Jezus’ groei naar volwassenheid

Inleiding

In Studieblad 66 hebben we uitvoerig stilgestaan bij het begin van het leven van Jezus Christus. Vanaf de conceptie, het allereerste en meest prille begin heeft God Zijn Zoon-in-wording naar geest, ziel en lichaam geheiligd, Hem als Vader beschermd en omgeven met al Zijn goedheid en zorg. Geheel omringd en gedragen door Gods liefde werd de mens Jezus in de volheid des tijds als een gezonde, gave en volgroeide baby door Maria ter wereld gebracht.

Gebeurtenissen

In het evangelie van Mattheüs en Lucas worden de belangrijkste gebeurte­nis­sen rondom de geboorte van Jezus beschreven. We kunnen lezen over de herders in de velden van Efrata, van Simeon en Anna in de tempel, over de wijzen uit het Oosten, van de vlucht naar Egypte en de afschuwe­lijke kinder­moord te Bethlehem. Over de periode daarna wordt heel weinig gezegd. De bijbel vertelt ons dat Jozef en Maria na enige tijd met Jezus uit Egypte terugkeren en zich opnieuw te Nazareth vestigen. Direct hierna volgt het verhaal van de twaalfjarige Jezus in de tempel.

In enkele zinnen

De bijbel geeft maar weinig informatie over de ontwikkelingen die zich gedurende die eerste twaalf levensjaren in Jezus hebben voltrok­ken. In Lucas 2:40 vinden we slechts enkele woorden hierover: Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem. In één zin wordt de geestelijke ontwikkeling over een periode van ongeveer twaalf jaar ge­schetst.

In vers 52 wordt in soortgelijke bewoordingen de fase na Zijn twaalfde levensjaar beschreven: En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen.

Toch is het mogelijk om ons een beeld te vormen van de ontwikkelingen in de kinderjaren en jeugd van Jezus.

Aanwijzingen

In Psalm 22:10,11 vinden we in profeti­sche bewoor­dingen een eerste aanwijzing: Gij toch hebt mij uit de moeder­schoot getogen, Gij deedt mij vertrouwend rusten aan de borst van mijn moeder; aan U werd ik overgegeven bij mijn geboorte, van de moeder­schoot af zijt Gij mijn God. Woorden van gelijke strekking vinden we in Psalm 71:6.

Uit deze gedeelten kunnen we onder meer opmaken dat de heiliging en zorg van Godswege in deze tijd onverminderd is doorgegaan. De Geest Gods was op Hem, over Hem, rondom Hem. God zelf waakte in liefde over Hem. Hij verborg Hem in de schaduw van Zijn hand (naar Jes.49:2).

De engelen Gods werden aangaande Hem geboden. Zij behoedden Hem op al Zijn wegen en droegen Hem op handen. Geen plaag kon Zijn tent naderen. Geen onheil kon Hem treffen (naar Ps.91:10-12). Hij leefde in elk opzicht in de schuil­plaats van de Aller­hoogste, in de tent van God, Zijn hemelse Vader.

Tegelijkertijd werd Jezus door Zijn moeder Maria omgeven met alle aandacht en zorg. Hij mocht als baby vertrouwend bij haar rusten en intens genieten van haar liefde. Ook zij wàs er voor Hem.

In twee werelden werd het kindje Jezus gekoesterd en verzorgd, werd Hem alles geboden wat nodig was voor een gezonde en voorspoedige ontwikkeling.

Bewaring

God heiligde Zijn Zoon op een goddelijke en volmaakte wijze. Hij bleef daarin voortdurend actief. De profetische woorden uit Jesaja 27:3 werden ten aanzien van Jezus heerlijke werkelijkheid: Ik, de Here, zijn behoeder, zal hem aldoor drenken; opdat niets hem beschadige, zal Ik hem nacht en dag behoeden (zie ook Stb.17 blz.4).

Het geestelijk hart van Jezus - de kern van al Zijn potentiële vermogens - was en bleef hierdoor onbereik­baar voor de vijand. Jezus kon Zich in Zijn eerste levensjaren - de tijd dat Hij evenals ieder ander mens zelf nog geen onderscheid kon maken tussen goed en kwaad - onbelem­merd ontwikkelen. Boter en honig mocht Hij eten, totdat Hij het kwade zou weten te verwerpen en het goede zou weten te verkiezen (naar Jesaja 7:15 SV).

Bijgedragen

Jozef en Maria zullen ook alles gedaan hebben wat in hun vermogen lag om bij te dragen aan deze prachtige ontwikkeling. Zij hebben Jezus verzorgd, gevoed en beschermd. Zij hebben Hem leren lopen en spreken. Zij zullen Hem hebben verteld van alle wonderlijke gebeurtenissen rondom Zijn geboorte en alle heerlijke beloften Gods ten aanzien van Zijn leven. Zij zullen Hem na verloop van tijd hebben duidelijk gemaakt dat niet Jozef, maar God zelf Zijn Vader was. Het besef van al deze dingen zal langzaam maar zeker bij Jezus doorgedron­gen zijn. Hij zal het hebben opgeslagen in Zijn hart en hebben vergeleken en gecombi­neerd met die andere belevingen, met die hogere en zo wonderlijk mooie ervarin­gen die Hem zo vaak ten deel vielen.

Geroepen

In het genoemde proces van leren spreken zijn namelijk niet alleen Jozef en Maria actief geweest ten aanzien van Jezus. Ook God sprak op directe wijze tot Zijn Zoon. Ook Hij probeerde contact met Hem te krijgen. In Jesaja 49:1 vinden we hierover een duidelijke aanwijzing: De Here heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mijner moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld.

Ieder kind gaat na verloop van tijd de stem van zijn vader en moeder herken­nen. Hij leert daarop te reageren. Dit gaat als vanzelf.

Zo heeft Jezus de steeds weer terugkerende roepstem van God leren verstaan en ging Hij daarop reageren. In combinatie met de dingen die Hij van Zijn ouders hoorde, is Hij steeds meer gaan begrijpen dat dit de stem van God moest zijn. Evenals de jonge Samuël zal Jezus reeds op zeer jeugdige leeftijd hebben uitgezegd: Spreek Here want Uw knecht, Uw zoon hoort (naar 1Sam.3:10). Hij stelde Zich er helemaal voor open en bemerkte dat het contact daarmee intenser werd. Zo leerde Hij ook met God, Zijn echte en hemelse Vader, om te gaan, naar Hem te luisteren, tot Hem te spreken en in alle openheid en ontvankelijkheid met Hem te communiceren.

Relatie

De uitwisseling tussen God en Jezus is naarmate de tijd verstreek steeds intensiever geworden. Er ontstond een hechte relatie. In Jezus groeide het vertrouwen en geloof in Zijn God, evenals de wederliefde tot God. Deze kon daardoor steeds meer aan Zijn Zoon kwijt. Hij vulde aan wat door Jozef en Maria was en werd verteld en bevestigde de gesproken woorden in Diens hart. Hij verduidelijk­te en verklaarde daarmee Zijn bedoelingen aan Jezus, waardoor deze steeds meer ging begrijpen wat God met Hem voorhad.

Elke dag sprak God op deze wijze tot Hem. En Jezus opende Zich hiervoor met Zijn hele hart en leven.

Het is opnieuw Jesaja die deze ontwikkeling in profetische termen onder woorden heeft gebracht: De Here Here heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen. Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen. De Here Here heeft mij het oor geopend en ik ben niet weerspannig geweest, ik ben niet terugge­deinsd (50:3,4).

Schrift

Toen Jezus eenmaal had leren lezen, ging ook de Schrift voor Hem open. Hij is zodoende op de hoogte geraakt van het prachtige begin van alle dingen en van de gehele geestelijke ontwikkeling tot op dat moment. Hij zal de wet, de psalmen en de profeten hebben gelezen, herlezen en bestudeerd. En ook daarin zal God tot Zijn hart hebben kunnen spreken. Zodoende konden de geschreven woorden worden verlicht, aan Zijn hart worden geopenbaard. Hij kon daardoor steeds meer de Schrift gaan verstaan en Zich een beeld vormen van God en Diens bedoeling met mens en schepping.

Lucas beschrijft in hoofdstuk 2:40 het resultaat hiervan: Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem.

Wat een vreugde zal dit voor God geweest zijn om zo met Zijn geliefde en bereidwillige Zoon op te trekken, Hem alles te kunnen verklaren en Hem helemaal in te leiden in de schatten en geheimenissen van Zijn Koninkrijk.

Openbaren

Aan Mozes heeft God kunnen openbaren hoe de schepping van hemel en aarde tot stand is gekomen. Mozes was door de omgang met God vertrouwd geworden in het hele huis Gods. Van mond tot mond sprak hij met God. Hij aanschouwde de gestalte des Heren (Num.12:7,8).

Hoeveel te meer heeft God Zich kunnen openbaren aan Jezus, Zijn eigen Zoon! Nog veel meer dan Mozes heeft Jezus de Onzienlijke leren zien en gezien (naar Hebr.11:27). In de loop der jaren heeft Jezus zodoende werkelijk alles leren verstaan en begrijpen van de werke­lijkheid in de geestelijke wereld. Zijn denken is niet vertroebeld geraakt, maar in grote helderheid ontwikkeld. Zijn verstand werd niet verduis­terd, maar geheel verlicht. Zijn geweten werd niet besmet; het ontwikkelde zich in alle heiligheid en zuiverheid tot volheid. Zijn ogen werden niet verblind; Hij zag helder en scherp in twee werelden tegelijk. Zijn oren werden niet doof, Hij hoorde wat de Geest tot Hem sprak; Hij merkte alles op. Zijn hart werd niet vet, integendeel! Zijn hele hart en leven stond alleen open voor hetgeen van God naar Hem uitging. Daar vulde Jezus Zich mee.

God kon Zich door de jaren heen helemaal geven aan Zijn Zoon, Hem alles openbaren en zodoende Hem geheel op Zijn grootse taak voorbereiden.

Getoond

Jezus zal dit in volle rust en vrede in Zich hebben opgenomen en verwerkt. Tevens zal Hij het hebben uitgeleefd. Hij heeft het beeld van God en het leven Gods niet alleen na zijn dertigste jaar geopenbaard; Hij zal hier ook al in Zijn jeugd uiting aan hebben gegeven. Dat kan ook niet anders!

Hij deed geen zonde, in Zijn mond werd geen bedrog gevonden. Als Hij uitge­scholden werd, schold Hij niet terug. Hij dreigde niet als Hij leed; Hij gaf het over aan Hem die rechtvaardig oordeelt (1Pe.2:22,23). Deze woorden gelden voor het gehele leven van Jezus op aarde!

Hij was gehoorzaam aan Zijn ouders en bracht het dienen ook in die fase van zijn leven reeds volop in praktijk. Hij hielp Jozef in het eigen timmerbe­drijf en werd ook zèlf een timmerman. Dit blijkt uit Marcus 6:3, waar de mensen Hem 'de timmerman' noemen. Later zou Hij een uitspraak doen die hier nog aan herinnerde: Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet? Doe eerst de balk weg uit uw oog en dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter in het oog van uw broeder weg te doen (Luc.6:41,42).

Deze waardige wijze van leven, deze prachtige mentaliteit en gezindheid moet zijn opgevallen in het gezin waar Hij opgroeide en in de omgeving van Nazareth. Zonder al te veel woorden zal Jezus in Zijn jonge leven reeds aan velen hebben getoond hoe een mens mag en kan leven in verbon­denheid met God.

In de tempel

Het bijzondere van deze jongen viel ook op in Jeruzalem, toen Hij als twaalfjarige te midden van de leraars van Israël zat, en naar hen hoorde en hun vragen stelde. Allen nu, die Hem hoorden, waren verbaasd over Zijn verstand en Zijn antwoorden (Luc.2:46,47).

Jezus heeft daar niet als 'betweter' gezeten, maar als iemand die in alle bescheidenheid zich een beeld wilde vormen van de gedachten van de leidslieden in zijn tijd. Hij wist Zijn plaats. Zijn tijd zou nog komen. Toen Jozef en Maria Hem na drie dagen zoeken uiteindelijk in de tempel vonden, onderwierp Hij Zich aan Zijn ouders en was hun onderdanig (vs.51).

Deze gezindheid van Jezus zal ook de gesprekken met de leraars in de tempel hebben geken­merkt. Dit sierde Hem, deze instelling wekte waardering alom. Daarom schrijft Lucas, opnieuw als een conclusie: En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen (2:52).

Ingrijpend

Jezus zal in Zijn jonge jaren op grond van alles wat Hij las, hoorde en beleefde voor Zichzelf tot de conclusie zijn gekomen dat Hij het was waarover geschreven en geprofeteerd was, dat Hij het was waar het volk al eeuwen en eeuwenlang naar had uitgezien, dat Hij de beloofde Messias, de Christus, zou mogen zijn, dat Hij Zijn volk, ja de gehele mensheid zou mogen gaan verlos­sen van hun zonden en tot God zou mogen terugvoeren.

Wat een ontdekking zal dat voor Jezus zijn geweest, toen Hij Zich dit bewust werd en het in steeds vollere omvang tot Hem doordrong. Wat een diep ingrij­pend moment moet het zijn geweest toen God dit met overtuiging in Hem bevestigde! We kunnen ons daar nauwelijks een voorstelling van maken.

Bewustwording

Jezus werd Zich bewust wie Hij was. Wat zal er in Hem zijn omgegaan toen Hij - eenmaal dit wetende en beseffende - nog eens opnieuw de profetische voorzeggingen over de Messias tezamen met Zijn Vader doornam! Zullen gedeelten als Jesaja 9:5-7, 11:1-5, 49:5-7 Hem niet diep hebben geraakt?

Jezus werd Zich bewust van de realiteit in de geestelijke wereld. Hij had Zijn God reeds in de persoonlijke omgang leren kennen. Hij wist dat Zijn Vader enkel goed was en vol van liefde en genade. Hij zal dit in de heerlijke woorden uit Psalm 103:1-13 hebben herkend. Tegelijkertijd zal Hij beseft hebben dat er bij de mensen die rondom Hem leefden en vóór Hem hadden geleefd geen heldere visie bestond op het ware wezen van God en er ook totaal geen zicht was op de werkelijkheid van de geestelijke wereld. Hij begreep dat dit door de werkingen van de duivel en zijn boze geesten verborgen was gebleven.

Voorbereiding

Wat zullen de woorden uit Psalm 78:2 Hem in dit verband hebben aangespro­ken: Ik wil mijn mond openen tot een les (Gerhardt), Ik wil aloude verborgenhe­den verkondigen, diepzinnige lessen uit de voortijd verkonden en ontsluiten (Obb/Can/Gerh).

Daarop bereidde Hij Zich voor. Om helderheid en duidelijk­heid te scheppen over God en Zijn heerlijke plan met mens en schepping. Om zicht te geven op de realiteit van het Koninkrijk der hemelen. Om kennis en inzicht te geven in de aard en werkingen van de boze geesten, die de mens van het deelheb­ben aan het plan van God wilden afhouden. Om de mens het evangelie te verkondigen van genade en heil, van verlossing en bevrijding van de overheer­sing van de duivel en de dood. Om hen de blijde boodschap te brengen van herstel en genezing. Om hen deel te laten krijgen aan het ware leven Gods, en te laten toekomen aan het beërven van de heerlijk­heid Gods.

Taak

Jezus werd Zich tegelijkertijd bewust van wat daar allemaal voor nodig was. Van Zijn taak als Knecht des Heren en bovenal als Lam Gods. Gedeelten als Jesaja 42:1-4, 61:1-3, Psalm 72:12-15,17 en vooral Jesaja 53 zullen Hem hierin enorm hebben ontroerd. Hij ging Zijn centrale plaats in het gehele plan van God beseffen en ervoer in Zijn hart het grote, intense verlangen om daar geheel aan te gaan beantwoorden.

Wat zal er in die fase tussen God en Jezus veel zijn uitgewisseld over deze dingen. God verklaarde de profetische woorden, openbaar­de de ontbrekende details en verzekerde Zijn Zoon van de mogelijkheden om dit alles ter hand te gaan nemen en uit te voeren, ja, daar als overwinnaar en vredevorst uit te voorschijn te komen.

Antwoord

Jezus kreeg ook zicht op de voltooiing van Zijn werk, op de voleindiging aan het einde der tijden. Profetieën als Joël 2:23-32 en Jesaja 65:17-25 zullen daar op heerlijke wijze aan hebben bijgedragen.

Alles paste in elkaar. Het werd één geheel voor Jezus. Hij ging het overzien en doorzien. Hij raakte doorkneed in de Schriften en geheel op de hoogte van Gods plan. Alles in Hem ging daarin mee. Zijn geloof, Zijn wil, Zijn denken en spreken, Zijn hele hart en leven.

Het allesomvattende antwoord van Jezus op de uitnodiging van God rijpte in Zijn hart. De woorden uit Psalm 40:8,9 zullen Hem daarbij intens hebben aangesproken. Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste.

Zo groeide Jezus uit tot een volwassen geestelijk mens, een mens naar Gods hart, de mens door wie het oorspronkelijke voornemen des Heren voortgang kon gaan vinden.

Medeverantwoordelijk

Op deze weg naar de volwassenheid is Jezus door God geheiligd en bewaard. Wij hebben dat reeds gesteld. In de loop der jaren is Jezus aan deze heiliging zelf gaan bijdragen. Vanaf de fase dat Hij het kwade wist te verwerpen en het goede wist te verkiezen (Jes.7:15), heeft Jezus een zekere medever­antwoor­delijkheid gekregen in het proces van heiliging en ontwikke­ling.

Zijn eigen keuzen werden medebepalend voor het uiteindelijke resultaat.

Dit aandeel van Hemzelf werd groter naarmate Hij ouder en wijzer werd. Pas toen Hij gedoopt werd in heilige Geest heeft Hij de heiliging van God ten volle kunnen overnemen. Vanaf dat moment heiligde Hij Zichzelf.

Dit is dus geen bruuske of plotselinge overgang geweest, maar het logische gevolg van de vloeiend verlopen ontwikkeling in de periode daarvoor.

Rijp

Pas toen Jezus omstreeks dertig jaar oud was, achtte God de tijd rijp om Zijn Zoon de wereld in te zenden. Jezus was in twee werelden uitgegroeid tot een volwassen mens. Hij was ten volle voorbereid op Zijn taak. Hij was gaaf en volmaakt gebleven, heilig en rein, en vol geworden van de ware kennis Gods. Dit had Hem intens verrijkt, Zijn leven vol gemaakt van wijsheid, inzicht en gerechtigheid.

Hij was eraan toe, er helemaal voor gereed. Gerijpt tot in alle vezelen van Zijn bestaan.

Jezus kon op dat moment, in die fase van Zijn leven een volmaakte en volwassen keuze maken: de beslissing om Zich geheel ten dienste van het plan van Zijn Vader op te stellen en Zich als Lam Gods voor de zonde van de gehele wereld te geven. Dit zou Hij gaan vastleggen in Zijn waterdoop. Daarover een volgende keer.

Vrede

God heeft er dus alle tijd voor genomen om Zijn Zoon voor te bereiden op Diens wereldomvattend werk. In volle rust en vrede is dit tot stand gekomen, in een steeds intiemer en intenser wordende relatie.

Jezus is ook van Zijn kant niet vooruit gelopen op de ontwikkeling. Hij wilde - ook reeds in die fase van Zijn leven - niets doen, zonder dat Hij het Zijn Vader zag doen (naar Joh.5:19)!

Geen spoor van haast is in dit groeien naar volwassenheid te ontdekken, geen zweem van opjutten of voortdrijven. Het bekende schriftwoord uit Jesaja 28:16 'Hij die gelooft, haast niet' is juist ook ten aanzien van dit proces geheel van toepas­sing geweest. In groot geloof en zekerheid, in liefde, vertrouwen en geduld heeft God tezamen met Jezus gewerkt en gewacht tot het grote moment daar was.

Voorbeeld

De ontwikkeling in het leven van Jezus mag ons tot voorbeeld dienen in de heiliging en opvoeding van onze eigen kinderen binnen de gemeente. In wezen komt in dit schitterende groeiproces van Jezus het normale en oorspronke­lijk door God bedoelde te voorschijn voor alle mensen.

Ook onze kinderen mogen reeds op jonge leeftijd bekend worden gemaakt met het wezen van God en Jezus Christus, het werk van Jezus als Lam Gods, en met het plan van God met hun leven. Daar hoeven we niet mee te wachten tot ze 'groot' zijn. Het is normaal dat zij daar belangstelling voor tonen en interesse in hebben, dat ze woorden Gods kunnen begrijpen en bevatten en deze kunnen toepassen in hun dagelijks leven. Het is goddelijk normaal dat zij reeds op jonge leeftijd leren om bezig te zijn met de dingen des Vaders (naar Luc.2:49).

Overnemen

Van een twaalfjarige kan en mag naarmate de geestelijke ontwikkeling zich in de gemeente voortzet, steeds meer verwacht worden. Hij mag leren bijdragen aan zijn eigen heiliging, het samen met zijn ouders verder voortzetten, om het na de doop in heilige Geest zelf te kunnen overnemen. En dat geldt ook voor het verkrijgen van kennis van het woord Gods. Hij mag zich onder leiding leren verdiepen in de Schrift, om het daarna ook steeds meer uit eigener beweging ter hand te nemen. Hij mag daarin een steeds grotere medeverantwoorde­lijkheid gaan dragen.

Reeds op jonge leeftijd mogen onze kinderen de instelling en gezindheid van Jezus leren overnemen. Zeker wanneer zij dat in het leven van hun ouders herkennen en daar dus elke dag een sprekend voorbeeld van zien.

Het leven van Jezus vóór Zijn openbare optreden mag in alle facetten model staan voor de heiliging en opvoeding van de kinderen in onze gezinnen en voor het kinder- en jeugdwerk binnen onze gemeenten. Wat een toekomst gaan we tegemoet als al deze dingen in ons midden tot rijping en volheid komen!