Genesis 33:1 – 34:31
In de vorige bijbelstudie stonden we stil bij de strijd die Jakob aan de Jabbok heeft moeten voeren. In die nachtelijke worsteling die aan zijn ontmoeting met Esau vooraf gaat, komt werkelijk ‘alles’ in hemel en op aarde op hem af. Uiteindelijk gaat voor Jakob het licht op en breekt er voor hem een nieuwe dag aan. Mét zijn God overwint hij de vijanden uit zijn verleden en ontvangt hij van God een nieuwe naam: Israël. Met die naam mag hij het land Kanaän binnengaan. In diepe afhankelijkheid van Jahweh mag hij zich ‘vorstelijk’ gaan gedragen.
Jakob stelt zich op
In Genesis 33:1 lezen we het vervolg: Jakob nu sloeg zijn ogen op en daar zag hij Esau aankomen, en met hem vierhonderd man.
Jakob slaat zijn ogen op. Als de bijbel zegt dat iemand ‘zijn ogen opslaat’, gaat hij iets zien wat hij met zijn natuurlijke ogen alléén niet kan zien. Er komt iets bij: een indruk vanuit de geestelijke wereld die hij met zijn geestelijke ogen waarneemt. De NBV vertaalt dit min of meer ‘weg’: plotseling zag Jakob Esau op zich afkomen met vierhonderd man. Dat is jammer…
De confrontatie met Esau - de man met wie Jakob ruim twintig jaar geleden een groot conflict heeft gehad - is op handen. Tegelijkertijd beseft Jakob zijn nieuwe naam en positie: hij ziet op naar de Heer en stelt zich in verbondenheid met Hem als ‘Israël’ op. Hij grijpt niet terug op de slimheid en listigheid van vroeger; daar heeft hij mee gebroken. Gesterkt en vol vertrouwen gaat hij Esau tegemoet en zoekt daarbij naar wijsheid van boven.
Jakob gaat Esau tegemoet
Jakob treedt Esau tegemoet. Hij gaat zelf vooraan en stelt zijn vrouwen en kinderen achter zich op: eerst de beide slavinnen met hun zonen, dan Lea met haar zonen en dochter, en ten slotte Rachel met Jozef helemaal achteraan. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea en Rachel en de beide slavinnen. Hij plaatste de slavinnen en haar kinderen vooraan, Lea en haar kinderen daarachter, en Rachel en Jozef achteraan. En zelf ging hij voor hen uit en boog zich zevenmaal ter aarde, totdat hij bij zijn broeder gekomen was (Gen.33:2-3).
Ontmoeting met Esau
Jakob treedt Esau nederig tegemoet: hij buigt zich zeven maal neer voor Esau. In het oosten is dat een diepe erkenning van de ander in zijn positie en situatie. In deze ontmoeting erkent Jakob Esau als zijn oudste broer.
Esau ziet Jakob na al die jaren naderbij komen en zich steeds weer voor hem neerbuigen. De dag daarvoor heeft hij al die kudden naar zich toe zien komen. Bij het zien van Jakob lijkt er iets in hem te ‘breken’. Genesis 33:4 - Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij weenden. Daarna sloeg hij zijn ogen op, zag de vrouwen en de kinderen, en vroeg: Wie hebt gij daar bij u?
Ook Esau slaat zijn ogen op. Wat zal hij op dat moment gezien hebben? Wat is er bij hém binnengekomen? Hij huilt bij het weerzien van zijn broer. Hij ziet wat God in het leven van Jakob heeft gedaan. Hij ziet de zegen van God over Jakob in alles wat hij ziet van Jakob. Hij vraagt: Wie heb je daar bij je? Jakob antwoordt: De kinderen, die God in zijn genade aan uw knecht geschonken heeft. Daarop naderden de slavinnen met haar kinderen en bogen zich neer. Vervolgens naderde ook Lea met haar kinderen en zij bogen zich neer. En ten laatste naderden Jozef en Rachel en zij bogen zich neer(Gen.33:5-7).
Nieuwe kans
Voor Esau is deze ontmoeting met Jakob een nieuwe kans, een unieke gelegenheid om ook in geestelijke zin ‘naderbij’ te komen. Ook hij mag ingaan op de genade die God hem wil geven. Door naast zijn broer Jakob de plaats in te nemen die God voor hem bedoelt. Wil jij, Esau, je broer erkennen als de gezegende, en wil jij delen in die zegen van God over je broer?
Ik vermoed dat deze (heilrijke) gedachten bij Esau wel zijn ‘langsgekomen’. Maar tegelijkertijd zullen er ook heel andere gedachten in hem zijn opgekomen of op hem zijn afgekomen: min of meer ‘bekende’ gedachten van vroeger…
Hoe reageert Esau?
Hoe reageert Esau? Gaat zijn ‘openheid’ naar Jakob verder? Opent hij nu ook zijn hart voor wat God hem in deze ontmoeting wil tonen? Of komt het onverschillige weer bij hem op? Komt wat hem in het verleden zo vaak parten heeft gespeeld, weer naar voren? Wat gebeurt er op dat moment in de hemel van Esau?
De ontmoeting verloopt goed, beter dan verwacht. Het lijkt of alle problemen naar de achtergrond schuiven en nu alleen de broederband, de bloedband, spreekt. Dit lijkt op ware verzoening: de twee mannen omhelzen elkaar, kussen elkaar, er vloeien tranen... Maar is er ook sprake van werkelijke verzoening? De NBG zet boven deze perikoop in Genesis 33: Jakob met Esau verzoend.
Vindt er verzoening plaats?
De ontmoeting van Jakob en Esau is emotioneel. Wat is het goed om elkaar weer te zien en elkaar als broeders te aanvaarden. Om daar weer als een ‘tweeling’ te staan. Maar worden zij ook in geestelijk opzicht weer één?
Ik denk dat Jakob daartoe wel een poging heeft gedaan. Jakob wil Esau benaderen vanuit zijn nieuwe positie in zijn God. Hij merkt de vriendelijkheid bij Esau op en ziet dat als genade van God. Hij zegt tegen zijn broer: je hebt me met open armen ontvangen; toen ik je zag was het alsof ik oog in oog met God stond.
Genesis 33: 8-11 - Toen zei hij: Wat bedoelt gij met die gehele schare, die ik ontmoette? En hij zei: Om de genegenheid van mijn heer te winnen. Maar Esau zei: Ik heb al veel, mijn broeder; wat gij hebt, blijve het uwe. Doch Jakob zei: Geenszins, indien gij mij genegen zijt, neem dan mijn gave uit mijn hand aan, omdat ik uw aangezicht gezien heb zoals men het aangezicht Gods ziet, en gij welgevallen aan mij gehad hebt. Neem toch mijn geschenk, dat u gebracht werd, want God is mij genadig geweest en ik heb alles. En hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
Genademoment
Jakob wil Esau laten delen in de zegen die de Heer hem geschonken heeft en zijn nieuwe, geheel vernieuwde gedrag aan zijn broer tonen. In de hoop om voortaan in vrede en harmonie met elkaar verder te kunnen gaan.
Ik geloof dat dit voor Esau een ‘genademoment’ is geweest. Hij ziet Jakob naar zich toekomen, vervuld van Gods genade en zegen. Het ‘ontroert’ hem. In deze emotionele ontmoeting met zijn tweelingbroer krijgt Esau de mogelijkheid om zich alsnóg naar Gods wil en bedoeling ten opzichte van Jakob op te stellen. Om al het ‘oude’ achter zich te laten. En net zoals Jakob te ‘breken’ met wat hem al zijn leven lang parten speelt. En zich zo daadwerkelijk met Jakob te verzoenen.
Komt het ervan? Leidt deze ontmoeting tot echte verzoening? Nee. Ondanks de goede sfeer blijft het bij een kortstondige, ontroerende ontmoeting en draagt dit gebeuren in de geestelijke wereld weinig of geen vrucht. In vers 12-13 lezen we: En hij (Esau) zei: Laat ons toch opbreken en verder reizen; ik wil u begeleiden. Maar hij (Jakob) zei tot hem: Mijn heer weet dat de kinderen teer zijn, en dat ik kleinvee en zogende runderen bij mij heb; zou men die één dag al te zeer jagen, dan zou de gehele kudde sterven.
Ieder zijns weegs
Jakob en Esau aanvaarden elkaar, omhelzen elkaar en laten elkaar daarna los. Esau blijft niet langer dan nodig is: hij keert dezelfde dag nog terug naar Seïr met de geschenken die Jakob hem heeft gegeven. Jakob gaat ook zijns weegs: hij gaat Kanaän verder binnen zonder begeleiding van Esau, zonder dat Esau nog verder met hem optrekt. De twee broers laten elkaar los; ze gaan allebei hun eigen weg.
Onverschilligheid en weerspannigheid
Esau doet zoals hij dat gewend is. Hij stapt over de hele zaak heen. Het lijkt alsof het verleden voor Esau niet meer speelt. Esau lijkt grootmoedig: hij praat nergens meer over. Maar is dit grootmoedig? Of is dit in diepste zin onverschilligheid? Laat maar zitten allemaal, houd er maar over op… Misschien is het zelfs een beetje weerspannig: zand erover, geen oude koeien uit de sloot halen…
Genade wordt niet benut
Op zo’n ‘luchthartige’ manier kun je een lastig gesprek ingaan, en daarmee het gesprek eigenlijk uit de weg gaan. Maar dan kan er niets worden uitgesproken, niets worden benoemd en ook niets worden opgeruimd. Gods genade wordt dan niet benut, het echte ‘samen verdergaan’ blijft dan buiten bereik.
Jakob ziet het gebeuren. Het genademoment wordt door Esau niet benut. Jakob dwingt hem daar niet toe. Dat werkt ook niet: je kunt niemand dwingen om Gods genade aan te nemen. Jakob trekt wél zijn conclusie. Hij is blij met wat bereikt is en laat Esau teruggaan naar zijn eigen gebied in Seïr. Hij dringt niet aan: blijf nog een weekje en laten we dan nog eens verder praten… Nee. Hij ziet dat het bij Esau niet verder gaat dan het ‘emotionele’ en bespeurt geen wezenlijke verandering bij hem. Esau gaat terug naar huis en Jakob gaat verder op de weg die de Heer hem wijst.
Innerlijk verschil
Het blijkt dat Jakob en Esau in die twintig jaar innerlijk verder uit elkaar zijn gegroeid. En dan is het maar beter om los van elkaar verder te gaan. Jakob laat zich niet meeslepen door de emoties die zijn losgekomen. En ook niet door een meegaandheid naar Esau toe die niet van wijsheid getuigt. De grootvorst die zich al vóór de geboorte van de tweeling heeft gemanifesteerd, is nog steeds actief. In zijn strijd bij de Jabbok heeft Jakob zich ervan losgemaakt. Hij wil de genade die God hem heeft gegeven, volledig benutten en samen met God verder gaan. Esau is de beïnvloeding van die geest nog niet kwijt. Hij wordt op dit genademoment door die geest van daadwerkelijke verzoening met Jakob afgehouden.
Is uitpraten verstandig?
Waar ben je bij een poging tot verzoening op gericht? In zulk soort situaties denkt menigeen dat het ‘samen uitpraten’ alleen maar nieuwe problemen oplevert: niet doen, niet te veel praten, aanvaard elkaar, omarm elkaar, en geef elkaar de ruimte. En vaak is dat ook het beste. Als je geen rekening houdt met de werkelijkheid in de hemelsferen kun je inderdaad maar beter niet gaan praten. De machten der duisternis die het in die situatie zo moeilijk hebben gemaakt, gaan zich in zo’n gesprek opnieuw roeren. Daardoor wordt het vaak nóg moeilijker dan het al was. Vandaar dat veel mensen zeggen: houd toch op met dat gepraat, aanvaard elkaar gewoon, klaar… Ja, dat kan, dan ben je ook ‘klaar’.
Dieper gaan
Het gaat dan niet verder, niet dieper. Na zo’n ‘gesprek’ kun je niet verwachten dat je samen weer in één geest kunt optrekken. Want dan moet er ‘meer’ gebeuren, dan moet je allebei iets willen. En daar kun je de ander hooguit toe uitnodigen, maar nooit toe dwingen.
Wanneer je met elkaar zoekt naar het ‘hoogste’ in verzoening, kun je alles wat gebeurd is en nog gebeurt in Gods licht plaatsen. Dan kun je de genade die God in zo’n gesprek biedt, allebei volledig benutten. En daarin de dingen die gebeurd zijn ook zonder aanklacht en zonder beschuldigingen over en weer, benoemen. Dan kun je in heilzaam overleg samen iets gaan herkennen, samen de werkingen van de vijand in het licht stellen, en samen dingen opruimen. De wederzijdse vergeving kan dan uitmonden in ware verzoening.
Bij nieuwe problemen kun je terugvallen op deze basis en samen verdergaan. Hé, dit is weer net zoals vroeger. We gaan er samen tegenaan; net zoals toen. Zo kun je één van geest met elkaar verder…
Als dit niet gebeurt, maar slechts blijft bij een ‘knuffel’, keert het probleem vroeg of laat terug en komt het opnieuw tussen je in te staan. Op zo’n moment kun je de genade van de Heer alsnóg benutten. Dat kan altijd. God wil altijd genade geven, die volledige verzoening altijd mogelijk maken…
Vergevingsgezindheid
Vergeving en verzoening is een gevoelig terrein, vooral voor geestelijke mensen. Ik denk dat je te allen tijde in zo’n situatie onder leiding van de Heer mag handelen vanuit het zicht op de geestelijke werkelijkheid. Omdat je weet dat Heer niet verwijt, niet beschuldigt en niet aanklaagt, maar altijd tot vergeving bereid is, kun je dan ook zélf die vergevingsgezindheid aandoen, in de kracht die Hij je daartoe verleent.
In wijsheid en genade
Stel je op in die vergevingsgezindheid van de Heer, en doe wat Hij wil. Ga in op de genade die Hij je schenkt. En vraag om wijsheid. Is daadwerkelijke verzoening op dat moment mogelijk? Dan daarnaar handelen. Is het (nog) niet mogelijk? Dan is de eenheid van geest nog niet gerealiseerd. Dat moet je ook niet doen alsof het wél zo is…
Geen eenvoudig terrein. Nee. Laten ook wij onze ‘ogen opslaan’ en nog dieper leren putten uit de bronnen van heil. Dan kunnen we onder leiding van onze Heer op het gebied van vergeving en verzoening vooruitgang boeken.
Geef de ander de ruimte
Jakob geeft Esau de ruimte; hij werkt met Gods genade. Hij merkt op dat het bij Esau niet verder gaat dan een fijne ontmoeting met zijn tweelingbroer. Als Esau dan zijns weegs gaat, doet Jakob dat ook zonder zich verder nog beschuldigd te voelen: had ik maar dit of had ik maar dat… Jakob blijft de weg van de Heer bewandelen en Esau gaat terug naar Seïr. Na deze ontmoeting is er geen ‘spanning’ meer tussen hen.
Isaak sterft
Drie en dertig jaar na deze ontmoeting sterft Isaak, hun vader. Jakob woont dan in de omgeving van Isaak en Esau komt over uit Seïr. Samen begraven ze hun vader. Het is dan nog steeds ‘goed’ tussen de twee mannen. Maar ook op dat moment, in het samen begraven van hun vader Isaak, blijft een verdere toenadering tussen de broers uit. Ze hebben elk hun eigen leven en maken daarin hun eigen keuzen. Ze houden het daar maar bij. Meer zit er gewoon niet in…
Edom tegenover Israël
Hebben de boze geesten die in een eerdere fase zo duidelijk op Jakob en Esau zijn afgekomen zich in die latere fase van hun beider leven teruggetrokken? Zijn de werkingen van die occulte machten voorbij?
Nee, die geesten vanuit het voorgeslacht hebben wel degelijk doorgewerkt: in hun nageslacht. De machten waar Jakob in zijn strijd bij de Jabbok innerlijk afstand van heeft genomen, duiken in zijn nageslacht opnieuw op. In de nageslacht van Esau zie je het weerspannige en onverschillige doorwerken. Uit Jakob ontstaat het volk Israël, uit Esau ontstaat het volk Edom. Die twee (broeder)volken staan vierkant tegenover elkaar: in de geestelijke wereld en (daardoor ook) in de natuurlijke wereld. Zulke geesten wijken niet als mensen elkaar omarmen en kussen.
Occulte geesten werken door
Occulte geesten uit het voorgeslacht willen altijd doorwerken in het nageslacht. Zulke machten moet je benoemen, uitdrijven, en er innerlijk van loskomen. Dit geldt voor elke generatie in dat nageslacht. Uit zichzelf laten ze nooit los. In de loop van de geschiedenis zijn er veel conflicten en confrontaties geweest tussen Israël en Edom. Het Oude Testament beschrijft ze. En wat te denken van koning Herodes in het Nieuwe Testament. Deze Edomiet geeft de verschrikkelijke opdracht tot de kindermoord in Betlehem. Daar steekt die geest nóg een keer de kop op. Steeds weer verheft die geest zich tegen het volk van God, tegen de Christus, met de bedoeling om Gods plan onderuit te halen.
Met ‘Edom’ wijst de bijbel op het weerspannige en onverschillige, op het antigoddelijke en antichristelijke. Het gaat dan niet om mensen, maar om de macht die zich eeuwenlang door die mensen manifesteert.
Jakob trekt naar Sichem
Jakob trekt verder en vestigt zich eerst in Sukkot. Deze plaats ligt tussen de Jabbok en de Jordaan. Na enige tijd trekt hij verder naar Sichem.
Genesis 33:16-20: Dus ging Esau die dag weer zijns weegs, naar Seïr. Maar Jakob brak op naar Sukkot en hij bouwde zich daar een huis, en voor zijn kudde maakte hij hutten. Daarom noemde hij die plaats Sukkot. Jakob kwam op zijn tocht uit Paddan-Aram behouden bij de stad Sichem, in het land Kanaän en sloeg zijn legerplaats ten oosten van de stad op; hij kocht voor honderd geldstukken het stuk land waarop hij zijn tent gespannen had, van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. Daar richtte hij een altaar op en noemde dat: De God van Israël is God.
Jakob trekt verder naar Sichem, de plaats waar zijn grootvader ook is geweest. Als Abram het land Kanaän binnentrekt, is zijn eerste pleisterplaats Sichem. Daar spreekt God opnieuw tot hem. Op die plaats richt Abram een altaar op en brengt hij de Heer een offer. Hij dankt de Heer alsof alle beloften die God aan hem heeft gedaan al vervuld zijn, terwijl er op aarde nog niets zichtbaar is.
Op diezelfde plaats komt nu ook Jakob. Hij koopt een stuk grond van Hemor, de vorst van Sichem, en richt daar een altaar op. Hij roept de naam des Heren aan, roept Gods naam uit over dit land waar hij opnieuw is binnengekomen. En hij roept: de God van Israël is God.Zijn God is God. De NBV heeft hier staan: El is de God van Israël.
Dit is een mooi begin. In die samenkomst bij dat altaar met heel zijn familie roept Jakob allen op om zijn God te dienen en zijn naam te verbreiden.
Affaire rond Dina
Gebeurt dat ook werkelijk? Nee. Er gebeurt bij Sichem iets dat zeer zeker niet tot eer is van God.
Dina, de dochter van Jakob en Lea, gaat op een dag eens kijken bij de meisjes van het land. En dan wordt zij midden op het veld overweldigd en verkracht door Sichem, een van de zonen van Hemor. Die jongen is straal verliefd op het meisje en dan staat er: hij spreekt tot haar hart (Gen.34:3). De NBV zegt: hij doet zijn best om haar voor zich te winnen. Tegen zijn vader zegt hij: ik wil trouwen met dat meisje, ik ben helemaal ‘gek’ van haar. Dat klinkt wel mooi, maar wat hij gedaan heeft is niet zo mooi: een meisje overweldigen en verkrachten…
Sichem wil trouwen met Dina. Samen met zijn vader gaat hij op pad naar Jakob om het goed te maken met hem. In dat gesprek wil Hemor Dina tot vrouw vragen voor zijn zoon, Sichem, en zich verzoenen met Jakob en zijn familie.
Weer een verzoeningspoging
Loopt dit gesprek goed af? Vindt er nu wél verzoening plaats? Je houdt je hart vast…
Hemor zegt als hij bij Jakob en zijn zonen is: Sichem, mijn zoon houdt zielsveel van uw dochter, en daarom verzoek ik u haar aan hem uit te huwelijken en verbindt u ook door andere huwelijken met ons. Geef ons uw dochters en trouw zelf met die van ons en blijf dan bij ons. Het land ligt voor u open, u kunt er wonen, er vrij in rondtrekken en er grond kopen.
Sichem zélf zegt: Bewijs mij alsjeblieft die gunst, dan geef ik u alles, vraag gerust een hoge bruidsprijs van mij, grote geschenken. Ik geef u alles wat u verlangt als u mij het meisje maar tot vrouw wilt geven (Gen.34:8-12).
Wat gebeurt er dan? Je zou denken dat Jakob als Israël, als heer des huizes en als vader van zijn zonen het woord neemt en de vragen van Hemor en Sichem op waardige en vorstelijke wijze beantwoordt. Maar dat gebeurt niet. Israël zwijgt. Jakob zegt niets, zijn zonen geven antwoord.
Listig antwoord
De zonen van Jakob geven aan Sichem en aan Hemor een listig antwoord: Toen antwoordden de zonen van Jakob Sichem en zijn vader Hemor bedrieglijk en spraken, omdat hij hun zuster Dina onteerd had, tot hen als volgt: Wij kunnen dit niet doen, onze zuster aan een man geven, die onbesneden is, want dat zou voor ons een schande zijn. Slechts op deze voorwaarde kunnen wij u ter wille zijn: indien gij ons gelijk wordt, doordat bij u al wie mannelijk is, besneden wordt; dan zullen wij u onze dochters geven, en uw dochters voor ons nemen, en wij zullen bij u wonen, en wij zullen tot één volk zijn (Gen.34:13-16).
Geest van bedrog
De geest uit het voorgeslacht steekt hier weer de kop op: in Jakobs zonen. Jakob heeft er zélf mee gebroken, hij heeft de naam van zijn God uitgeroepen over dit land, deze streek. Maar het listige en bedrieglijke komt nu in zijn zonen weer naar boven. Zij spreken in Jakobs plaats en geven Hemor en Sichem een bedrieglijk antwoord. Ze zeggen: Ja, dat is goed, Dina mag met Sichem trouwen. Maar jullie moeten je dan wel allemaal laten besnijden. Dan worden we één volk, dan worden jullie net als wij.
Dat klinkt heel goed. Er zit ook best wat in, maar het wordt gebruikt (misbruikt) voor bedrog.
Instemming
Hemor en Sichem vermoeden niets; ze stemmen in met het voorstel. Als dat bij jullie de traditie is, dan gaan we daarin mee. Ze gaan terug en zeggen tegen de mannen van de stad: Jakob en zijn zonen zijn vredelievende mensen. Zij stellen een besnijdenis voor, dat is hun gewoonte. Laten we ze ter wille zijn en het gewoon doen. Dan blijven ze bij ons en wordt hun rijkdom ook onze rijkdom. We worden er niet slechter van.
Alle mannen geven gehoor aan de oproep van Hemor en Sichem: zij worden allemaal besneden. Dat is geen sinecure voor een volwassen man, dat levert hevige pijnen op. Na drie dagen hebben ze allemaal koorts en liggen ze machteloos in bed.
Gruwelijke geweld
Simeon en Levi maken dan gruwelijk misbruik van deze situatie. Zij doden alle (weerloze) mannen, halen Dina terug en plunderen alles. De vrouwen en kinderen maken ze tot slaven, het vee nemen ze mee en ze roven de huizen helemaal leeg.
Wat een schande voor Jakob! Hij heeft recentelijk een altaar opgericht en de naam des Heren over het land uitgeroepen. En dan nu dit…
Jakob maakt Simeon en Levi verwijten: Jullie hebben mij in het ongeluk gestort, zegt hij, want jullie hebben mij een slechte naam bezorgd bij de inwoners van dit land. Ja, dan spreekt Jakob. Maar dan is het te laat. Dan is het al gebeurd.
Geest van onverschilligheid
Wat doen Simeon en Levi? Zij halen hun schouders op en trekken zich er niets van aan. Daar heb je weer dat ‘onverschillige’. Je ziet de geest vanuit het voorgeslacht in deze jongens naar voren komen: eerst listig en sluw, dan wreed en onverschillig. Ze verdedigen zich door te zeggen: moeten we onze zuster als een hoer laten behandelen?
Wat een afschuwelijke situatie. Jakob is nog niet van de werkingen van die occulte geesten af. Zulke geesten blijven het proberen. Rechtstreeks in je eigen hemel, of zoals nu via je kinderen, via volwassen zonen die je niet meer kunt terechtwijzen. Met maar één bedoeling: om jou alle moed te laten verliezen. Om jou het bijltje er bij neer te laten gooien. Om jou je nieuwe naam te laten vergeten…
Dieptepunt
Je leest het op meerdere plaatsen in de bijbel: na grote overwinningen volgen vaak nederlagen, na geestelijke hoogtepunten komen dieptepunten voor. Niet dat je daar zelf direct schuld aan hebt, maar het gebeurt wel. Om moedeloos van te worden… ik vermoed dat Jakob eronder geleden heeft.
God is trouw
Wordt God ook moedeloos? Nee. Dat gebeurt nooit, dat kent God niet… Hij wil altijd verder en ziet ook altijd mogelijkheden. Na zo’n dieptepunt wil Hij je opnieuw omhoog voeren.
Wat doet God? Hij roept Jakob om weg te trekken uit Sichem. Ga naar Betel, naar de plaats waar Ik je al eerder heb ontmoet en klim opnieuw tot Mij op.
God blijft trouw, door alles heen. Hij wil zijn werk in het geslacht van Abraham, Isaak en Jakob voortzetten. Jakob mag verder en zich meer en meer als ‘Israël’ gaan gedragen. Door zelf in dat goede spoor dóór te gaan mag hij zijn zonen vóór blijven gaan, ondanks hun onverschillige, bedrieglijke en weerspannige gedrag.
Uiteindelijk vindt God ook in Jakobs zonen mensen in wie Hij Zich kan manifesteren. Eerst in Jozef, en later ook nog eens in Juda.