Genesis 21:22 – 22:24

Verbond met Abimelek

In Genesis 21:22 komt Abimelek op bezoek bij Abraham. Genesis 21:22-34 - In die tijd zei Abimelek, alsook zijn legeroverste Pikol, tot Abraham: God is met u in alles wat gij doet. Nu dan, zweer mij toch hier bij God, dat gij niet bedrieglijk met mij zult handelen, noch met mijn kroost, noch met mijn nageslacht; naar de vriendschap, die ik u betoond heb, zult gij mij en het land waarin gij als gast vertoeft, behandelen. En Abraham zei: Ik zweer het. Maar Abraham maakte Abimelek een verwijt over een waterput, die de knechten van Abimelek zich hadden toegeëigend. Daarop zei Abimelek: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ook hebt gij het mij niet meegedeeld, en ik heb het ook niet vernomen vóór vandaag. Toen nam Abraham schapen en runderen en gaf ze aan Abimelek, en die beiden sloten een verbond. Maar Abraham zette zeven lammeren van de schapen afzonderlijk. Toen zei Abimelek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammeren hier, die gij afzonderlijk gezet hebt? En hij zei: Voorzeker moet gij de zeven lammeren uit mijn hand aannemen, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven heb. Daarom noemt men die plaats Berseba, want die beiden hebben daar gezworen. Toen zij te Berseba het verbond gesloten hadden, gingen Abimelek en zijn legeroverste Pikol heen, en keerden naar het land der Filistijnen terug. En (Abraham) plantte te Berseba een tamarisk, en riep daar de naam van de Here, de eeuwige God, aan. En Abraham vertoefde vele dagen als vreemdeling in het land der Filistijnen.

Abimelek wil met Abraham een verbond sluiten. Waarom? Mogelijk om toch een beetje te delen in alle zegeningen die God aan Abraham schenkt. Abimelek is overtuigd geraakt van de bijstand die Abraham van zijn God krijgt. Hij is overtuigd geraakt dat Abraham een profeet is en dat het gebed van hem kracht heeft. Hij wil wel vriendjes worden met Abraham. Mogelijk wil hij ook zijn nageslacht bewaren voor verlies van land. Overtuigd als hij is dat Abrahams nageslacht het land zal beërven. Hij denkt: hoe moet dat met mijn nageslacht, want deze man wordt groot onder zegen van de Heer.

Abimelek vindt dat hij Abraham vriendelijk heeft behandeld. Dat valt nog te bezien. Hij had Sara gewoon van Abraham afgenomen en haar pas in een later stadium aan hem teruggegeven. De echte vriendschap met Abraham kwam pas toen hij van zijn probleem was verlost. Motieven zuiver of onzuiver, Abimelek wil vriendschap met Abraham. En Abraham gaat er op in, maar trekt daarbij wel een onaangename zaak die is voorgevallen, recht.

Belang van waterputten

Waterputten zijn van levensbelang in die tijd, zeker als men een zwervend bestaan leidt. Water is nodig voor het leven. En als je dan een waterput gegraven hebt en daar komt goed, helder water uit en die wordt daarna in beslag genomen door degene van wie het land is, is dat niet leuk. Abraham mocht wonen in het land van Abimelek, hij mocht de waterput gebruiken, maar die put was niet van hem. Integendeel, de knechten van Abimelek pikten die put gewoon in. Abraham had nog geen rechten in dat land. Maar als Abimelek, de koning van Gerar, met hem een verbond wil sluiten, wil Abraham dit recht trekken en brengt hij de kwestie ter sprake.

Wat doet Abimelek? Hij begint zich te verontschuldigen: dat wist ik niet, dat heb ik niet geweten. Maar hij komt Abraham niet tegemoet. Hij zegt niet: natuurlijk, dat is fout, jij krijgt die put. Nee, dat doet hij niet. Hij erkent dat recht op die put niet uit zichzelf. Hij verontschuldigt zich alleen maar over de gang van zaken. Daarom neemt Abraham het recht op die put mee in dat verbond met Abimelek.

De verbondssluiting vindt op de gebruikelijke wijze plaats: er worden schapen en runderen in tweeën gesneden en aan weerszijden van een pad gelegd, waarna beiden ertussendoor lopen. Te vergelijken met het verhaal in Genesis 15. Van de schapen die hiervoor gebruikt worden, plaatst Abraham zeven lammeren apart. Dat is niet gebruikelijk. Daarom vraagt Abimelek: Wat bedoel je hiermee? Abraham zegt: Neem die 7 lammeren van mij aan en leg daarbij een eed af. Zweer hier onder het aannemen van deze zeven lammeren, dat jij mij nu het recht op die put geeft.

Het Hebreeuwse werkwoord zweren is afgeleid van het telwoord zeven. Als iemand iets zweert, roept hij als het ware het getal zeven aan: hij is aan het zevenen, zweren. En zeven is het getal van het verbond tussen God en mensen. Wij kennen wel het woord zeveren, maar zevenen kennen wij eigenlijk niet. Zweren heeft in de bijbel te maken met getal zeven. Daarom geeft Abraham zeven lammeren aan Abimelek, waarna deze kan zweren: een bekrachtiging van het gesloten verbond.

Berseba

Abraham noemt de plaats met die waterbron: Berseba. Ber betekent bron, en seba is afgeleid van zweren, van zevenen. Het is de bron van de eed. De bron van de zeven lammetjes: Berseba. De waterput wordt het eigendom van Abraham. Hij krijgt het recht, heeft voortaan het alleenrecht op het water uit die bron die helemaal in het zuiden van het toenmalige Kanaän ligt.

Daar gaat hij wonen. Verzekerd van water. In droge, moeilijke tijden is water van levensbelang. Voor zijn kuddes ook. Hij gaat daar wonen en plant er een tamarisk. De Lutherse vertaling zegt: hij plant er bomen. De Statenvertaling heeft: hij plant er een bos. Hij maakt er wat moois van. Hij wil er wel een tijdje blijven wonen. Dat doe je niet zomaar. Hij wil nu eindelijk wel eens rust na alles wat hij heeft meegemaakt. Met een eigen waterbron …

Abraham roept daar de naam des Heren aan. Dat is publiekelijk de naam des Heren prijzen. Hij houdt daar ‘diensten’ rondom die bron Berseba. Die plaats en die bron bestaan nog steeds. Die bron geeft nog steeds helder en voortreffelijk water tot op de dag van vandaag. Berseba is de meest zuidelijke stad geworden in het uiteindelijk Kanaän waar het volk Israël heeft gewoond. Als het land wordt beschreven, gebruiken de bijbelschrijvers vaak: van Dan (in het noorden) tot Berseba (in het zuiden). Abraham heeft daar lange tijd gewoond.

Rustig genieten?

Is het dan rustig? Mag de oude vader der gelovigen nu eindelijk gaan genieten van zijn welverdiende rust? Mag hij Isaak zien opgroeien, sterk worden, zien toenemen in de genade en kennis des Heren, mag hij nu daarvan gaan genieten? Boven de eerste perikoop in Genesis 22 staat dat Abrahams geloof op de proef gesteld wordt. Hij krijgt te maken met een intense innerlijke strijd, waarin zijn geloof het ongemeen zwaar te verduren krijgt. U kent het verhaal, ik hoef het niet uitvoerig te vertellen, het staat zelfs in alle kinderbijbels. Abraham moet zijn zoon Isaak gaan offeren op de berg Moria. Dat is geen makkelijk verhaal om te vertellen aan kinderen of jonge mensen, aan oudere mensen. Het is geen makkelijk verhaal om te vertellen in de gemeente; het is een van de moeilijkste delen uit de Bijbel, denk ik.

Isaak offeren?

Abraham, ga de zoon op wie je zo lang hebt gewacht offeren op de berg Moria. Moet hij de zoon der belofte in wiens komst hij tegen hoop op hoop is blijven geloven, juist vanwege die belofte, moet hij die zoon offeren? Zijn enige zoon die hij zo intens liefheeft? Isaak die de lach en de vreugde in zijn leven en dat van Sara heeft gebracht. Door wie men van zijn nageslacht zal spreken, heeft God gezegd in Genesis 21:12. Moet hij die gaan offeren? Moet dat echt? Abraham gaat het doen. Hoe is hij daarbij gekomen? Wat heeft hem hiertoe gebracht? Dit bestaat toch niet? Om je zoon te moeten gaan offeren? In Hebreeën 11 vinden we een eerste ‘opening’ om dit moeilijke verhaal te gaan begrijpen.

Abraham wordt verzocht

In Hebreeën 11:17-18a staat: Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.

Abraham wordt verzocht om zijn zoon ten offer te brengen. Het is een verzoeking, zegt Hebreeën 11. En wat zegt Jakobus over verzoekingen? Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking (Jak.1:13).

Hoe is Abraham hiertoe gekomen, wat heeft hem hiertoe gebracht? Een verzoeking, jazeker, maar die komt dus niet van God. Abrahams geloof wordt wel stevig op de proef gesteld in deze verzoeking. Althans, zo zegt Genesis 22:1 het: God stelde Abraham op de proef. Welke ‘god’ stelt hem op de proef, durf ik te vragen? Abraham woont in een land waarin vele goden wordt gediend. Kanaän is een land vol afgoderij. En die goden zetten de mensen van dat land aan tot de meest gruwelijke vormen van verering: tot kinderoffers. Die worden in de Bijbel ook beschreven. Berucht zijn de kinderoffers aan de Moloch in het latere Israël. Vlakbij Jeruzalem ligt het dal Hinnom: daar stond het beeld van de Moloch, daar werden kinderen in het vuur gegooid, geofferd aan die god. Vreselijk! Er werden ook kinderen aan Baäl en Astarte geofferd. Of aan de god van de Moabieten, Kamos. Het is schering en inslag in de afgodendienst van de volken rondom. Het gebeurde ook in Egypte. Ja, waar eigenlijk niet in die tijd. Vaak werden die offers aangewend om ongeluk af te wenden. Of om een zegen van die afgod, de god die ze dienden, af te smeken. Om iets gedaan te krijgen van die god. En dan gaven de mensen het liefste wat ze hadden, hun eigen kind. Ook koningen offerden hun kinderen aan de Moloch. Bang dat ze een oorlog zouden verliezen, namen ze een van hun kinderen en gooiden die dan in het vuur. Dat was in die tijd gebruikelijk. In Egypte gooide men ze voor de krokodillen. Vreselijk. Puur duivels. Een gruwel voor de Heer. Van de naam van dat dal bij Jeruzalem, Hinnom, is het latere woord Gehenna afgeleid: het woord dat het Nieuwe Testament gebruikt voor de hel, de poel van vuur.

Wie heeft Abraham hiertoe aangezet?

Waarmee is Abraham bezig geweest in die tijd bij Berseba? Ik mag ook zeggen: wie is er met Abraham bezig geweest, wie heeft hem hiertoe aangezet? Abraham heeft in zijn leven zoals we dat tot nu toe hebben gevolgd, meer keuzen gemaakt en dingen gedaan waarvan wij nu kunnen zeggen: man, hoe ben je daarbij gekomen? Waarom ben je afgedaald naar Egypte, als je weet dat de Heer zo voor je zorgt? Wie zet je daartoe aan? Later doet hij het nóg een keer; hoe is het mogelijk! Je weet toch hoe het ging de vorige keer? De geschiedenis herhaalt zich.

Vlak nadat God hem zijn zoon belooft en een verbond met hem sluit, gaat Abraham mee in de gedachte van zijn vrouw Sara om Hagar tot vrouw te nemen. Zij zou dan het kind moeten baren dat Abrahams erfgenaam moest worden. Hij doet het, wat een verzoeking! Allemaal bedoeld om de belofte die God in Abrahams leven wilde verwezenlijken, te verijdelen. Om die belofte niet in vervulling te laten gaan. Door dat voorstel van Sara om met Hagar een kind te krijgen, is veel ellende ontstaan. Het had ook anders gekund.

Wat gebeurt er met Abraham op zulke momenten? Genesis 22 geeft ons geen zicht op Abrahams gedachten en overwegingen. Als je heel Genesis 22 leest, lees je niets over de motieven en gevoelens van Abraham, over wat er in zijn innerlijk omgaat of is omgegaan. Het beschrijft alleen wat Abraham doet.

Wat heeft Abraham overwogen?

In Hebreeën 11 staat nog méér: Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen (Heb.11:17-18).

Abraham heeft in zijn hart iets overwogen… Als je denkt aan ‘opwekking uit de doden’, moet je daarvóór ook iets in je om hebben laten gaan over ‘sterven’. Abraham heeft blijkbaar nagedacht over opstaan uit de dood en ingaan in de dood. Hij zal overwogen hebben wat het sterven van zijn zoon te betekenen zou hebben. De zoon door wie men van nageslacht zou spreken. Met welk doel? Waarom dit offer? Wat is de betekenis van dit offer?

Abraham heeft zijn gedachten erover laten gaan, dat is duidelijk. Tot welke conclusies zou hij gekomen zijn? Als aan Abel bij het brengen van zijn offers en het zoeken van de dingen van God, al duidelijk is geworden dat er zonder bloedstorting geen vergeving mogelijk is, zal Abraham in die lijn zijn doorgegaan. Zonder bloedstorting geen vergeving. En Abraham bracht regelmatig zulke offers aan God. Door Isaak zal men van nageslacht spreken… In u zullen de volken, alle volken, gezegend worden… Wat is er dan nodig als alle volken gezegend moeten worden? Een offer ten behoeve van alle mensen. En is een offer van een dier dan wel genoeg?

Abraham is op zoek

Ik kan me voorstellen dat Abraham met die gedachten bezig is geweest, daar onder zijn tamarisk in Berseba. Hij is heel zijn leven op zoek geweest naar een stad van God met fundamenten in de hemel, een stad waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Voortdurend is hij op zoek naar de dingen van de geestelijke wereld. En regelmatig mag hij zijn ogen opslaan en ziet hij weer iets van die werkelijkheid bij zijn Heer, zijn God.

Maar er zullen ook momenten zijn geweest dat hij iets anders in die geestelijke wereld heeft gezien en gehoord. In zijn zoeken naar de dingen van God heeft de vijand zich ingezet om hem andere dingen te laten zien. Begrijpelijk. De vijand heeft pogingen ondernomen om binnen te dringen in dat geestelijke bezigzijn van Abraham. Om hem te verzoeken, te verleiden. Als God met Abraham een verbond wil sluiten, ziet Abraham vuur en dikke rook. Bij de bespreking hiervan hebben we dit als invloeden vanuit het rijk der duisternis aangemerkt. Die werkingen zijn er dus óók in zijn leven.

De HEER = Jahweh

In dit verhaal is mij iets opgevallen. Waar je in de het Oude Testamant HEER, HERE of HEREN met hoofdletters ziet staan, staat in de grondtekst JHWH (spreek uit: Jahweh), de eigennaam van God. Genesis 12:1 - De HERE nu zei tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal. Genesis 12:7 - Toen verscheen de HERE aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. Genesis 13:14 - En de HERE zei tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. Genesis 15:4 - En zie, het woord des HEREN kwam tot hem… Genesis 15:7 - En Hij zei tot hem: Ik ben de HERE, die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land in bezit te geven. Genesis 15:18 - Te dien dage sloot de HERE een verbond met Abram. Genesis 17:1 - Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk. Genesis 18:1 - En de HERE verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre. Genesis 21:1 - De HERE bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, en de HERE deed aan Sara, zoals Hij gesproken had… Steeds weer de HERE: JHWH.

Elohim = God of goden

En dan hier in Genesis 22:1 - Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde. Hier staat geen JHWH, maar een ander Hebreeuws woord: Elohim. JHWH is de naam van God, de eigennaam van de Schepper van hemel en aarde. Elohim is een aanduiding voor een hoog verheven wezen, een aanspreektitel voor een hoog verheven persoon. Dat kan Jahweh zijn: Hij kan en mag God genoemd worden, je mag Hem met die titel aangespreken. In 90% van de keren dat Elohim in de Bijbel voorkomt, wordt Jahweh bedoeld. Maar in 10% ervan duidt die naam/titel op geheel andere wezens, op goden van een geheel ander rijk in de hemelen. Bijvoorbeeld in Genesis 31:30 - Nu dan, als gij zijt heengegaan, enkel omdat gij zo vurig naar uws vaders huis verlangt, waarom hebt gij dan mijn goden gestolen? En in Genesis 35:2 - Toen zei Jakob tot zijn huis en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in uw midden zijn, reinigt u en verwisselt uw klederen.

Elohim kan, zowel in enkelvoud als in meervoud, Jahweh aanduiden. Maar het kan ook een aanduiding zijn van andere goden dan Jahweh.

Abraham slaat zijn ogen op

In Genesis 22:4 lezen we: Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg, zag hij die plaats in de verte. Op de derde dag ziet Abraham iets dat hij daarvoor nog niet zag. Pas dán slaat hij zijn ogen op en ziet hij van verre. Ja, wat ziet hij?

Genesis 22:11 - Maar de Engel des HEREN riep tot hem van de hemel en zei: Abraham, Abraham! En hij zei: Hier ben ik. En Hij zei: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden. Hier staat weer ‘Jahweh’. Bij monde van zijn engel roept Jahweh Abraham twee keer, de enige keer dat dat zo beschreven staat. Hier spreekt Jahweh weer!

Welke ‘god’ spreekt in Genesis 22:1 tot Abraham? Is dat Jahweh geweest? Ik denk het niet. Er zijn in dit verhaal meer goden in de hemelsferen aan het werk. Het is niet alleen maar een zaak tussen Abraham en Jahweh. Maar ook tussen Abraham en een andere god dan Jahweh. Het loopt door elkaar.

Waar zien we dat later ook? Als Jakob, Abrahams kleinzoon, na lange tijd terugkeert naar Kanaän en de Jabbok moet oversteken, voert hij een hevige strijd met een man. Wie is die man? De ene keer denk je: dit is de Heer. De andere keer denk je: het is een man, een engel (Hos.12:5) die hem tegenhoudt om Kanaän binnen te gaan. Je kunt dit alleen maar gaan begrijpen als de werkelijkheid van de geestelijke wereld voor je open gaat. Als je ziet dat er twee partijen in de geestelijke wereld zijn die zich met mensen bezighouden. Vooral met degenen die naar de verlangens en gedachten van God willen leven. Mensen die hun ogen in de hemelsferen mogen opslaan, en daar dan in aangevallen worden, verzocht worden, verleid kunnen worden door andere geesten dan de Geest van God.

Meerdere werkingen

Ik geloof dat de vijand van Abraham in dit verhaal van Genesis 22 ook meespeelt. De vijand die het wonder dat Jahweh in zijn leven heeft bewerkt, alsnog onderuit wil halen. Door Isaak zal men van uw nageslacht spreken. Als je daar een eind aan maakt, komt het leven van Isaak niet tot zijn doel. Dan bereikt God zijn doel niet met Abraham. Dat heeft die macht bedacht, daartoe heeft die elohim Abraham willen aanzetten. Hij gebruikt woorden waaruit Abraham niet direct de bron kan opmaken.

In dit verhaal zien we goede werkingen van God vanuit de innige relatie van Abraham met Jahweh. Maar ook verkeerde werkingen vanuit die macht, die ‘god’ die zich met Abraham wil bemoeien en hem al eerder in zijn leven heeft aangezet tot verkeerde dingen. Die geestelijke werkingen lopen door elkaar heen: inspirerende woorden vanuit God en verzoekingen van de vijand. Versterkingen van Abrahams geloof van Godswege, alsook beproeving en verzoeking van het geloof vanwege de vijand. We mogen het met onderscheiding van geesten uit elkaar halen.

God laat Abraham veel zien

Abraham leeft met Jahweh, zijn Heer en God. Abraham gelooft Hem, vertrouwt Hem en is daarin een voorbeeld voor allen. Hij is de vader der gelovigen. En wat kan Jahweh veel kwijt aan zijn vriend Abraham. Met een vriend kun je veel delen, die kun je veel laten zien. God heeft Abraham veel laten zien, veel meer laten ontdekken van de ‘dingen van boven’ dan zijn tijdgenoten. Over het leven in de hemel: wie zal er in die tijd gezocht hebben naar een stad met fundamenten in de hemel? Melchisedek misschien? God heeft Abraham beloften gegeven, verbonden met hem gesloten, tot hem gesproken. Zou Jahweh hem dan ook al niet iets hebben geopenbaard over zijn plan met mensen? Over zijn voornemen aangaande de Christus, in wie werkelijk alle volken der aarde gezegend zullen worden? Uit jouw nageslacht, Abraham, komt deze Redder en Verlosser voort. In Hem zal de hele wereld gezegend worden. Daarvan zal Abraham iets hebben geproefd in deze beproeving.

Abraham denkt: dat moet Isaak zijn. Maar het gaat de Heer niet om Isaak, maar om de Christus. Natuurlijk is Isaak ook zaad van Abraham, maar Jahweh doelt op een andere telg, op een zeer bijzondere nakomeling van Abraham, op Hem die in de volheid des tijd als nazaat van Abraham geboren zal worden. En daarin ligt volgens mij de verwarring. Abraham denkt: het is nodig om Isaak te offeren, want door dat offer zal er verzoening aangebracht worden op een veel hoger niveau dan met dieren ooit kan bereikt worden. Daarmee zit hij wel op een goede denklijn, maar het gaat niet over Isaak. Het gaat over de Christus, het volmaakte Lam van God. Dat is door elkaar heen gaan lopen. En met alle overwegingen is hij gaan denken: ik moet Isaak gaan offeren. En daar zal de vijand op ingespeeld hebben. Natuurlijk: dat moet je doen, ga dat nu ook doen…

Te midden van al die overwegingen en gedachten heeft Abraham vastgehouden aan zijn God. Hij is blijven geloven in zijn Heer en God, Hem blijven liefhebben boven alles. Daarbij heeft hij overwogen dat God zelfs bij machte was om Isaak uit de doden op te wekken.

God geeft uitkomst

Abraham gaat op weg en houdt zich vast aan zijn God. Daardoor hebben deze dingen kunnen meewerken ten goede. Hij is er rijker uit tevoorschijn gekomen dan toen hij erin ging. Hij is nog meer bevestigd in zijn geloof en vertrouwen op God dan vóór dit gebeuren in Genesis 22.

Ik geloof dus niet dat Jahweh zélf Abraham heeft aangesproken en hem tot die daad heeft aangezet. Wat heeft Jahweh dan wél gedaan? Hij heeft Abraham niet aan de verzoeker overgelaten. Jahweh heeft Abraham in die verzoeking niet alleen gelaten. Jahweh is in dat dal van duisternis bij hem geweest. Hij is met hem mee gegaan, door al die vragen en situaties heen waarin Abraham zélf (nog) geen licht had. Abraham dacht dat hij er goed aan deed. De Heer gaat met hem mee in dat dal van verzoeking en beproeving, en zorgt voor uitkomst. In deze bijna bovenmenselijke verzoeking heeft God voor de uitkomst gezorgd. Dát is het aandeel van Jahweh in deze situatie. 1 Korintiërs 10:13 zegt: Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt. Psalm 41:2 vult aan: Welzalig hij die acht slaat op de geringe; ten dage des onheils zal de Here hem uitkomst geven. Mooi hè!

Ultieme offer

Wat zou Jahweh mogelijkerwijs dan wél hebben bedoeld? Wat is de aanzet van de Heer geweest in deze hele gang van zaken? Ik denk dat Abraham samen met Isaak best naar de berg Moria mocht gaan. De Heer heeft hem misschien wel in het hart gegeven om daar samen met Isaak een offer te brengen, met een lam waarvoor God zelf zou zorgen. Om Abraham iets duidelijk te maken. Je mag met je zoon naar een berg toe die Moria heet. Ik zal je die berg wijzen; daar mag jij een offer brengen. Niet het offer van je zoon, maar een offer met je zoon. En Ik zal daar voorzien in een lam. Die gedachten kunnen uit God gekomen zijn. Evenals dat ‘geleid’ worden naar de berg Moria, de berg waarop later de tempel is gebouwd en de offerdienst heeft plaatsgevonden. De plaats waar in de volheid des tijds het ultieme offer is gebracht, waar Jezus Christus - het ware offerlam waarin God zou voorzien - zou sterven voor de zonde van de gehele wereld.

Ik kan mij voorstellen dat God zijn vriend Abraham daarvan iets heeft willen laten zien. Door hem met zijn zoon, de eerste van zijn nageslacht, naar die berg te leiden en hem te laten zien wat daar later zou plaatsvinden. Ga maar naar Moria, Abraham, samen met Isaak. Neem hout mee en ga op weg. Dan kan ik jou op die plaats iets van de geestelijke situatie tonen waarin dat hemelse Jeruzalem zal verschijnen. Op de berg Sion, beeld van de heilige Geest.

Abraham mocht iets zien van een komende werkelijkheid, van het komende heil. En dat de vijand dan op zoiets moois probeert in te haken, door er met een duivelse verzoeking doorheen te komen: je moet daar je eigen zoon offeren… Ik heb me afgevraagd hoe het verloop deze geschiedenis zou zijn geweest als er geen andere God dan Jahweh zou hebben gesproken. Ik ga dat niet voor u uittekenen, want dan komen we in voorstellingen van zaken die niet beschreven staan.

Abraham gaat op weg

We nemen het verhaal nog met elkaar door. Abraham gaat ’s ochtends vroeg op weg. Zo’n man is het. Als hij weet dat hij iets mag doen, dan gaat hij ervoor. Dat staat er. Genesis 22:3 - Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isaak; hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en ging naar de plaats, die God hem genoemd had. Ook hier staat in de grondtekst elohim.

Abraham gaat meteen op weg. Net zoals hij Hagar en Ismael meteen wegstuurde, toen hij dat van God gehoord had. Een actieve man die de daad bij het woord voegt. Prachtig! Maar dan moet hij een reis maken van drie dagen. En dat zal geen plezierreisje zijn geweest. Kun je het je voorstellen, met al die gedachten die door hem heen gaan. Wat gaat er gebeuren? Ik heb de stem van mijn Heer en God toch wel goed verstaan? Heer, hoe moet dit? Drie dagen in gedachten ‘verzonken’. Een reis maken van Berseba naar de berg Moria, naar de plaats van het huidige Jeruzalem. En Isaak gaat mee. Ik denk dat hij wel vaker met zijn vader meegegaan is om te offeren; hij vindt dat niet vreemd. Hij gaat gewoon met zijn vader mee. Isaak is inmiddels al een hele ‘kerel’ geworden. Hij sjouwt later het hout mee de berg op: hij is geen ‘knulletje’ meer. Isaak loopt niet alleen met zijn vader mee, maar denkt ook met zijn vader mee. Hij komt mee in het geloof van zijn vader, want ook Isaak heeft heel wat te verwerken gehad op deze reis. Dat zal hem voorgoed bij gebleven zijn.

Abraham blijft in God geloven

Genesis 22:4 - Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg, zag hij die plaats in de verte. En Abraham zei tot zijn knechten: Blijft gij hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heengaan; wanneer we hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren. Toen nam Abraham het hout voor het brandoffer, legde het op zijn zoon Isaak, en nam vuur en een mes met zich mede. Zo gingen die beiden tezamen. 

En dan slaat Abraham op de derde dag zijn ogen op. Hij gaat iets zien van wat er gaat gebeuren. Hij ziet de berg Moria in de verte. Maar wat heeft hij op dat moment nog meer gezien? Het wordt niet beschreven. In ieder geval zegt hij tot zijn knechten dat ze daar moeten blijven en dat hij met Isaak naar de berg gaat, en dat zij na het offeren samen zullen terugkeren. Heeft hij al iets van de genade en goedheid van de Heer geproefd? Is hij bevestigd in de gedachte dat God zijn zoon uit de dood zal opwekken? Hij weet in ieder geval dat hij met Isaak terug zal komen. Dat is geloof. Dat is geen grootspraak van Abraham, het zijn geen woorden om de knechten gerust te stellen, want die weten van niets. Wat een geloofstaal van deze man! Geloof in de opstanding. Geloof in het feit dat de Heer zal voorzien. Later geeft hij aan de berg Moria deze naam: de Heer zal voorzien. De Heer heeft voorzien en Abraham heeft daar - in geloof - een vooruitblik op gehad. Iets in hem zegt dat de Heer zal voorzien. En dan gaat hij en raakt hij met Isaak in gesprek.

God zal Zichzelf van een lam voorzien

Genesis 22:7 - Toen sprak Isaak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader, en deze zei: Hier ben ik, mijn zoon. En hij zei: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer? En Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen. Moet je je voorstellen: loop je daar met je zoon waarvan je niet weet wat er met hem gaat gebeuren… God zal Zichzélf voorzien van een brandoffer, mijn jongen. En wat doet Isaak? Hij gaat mee, hij stopt met vragen stellen.

Eenmaal op de berg bouwen ze samen het altaar en leggen ze samen het hout erop. En dan komt het moment van de waarheid. Dan moet Abraham aan Isaak vertellen wat er in zijn gedachten is omgegaan en hoe hij daar op dat moment over denkt. Hij legt Isaak uit wat er volgens hem nu moet gebeuren en hopelijk ook daarna gaat gebeuren.

Wat doet Isaak? Hij bewilligt. Dat is ook een wonder. Om dat te aanvaarden en te geloven. Om met zijn vader méé te gaan geloven in de opstanding der doden, waardoor Gods beloften tóch in vervulling zullen gaan. Zullen ze samen gebeden hebben? Samen tot overeenstemming zijn gekomen hierover? Het wordt niet beschreven. Het geloof van beiden is beproefd, tot het uiterste toe. En dan komt op het allerlaatste moment de ‘oplossing’. Dan komt die uitkomst, rechtstreeks van Jahweh!

God grijpt in

Genesis 22:9-14 - Toen zij aan de plaats die God hem genoemd had, gekomen waren, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Isaak en legde hem op het altaar boven op het hout. Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. Maar de Engel des HEREN riep tot hem van de hemel en zei: Abraham, Abraham! En hij zei: Hier ben ik. En Hij zei: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden. Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. En Abraham noemde die plaats: De HERE zal erin voorzien; waarom nog heden gezegd wordt: Op de berg des HEREN zal erin voorzien worden.

Strek je hand niet uit naar de jongen en doe hem niets; Ik weet dat je Mij liefhebt bóven alles. Doe de jongen niets, dat is niet uit Mij. Op de zondagschoolplaatjes is het zwaard al geheven. Jahweh komt nooit te laat. Hij voorziet altijd, al is het in de allerlaatste seconde. Hij voorziet op zijn berg. Abraham noemt die plaats: de HEER zal voorzien. Op de berg des HEREN zal erin voorzien worden. Dat is de betekenis van die tempelberg. Voor alles wat werkt in de tempel van God: de HEER zal voorzien!

De Heer komt nooit te laat. Wat een lering voor Abraham en Isaak, voor alle gelovigen. En dan gaat de Heer nog een keer spreken. Genesis 22:15 - Toen riep de Engel des HEREN ten tweeden male van de hemel tot Abraham en zei: Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des HEREN: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt. Toen keerde Abraham terug tot zijn knechten, en zij gingen tezamen op weg naar Berseba, en Abraham woonde te Berseba.

De poort van de vijand in bezit nemen

Dat had God al eerder gezegd, maar hij voegt iets toe. Hij voegt toe dat ‘uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen’. Ik moest denken aan wat Jezus zegt tegen Petrus: En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen (Mat.16:18).

Dit zegt God niet zomaar tegen Abraham. God begint niet opeens over vijanden te spreken als er geen vijand in de buurt is geweest. Juist omdat die vijand op zo’n venijnige manier geprobeerd heeft om de zoon der belofte van kant te maken, zegt God: jij en je nageslacht zullen de poort van de vijand in bezit nemen. Wat een belofte! Je denkt dan misschien aan allerlei steden met poorten. Dat is ook gebeurd. Maar er klinkt hier ook een geestelijke belofte, die betrekking heeft op hemelse werkelijkheden. Een aanwijzing ‘achteraf’ van Jahweh voor het verstaan van het hele verhaal.

Wat een verhaal! Het heeft mij diep geraakt. Je kunt de Heer volkomen vertrouwen; dat blijkt. De Heer blijft je zegenen als je met Hem leeft, met Hem daden doet. Ook als je daarin wat misleid of verleid zou zijn en de verzoeker nog niet helemaal door hebt. De Heer gaat met je mee, Hij laat je niet alleen met de verzoeker, Hij laat je niet alleen in de duisternis, Hij bereidt daar voor jou een dis voor de ogen van wie je benauwen (Ps.23:4-5). Leer Hem kennen, die grote God en Vader: naar zijn hart, naar zijn wezen. En leer Jezus, zijn Zoon, kennen: Hij wil jou de Vader doen kennen, het wezen van God aan je openbaren. Leer Hem liefhebben boven alles, ook al zou dat je alles kosten. Misschien moet je daar dingen voor opgeven, dingen voor loslaten waarmee je nog verbonden bent. Wil je dat doen?

Onderscheid je vijanden en overwin ze

Sla je ogen op. Open je geestelijke ogen voor de dingen van boven. Dat is het allerbelangrijkste. Vraag de Heer daarbij om verlichting van je ogen, om onderscheiding van geesten. Bid om wijsheid in het onderkennen en doorzien van situaties, in het verstaan van wat werkelijk tot je vrede dient en wat daar niet toe dient. Om helder zicht op wat daar tussendoor wil lopen, om jou die vrede te onthouden. Vertrouw niet iedere geest. Zeg niet zomaar: de Heer heeft tot mijn hart gesproken… niet alle geesten zijn uit God. Johannes zegt het later heel duidelijk (1Joh.4:1). Overwin die vijanden.

Pseudovrome geesten kunnen met mooie en zelfs bijbelse woorden aankomen, waardoor het lijkt alsof de Heer spreekt. Maar ze spreken altijd met een andere bedoeling. Zij willen je altijd iets ontnemen, je altijd in de ellende laten belanden. Vertrouw niet iedere geest, overwin die vijanden. En blijf geloven en vasthouden dat de Heer voorziet. Waar moet je dan zijn? Op die hemelse berg! Beklim daarom de berg Sion en bouw mee aan de gemeente. Ook al zie je nog niet alles scherp en maak je wel eens een uitglijder. Dat geeft niet, de Heer zorgt en voorziet. Op zijn berg zal de Heer te allen tijde in al onze noden en al onze behoeften heerlijk kunnen voorzien. Dat schrijft Paulus in Filippenzen 4:19 - Mijn God zal in al uw behoeften naar zijn rijkdom heerlijk voorzien, in Christus Jezus.