beschreven) wonder plaats dat Jezus in Zijn bediening heeft verricht. Hij verandert zo'n 600 liter water in zeer goede wijn (Joh.2:1-11).

Na deze gebeurtenissen volgt nog een kort verblijf in Kapernaüm (vs.12). Meer wordt er over deze periode in Jezus' leven niet vermeld.

2. Vanaf het eerste tot het tweede Paasfeest

Alleen Johannes beschrijft het eerste Paasfeest tijdens Jezus' bediening. Gedurende dit feest reinigt Jezus de tempel (Joh.2:13-25). Daarmee geeft Hij een stukje visueel onderwijs over de bedoeling van God met Zijn leven: Ik ben gekomen om de mens, beelddrager Gods en bedoeld als tempel van God, te reinigen en te zuiveren van alles wat er door de eeuwen heen wederrech­telijk is binnenge­drongen. Om hem te verlossen van alle machten der duisternis die van zijn leven een 'verkoophuis' hebben gemaakt.

Tijdens de woordenwisseling met de Joden die hierop volgt, spreekt Jezus voor het eerst in beeldspraak over Zijn dood en opstanding: Breek deze tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen (vs.19).

Aan het einde van Zijn leven op aarde, vlak voor het vierde Paasfeest, zal Jezus nogmaals de tempel reinigen. Dit wordt beschreven door Mattheüs, Marcus en Lucas. We dienen deze gebeurtenissen duidelijk van elkaar te onderscheiden. We zullen er later op terugkomen.

Nicodemus

Na de tempelreiniging die heel wat beroering teweeg heeft gebracht in Jeruzalem, komt Nicodemus - een Farizeeër en overste der Joden - des nachts tot Jezus. Deze man erkent dat Jezus als leraar van God gekomen is en wil - buiten het gezichtsveld van de Joden - graag nader onderricht van Hem ontvangen.

Geduren­de de nacht heeft Jezus een diepgaand gesprek met hem over de wedergeboor­te, het Koninkrijk Gods, de werkelijk­heid van de geestelijke wereld, het plan van God met mensen en de behoude­nis die de eniggeboren Zoon van God zou gaan bewerken (Joh.3:1-21). Jezus doet in dit gesprek prachtige uitspraken, waaronder de volgende: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe (vs.16).

Later blijkt dat dit gesprek diepe indruk heeft gemaakt op Nicodemus en dat hij een discipel van Jezus is geworden. In het Sanhedrin neemt hij het voor Jezus op (Joh.7:50-52). En na Diens dood helpt hij mee om Hem vorstelijk te begraven (Joh.19:39).

In Judea

Hierna verlaat Jezus met Zijn discipelen Jeruzalem, maar blijft in het gebied van Judea. De discipelen van Jezus zijn in die periode eveneens mensen in water gaan dopen (Joh.3:22 en 4:2). Er ontstaat daardoor een gesprek tussen Johannes de Doper en zijn discipelen over de onmiskenbare gevolgen daarvan: allen gaan tot Jezus! Johannes getuigt dan opnieuw van Jezus, dat deze de Zoon is aan wie God alles in handen heeft gegeven. Hij spreekt de woorden Gods, Hij moet wassen, ik moet minder worden (Joh.3:22-36).

Jezus is na het eerste Paasfeest in Judea gebleven tot het moment waarop Johannes de Doper door Herodes gevangen werd genomen, een gebeuren dat beschreven staat in Mattheüs 14:3-5, Marcus 6:17-20 en Lucas 3:19,20. Al met al zal dit een tijdsperio­de van ongeveer acht maanden zijn geweest. Daarna is Hij voor ca. vier maanden weer naar het noorden vertrokken, naar Galilea (Mat.4:12, Mar.1:14, Joh.4:1-3).

Door Samaria

Van Judea naar Galilea reizend, komt Jezus door Samaria. In Sichar vindt het boeiende gesprek plaats met de Samaritaanse vrouw. Jezus vertelt hier onder meer over het levende water en het aanbidden van God in Geest en waarheid. Het gevolg van dit gesprek is dat de Samaritanen in Jezus gaan geloven en Hem als Christus en Heiland der wereld erkennen (Joh.4:4-42).

In dit gedeelte komt een tijdsbepaling voor (vs.35). Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het inmiddels eind november, begin december is geworden, dus zo'n acht maanden na het Paasfeest (zie hiervoor).

In Galilea

Aangekomen in Galilea begint Jezus het evangelie te prediken: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeer u en geloof het evangelie. Naar aanleiding van deze prediking gaat er een roep van Hem uit door de gehele streek en wordt Hij door allen geprezen (Mat.4:17, Mar.1:14-15, Luc.4:14-15, Joh.4:43-45).

Jezus komt in deze periode ook weer te Kana. Daar geneest Hij door Zijn woord de zoon van de hoveling die (ruim 30 km verderop) te Kapernaüm op sterven ligt: Ga heen, uw zoon leeft! Op hetzelfde moment vindt het wonder plaats. Johannes noemt dit het tweede teken dat Jezus in Galilea heeft verricht (Joh.4:46-54).

In Nazareth

Dan komt Jezus ook in Nazareth, de plaats waar Hij was opgevoed. Op de sabbat gaat Hij naar de synagoge, waar Hij aan de hand van Jesaja 61:1-2 Zijn eerste (beschreven) preek houdt. Een boodschap die aanvankelijk instemming en verwondering wekt bij Zijn oude dorpsgenoten vanwege de woorden van genade die Hij spreekt. Maar al snel slaat het om. De mensen van Nazareth worden met toorn vervuld, werpen Hem de stad uit en voeren Hem tot aan de rand van de berg om Hem van de steilte te werpen. Maar Jezus gaat midden tussen hen door en vertrekt (Luc.4:16-30). Hij verlaat Nazareth en vestigt Zich vervolgens te Kapernaü­m, gelegen aan het meer of zee van Galilea (Mat.4:13-16, Luc.4:31). Dit water wordt ook wel het meer van Gennesareth of de zee van Tiberias genoemd.

Kapernaüm

In en rondom deze plaats heeft Jezus vele grote dingen gedaan en vele heerlijke woorden uitgesproken.

Op een gegeven moment staat Hij aan de rand van de zee te prediken. De schare dringt zo op Hem aan, dat Jezus aan Simon Petrus vraagt of Hij zijn bootje mag gebruiken om de schare vanaf het water toe te spreken. Deze had de hele nacht gevist en was op dat moment bezig de netten te spoelen. Blijkbaar had hij samen met zijn broer Andreas het oude beroep weer opgepakt. Zij volgden Jezus inmiddels al ruim een jaar, maar toch was dit tot op dat moment nog geen 'volkomen' volgen geweest, met achterlating van alles.

Doch deze dag zou hun leven, evenals dat van Johannes en diens broer Jacobus (de zonen van Zebedeüs) totaal veranderen. Want nadat Jezus Zijn onderwijs aan de schare uit Kapernaüm en omtrek heeft beëindigd, spreekt Hij tot Zijn discipelen: Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen. Zij doen het op Zijn woord, hoewel dit helemaal inging tegen hun gezonde 'vissers­verstand'. Het resultaat is overweldigend. Zowel het schip van Petrus en Andreas als de boot van Johannes en Jacobus kunnen tot zinkens toe worden gevuld met vis (Luc.5:1-11).

Roeping

Na deze wonderbare visvangst roept Jezus hen op: Volg Mij, Ik zal u vissers van mensen maken. In feite worden zij voor de tweede maal opgeroe­pen om Jezus te volgen, en Hem nu volkomen te gaan volgen. Voor Simon Petrus en zijn makkers is het volstrekt duidelijk: Van toen af lieten zij alles achter en volgden Jezus (Luc.5:11).

Vanuit het licht dat Lucas op dit gebeuren werpt en tegen de achtergrond van hetgeen een jaar daarvoor bij de Jordaan al was gebeurd, kunnen we begrijpen waarom deze mensen nu terstond hun netten laten liggen en werkelijk alles achterlaten: hun huis en familie, hun werk en bedrijf (Mat.4:18-22, Mar.1:16-20). De achterblijvers mochten de rijke buit hebben. Daar zouden ze voorlopig wel genoeg aan hebben. Ook voor deze mensen had Jezus op wonderlijke wijze gezorgd!

Vanaf dit moment wordt Jezus gevolgd door zes discipelen.

Vol van de kracht Gods

Vervolgens wordt er door de evangelisten een dag beschreven uit het leven van Jezus, vol van kracht en heerlijkheid Gods.

Het begint 's morgens al in de synagoge van Kapernaüm, waar Jezus spreekt (Mar.1:21-28, Luc.4:31-37). Deze keer zit er onder de toehoorders iemand met een onreine geest, die het op een bepaald moment gewoon moet uit­schreeuwen: Wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de heilige Gods! Jezus bestraft de boze, onreine geest en drijft hem uit in het bijzijn van allen. De man wordt in volle vrijheid gesteld. De mensen staan versteld over het woord van Jezus: een nieuwe leer met gezag. Dit voorval zou in de hele streek bekend worden.

Genezingen

Onmiddellijk na deze dienst wordt Jezus bij de schoonmoeder van Petrus geroepen. Zij ligt met hoge koorts te bed. Jezus bestraft de koorts, vat haar hand en richt haar op. De genezing treedt direct in: de vrouw staat op en gaat meteen een maaltijd klaarmaken om alle aanwezigen daarmee te dienen (Mat.8:14-15, Mar.1:29-31, Luc.4:38-39).

Dezelfde avond loopt de gehele stad te hoop voor het huis waar Jezus Zich bevindt. Dat is te begrijpen na zo'n dienst en het gebeuren na afloop daarvan. Vele zieken worden tot Hem gebracht. Jezus legt ieder afzonderlijk de handen op en geneest hen van al hun kwalen. Bij velen worden ook boze geesten uitgedreven (Mat.8:16-17, Mar.1:32-34, Luc.4:40-41). Wat een heerlijke en rijk gezegende dag zal dit geweest zijn in Kapernaüm!

In gebed

De volgende ochtend staat Jezus zeer vroeg op - het is nog diep in de nacht - en gaat Hij naar buiten, naar een eenzame plaats om te bidden. We zien Jezus dat vaker doen. We mogen het 'typerend' noemen voor onze Heer. Steeds weer zoekt Hij de stilte, trekt Hij zich terug in de bergen of op eenzame plaatsen, om te bidden en zich geheel te concentreren op de wil en bedoeling van Zijn Vader. Naast de voortdurende levens- en werkgemeenschap met God in de praktijk van alledag, zorgt Hij ook voor momenten en tijden van intense aanbidding, van diepe gemeenschap met Zijn Vader. Hierdoor wist Hij steeds wat er van Godswege (!) van Hem verwacht werd en wat Hem derhalve te doen stond.

Wanneer Zijn discipelen Hem dan ook na enig zoeken aantreffen, en zeggen dat iedereen Hem zoekt - de mensen uit Kapernaüm willen nog wel meer horen en meemaken - weet Jezus dat Hij daar niet op moet ingaan. Hij beseft dat Hij ook naar andere plaatsen moet gaan, om daar hetzelfde te doen als in Kapernaüm: de blijde boodschap van heil te prediken en mensen te verlossen van hun geestelijke vijanden (Mar.1:35-38, Luc.4:42-43).

Door Galilea

Daarom gaat Jezus met Zijn discipelen een rondreis maken door Galilea. Hij leert in de synagogen en predikt het evangelie van het Koninkrijk. Hij geneest alle ziekte en alle kwaal onder het volk en werpt vele boze geesten uit. Daarbij wordt Hij gevolgd door vele scharen, komend uit het gehele land (Mat.4:23-25, Mar.1:35-39, Luc.4:42-44). Het gerucht van Hem dringt in die periode door tot in Syrië!

Vanuit het laatstgenoemde vers uit Lucas 4 (NBG) zouden we kunnen opmaken dat Jezus tijdens deze reis ook in Judea is geweest. De Staten Vertaling en Lutherse Vertaling spreken hier echter over Galilea. En dat is in relatie met het voorgaande bovendien veel logischer.

Op deze rondreis reinigt Jezus ook nog een melaatse (Mat.8:2-4, Mar.1:40-45, Luc.5:12-16).

Weer thuis

Terug in Kapernaüm - in Zijn eigen huis - komt er opnieuw een schare tot Jezus. Onder hen zijn Farizeeën en schriftgeleerden uit Galilea, Judea en Jeruzalem. Het huis is overvol (Mat.9:1-8, Mar.2:1-12, Luc.5:17-26).

Dan komen er vier mannen met hun zieke vriend. Zij trotseren alles. Zij gaan het dak op, maken er een gat in en laten hun vriend zo voor de voeten van Jezus naar beneden zakken. Jezus ziet hun geloof en spreekt tot de verlamde: Kind, uw zonden worden vergeven. Bij de geleerde mannen ontstaat hierover een discussie; zij menen dat Jezus Zijn boekje te buiten is gegaan en godslasterlijke dingen heeft gezegd. Jezus doorziet hun overleggingen en spreekt hun erop aan: De Zoon des mensen heeft macht om op aarde de zonden te vergeven. Hierna geneest Hij de verlamde met de woorden: Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. De genezing van deze man is totaal, zowel geestelijk als lichamelijk. Glashelder komt hier het doel van Jezus' werk naar voren: verlossing en bevrijding, herstel en genezing van de gehele mens.

Allen zijn ontzet en verheerlijken God: zoiets hebben we nog nooit gezien, ongelooflijk!

Levi

Het laatste voorval in deze periode tot aan het tweede Paasfeest is de roeping van Levi, ook wel Mattheüs genoemd, de latere schrijver van het gelijknamige evangelie. Deze man was tollenaar in Kapernaüm. Hij zal de tijd voorafgaande aan zijn roeping als inwoner van deze stad heel wat hebben gehoord en gezien van Jezus. Dit zal hem tot nadenken hebben gestemd en tot inkeer hebben gebracht. Wanneer Jezus op een gegeven moment langs zijn tolhuis komt en hem rechtstreeks aanspreekt met de woorden 'Volg Mij', is er bij hem geen enkele twijfel of aarzeling. Hij staat onmiddel­lijk op, laat alles achter en gaat Jezus volgen (Mat.9:9, Mar.2:13-14, Luc.5:27-28).

Het aantal discipelen is hierdoor op zeven gekomen.

Opmerkingen

Het valt op dat van de eerste anderhalf jaar van Jezus' openbare optreden - toch ruim 40% van de tijd dat Hij Zijn bediening op aarde heeft uitge­voerd - relatief 'weinig' is beschre­ven: nog geen 10% van de inhoud der vier evangeliën gaat hierover.

Tevens valt het op dat Jezus gedurende deze tijd nog niet door 'de twaalven' werd gevolgd. Deze zijn pas later - ten tijde van 'de bergrede' - door Jezus uitgekozen.

Ook zien we Jezus in deze periode nog niet spreken in gelijkenissen. Dat zou eveneens pas in en na 'de bergrede' gaan gebeuren.