Genesis 23:1 – 25:8
God heeft voorzien
Zouden Abraham en Isaak bij het afdalen van de berg Moria een lied hebben gezongen? Wat hebben die twee een geweldig wonder beleefd. Ze hebben de Heer een offer gebracht - onder bijzondere omstandigheden. Wat Abraham verwachtte is gebeurd: de Heer heeft voorzien, in velerlei opzicht; Hij heeft Zichzelf van een offerlam voorzien. Abraham en Isaak hebben van deze gebeurtenis mogen leren. Ze hebben daarin veel van God ontvangen. Op de weg terug zal er een ‘groot gesprek’ zijn geweest. Er is veel om over na te praten en nog verder over na te denken. Ik denk dat wij dat ook mogen doen met dit verhaal.
Terug naar Berseba
We lezen Genesis 22:19 - Toen keerde Abraham terug tot zijn knechten, en zij gingen tezamen op weg naar Berseba, en Abraham woonde te Berseba.
Ze gaan terug naar de plaats bij de put die Abraham van Abimelek heeft verkregen. En dan hoort Abraham van de gezinsuitbreiding bij zijn broer Nachor. Genesis 22:20-24 - Hierna werd aan Abraham bericht: Zie, ook Milka heeft Nachor, uw broeder, zonen gebaard: zijn eerstgeborene Us, diens broeder Buz, en Kemuel, de vader van Aram, en Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuel. En Betuel verwekte Rebekka. Deze acht heeft Milka aan Nachor, de broeder van Abraham, gebaard. En ook zijn bijvrouw, wier naam was Reüma, baarde (zonen), Tebach, Gacham, Tachas en Maäka.
Abraham heeft zijn eigen kind mogen behouden en hoort van de gezinsuitbreiding bij zijn broer Nachor. Destijds is Nachor met Abraham mee opgetrokken uit Ur der Chaldeeën, maar hij is in het noorden, bij Haran, blijven wonen, terwijl Abraham het land Kanaän introk. Ik denk dat Abraham dit bericht met grote dank in ontvangst heeft genomen. Dank U, Heer, U heeft ook in het gezin van mijn broer zonen, kinderen, gegeven! Misschien heeft Abraham op dat moment al gedacht aan de mogelijkheid om in de nabije toekomst voor Isaak een goede vrouw te vinden uit dat gezin van Nachor.
Sara sterft
Hierna wordt de dood van Sara beschreven. Genesis 23:1-2 - En Sara leefde honderdzevenentwintig jaar; dit waren de jaren van Sara’s leven. En Sara stierf te Kirjat-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaän.
Abraham is na enige tijd weer wat naar het noorden getrokken; hij slaat dan bij Hebron zijn tenten op. Daar sterft zijn ‘maatje’, zijn lieve vrouw Sara met wie hij zo lang het leven heeft gedeeld en met wie hij zoveel heeft meegemaakt. Zij is dan honderdzevenentwintig jaar. Abraham is dan honderdzevenendertig jaar en Isaak zevenendertig jaar.
Geloofsgetuige
Wonderlijk dat Sara’s leeftijd wordt vermeld: het is de enige vrouw waarvan de leeftijd op de sterfdag wordt genoemd. Blijkbaar is zij een belangrijke vrouw in de geschiedenis van het volk: niet alleen de aartsvader, Abraham, ook de aartsmoeder, Sara. Door haar leven, haar toewijding aan Abraham en haar geloof in God is Sara voor velen een voorbeeld geweest.
Het Nieuwe Testament noemt haar een geloofsheldin, zij wordt vermeld bij de ‘geloofsgetuigen’: Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had, betrouwbaar achtte. Daarom zijn er dan ook uit één man, en wel een verstorvene, voortgekomen als de sterren des hemels in menigte en gelijk het zand aan de oever der zee, dat ontelbaar is (Heb.11:11-12).
Eigen graf
Als in het Midden-Oosten iemand sterft, moet er snel een begrafenis worden geregeld. In Abrahams tijd waren er geen begrafenisondernemers zoals in onze tijd; hij moet er dus zelf op uit. Waar kan hij zijn vrouw begraven? Hij heeft geen enkel stukje land in Kanaän. Abraham wil Sara begraven in een eigen graf. Dat was belangrijk in die tijd. Met een passende, respectvolle begrafenis werden de doden geëerd. Als dat niet gebeurde, leek het wel of je zo iemand vervloekte. Graven zijn dus heel belangrijk. Abraham moet daarom voor Sara een graf gaan kopen. In het land dat hem door de Heer is toegezegd, bezit hij nog niets …
De spelonk van Makpela
Tegenover de plaats waar hij zijn tent heeft opgeslagen ziet hij een geschikte spelonk: de spelonk van Makpela. Maar die is het eigendom van de Hethiet Efron, een inwoner van Hebron. Abraham gaat naar Efron toe en vraagt of hij de spelonk van hem mag kopen om Sara daarin te begraven.
Je leest dit verhaal in Genesis 23; het is echte oosterse koopmanskunst! Eerst wordt er gedaan of Abraham het zonder betaling mag hebben, maar dan komt even later toch de aap uit de mouw: Efron noemt een veel te hoge prijs. Abraham gaat niet in discussie, hij betaalt onmiddellijk. Efron is blij: hij heeft voor een spelonk en een veldje veel geld ontvangen. Abraham is ook blij: heeft zijn eerste stukje eigen land, met de mogelijkheid om Sara daar te begraven. Het gebied rondom die spelonk is nu van hem, hij wordt daar later ook zelf begraven.
Ook Isaak en Rebekka worden er later begraven. En weer later ook nog Jakob en zijn vrouw Lea. Er zijn in totaal dus zes mensen begraven in die spelonk van Makpela. Tegenover de plaats waar Abraham heeft gewoond. Bij de eiken van Mamre waar hij een altaar voor de Heer heeft gebouwd en waar Jahweh hem ook verschenen is (Gen.18).
Bijgeloof en afgoderij
Die spelonk is er nog steeds in Hebron. De moslims hebben er een moskee overheen gebouwd. En het verhaal gaat dat die zes mensen er nog steeds liggen. Met open ogen zelfs, volgens het verhaal. Niemand mag er naar binnen. Het is een afgesloten gebied. Men houdt er bijeenkomsten: daar ligt de grote voorvader van de Arabieren, de vader van Ismaël, de stamvader van de Arabieren.
Er is een spleet waarin vrouwen die geen kinderen hebben, een briefje kunnen stoppen met een bede aan Sara. Dat is natuurlijk bijgeloof, maar het gebeurt nog steeds: Ga naar Hebron om een briefje in het graf van Sara te werpen, opdat zij voor nageslacht zal zorgen. Sara, de onvruchtbare, die op hoge leeftijd vruchtbaar is geworden. Haar graf is een plaats van afgoderij geworden.
Men hoopt nog steeds tot dat graf van de aartsvaders te worden toegelaten om deze zaken te onderzoeken, maar het is de vraag of de Arabieren en de Moslims die erover waken, dat ooit zullen toelaten. Wij hoeven ons daar gelukkig niet mee bezig te houden.
De schoot van Abraham
De Bijbel hecht geen bijzondere waarde aan dit graf van de aartsvaders, of aan hun gebalsemde en goed bewaarde natuurlijke lichaam. Er is wél aandacht voor de situatie waarin hun geestelijk lichaam verkeert ná het sterven. Abraham is zelfs representatief geworden voor die situatie in het dodenrijk.
Jezus spreekt in Lucas 16 over de schoot van Abraham. Daarmee doelt Hij op de situatie waarin Abraham na zijn sterven verkeert, een situatie waarin het licht van God nog steeds werkzaam aanwezig is en Gods engelen het geestelijk lichaam van gestorven rechtvaardigen ‘dragen’. In die situatie heeft Dood, de koning van het dodenrijk, door zijn duistere werkingen wel een zekere ‘afstand’ tot God kunnen instellen, maar hij kan de gestorven rechtvaardigen niet kwellen en pijnigen, zoals hij dat in die zo geheel andere situatie doet: in de afgrond van het dodenrijk, aan de overzijde van die ‘onoverkomelijke kloof’. In de schoot van Abraham is water; daar is verkwikking. Jezus geeft er zicht op in Lukas 16:19-31. Die ‘schoot van Abraham’ noemen we daarom ook wel de lichtzijde van het dodenrijk, in tegenstelling tot die afgrondsituatie, de duistere zijde van dat dodenrijk.
Als Jezus Christus uit de dood opstaat, neemt hij ‘krijgsgevangenen’ mee (Ef.4:8). Daar zal Abraham ongetwijfeld bij geweest zijn. Hij is met Jezus mee opgevaren om voorgoed zijn plaats in Gods koninkrijk in te nemen.
Die ‘lichtzijde’ in het dodenrijk is er nog steeds; we mogen die geestelijke situatie de ‘schoot van Abraham’ blijven noemen. Maar ik denk niet dat Abraham daar meer in verkeert. Hij is bij Jezus en bij God.
Pril begin
Wonderlijk dat de dood van Sara geleid heeft tot het eerste en achteraf ook enige bezit van Abraham in het land Kanaän. En wat was hij er blij mee. Dat stukje land is gewaarborgd, daarin ziet hij een vervulling van Gods belofte. Hij heeft er veel voor moeten betalen, een woekerprijs. Maar hij gelooft: dit is het begin van de vervulling van Gods belofte. God heeft hem een groot nageslacht beloofd: als de sterren aan de hemel. En hoeveel heeft hij er op dat moment welgeteld? Eentje. Ook om Isaak is hij ongelofelijk blij: dit is het begin.
Op die manier kijken ‘geloofshelden’ naar de dingen die God geeft. Zij zeggen niet: wat is het nou eigenlijk allemaal? Maar: dank U, Heer, dit heeft U mij gegeven. Dit is het begin van de totale vervulling van uw belofte. Isaak is slechts een eersteling; het volk is er gekomen. De spelonk van Makpela is slechts een graf, het eerste stukje eigendom van Abraham; uiteindelijk is het hele land in handen van het volk gekomen.
Abraham ziet niet op het zichtbare
Abraham is in zijn leven niet bezig met de zichtbare dingen. Steeds weer slaat hij zijn ogen op en zoekt hij wat de Hebreeënschrijver zegt: In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren; maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid (Heb.11:13-16).
Een vrouw voor Isaak
In Genesis 24 gaat het verhaal verder:Abraham nu was oud en hoogbejaard, en de Heer had Abraham in alles gezegend.Abraham geniet van de zegeningen van de Heer. Hij is dankbaar voor alles wat de Heer hem in zijn leven heeft gegeven. Hij is ook iemand die te midden van dat alles ziet wat aan de orde is.
Abraham is op dat moment honderdveertig jaar. Er is drie jaar verstreken na de dood van Sara. Isaak is inmiddels veertig jaar en Abraham vindt het heel belangrijk dat hij een goede vrouw krijgt. Een vrouw uit hetzelfde hout gesneden als Sara. Een vrouw waarmee hij zijn geloof kan delen en de weg van het geloof kan gaan. Een vrouw die net als Abraham en Isaak zich wil richten op de dingen van God, de dingen van de hemel.
En dat valt niet mee. Want waar vind je zo’n vrouw? In Kanaän niet, in al die omliggende volken ook niet. Prachtige vrouwen misschien, maar niet de vrouw die Isaak nodig heeft om zijn plaats in te kunnen nemen als voortzetter van de belofte van God, als aartsvader van dat beloofde volk. Waar haal je zo’n vrouw vandaan? Abraham heeft erover nagedacht en ervoor gebeden.
Opdracht aan Eliëzer
Hij ontbiedt zijn oudste knecht. De man, die alles wat Abraham heeft, bestuurt en beheert en dat al jarenlang voortreffelijk doet: Eliëzer. De man waarvan Abraham zestig jaar geleden heeft gedacht dat hij de erfgenaam zou worden (Gen.15:3). Eliëzer, kom eens bij me! Wil jij wat voor mij doen? En dan geeft hij Eliëzer de moeilijke opdracht om een vrouw voor zijn zoon te zoeken. Hij stuurt hem naar Haran, waar zijn broer Nachor woont en nageslacht heeft gekregen. Eliëzer, ga daarheen en zoek een vrouw voor Isaak. Beloof dat je geen vrouw uit de Kanaänieten meeneemt, maar een vrouw uit mijn familie in Haran.
Welke vrouw zal dit doen?
Dat is geen eenvoudige opgave. Welke vrouw gaat er een reis maken van honderden kilometers? Wie zal alles wat ze heeft verlaten voor een man die ze nog niet heeft gezien? Wie wil een toekomst tegemoet gaan waarvan je niet weet wat die inhoudt? Wie wil trouwen met een ‘zwerver’ in een vreemd land die niets anders heeft dan het graf van zijn moeder? Zou die vrouw niet liever hebben dat Isaak naar Haran komt, zegt Eliëzer? Dan kan ze hem tenminste zien en kan er over allerlei dingen gesproken worden…
Maar Abraham wil onder geen voorwaarde dat Isaak Kanaän verlaat en naar Haran gaat. Isaak heeft een vrouw nodig die dezelfde keuze wil maken als Abraham en Sara destijds. De keuze om maagschap, familie, achtergrond, achter te laten en een nieuwe toekomst te beginnen. De vrouw die Isaak nodig heeft, zal bereid moeten zijn om vanuit Haran naar Hebron te komen.
Eliëzer: God is mijn hulp
Eliëzer moet het Abraham zweren: leg je hand onder mijn heup. Zo zweerde men in die tijd. Je kunt ook zeggen: het gaat om Abrahams nageslacht, om zijn lendenen, om wat uit zijn lendenen voortkomt. Daar moet een vrouw voor komen die het belang daarvan inziet en er ook helemaal in mee wil. Handel naar de betekenis van je naam Eliëzer: God is mijn hulp! En die God des hemels zal zijn engel voor je uit sturen.
Wat een geloof belijdt de oude Abraham hier. Wat een vertrouwen heeft hij in zijn God en Heer. God heeft gezorgd en zal ook nu zorgen. Hij heeft gezegend en zal jou ook nu zegenen, Eliëzer.
Eliëzer legt de eed af en gaat op weg. Hij neemt tien kamelen mee, vol met geschenken en allerlei rijkdom. Het is een lange weg, van het zuiden van Israël naar Haran, in het noorden. Een reis van enkele weken.
Eliëzer vraagt om een teken
Als Eliëzer in Haran aankomt, laat hij de kamelen neerknielen bij een waterput buiten de stad: zij hebben water nodig. Als één beest mooi kan knielen, is dat de kameel: heel statig. En wat doet Eliëzer? Hij knielt neer te midden van zijn kamelen. Hij put kracht bij God en vraagt Hem om een gunst: Wijst U het meisje aan dat U voor mijn heer Isaak bedoelt? Hij wil niet afgaan op wat voor ogen is: een knap, leuk meisje. Hij wil dat God de vrouw voor Isaak aanwijst. Wilt U mij een teken geven? Als een reiziger bij een put om water vraagt, krijgt hij dat water doorgaans van iemand die in de omgeving van die put woont. Ik zal om water vragen, Heer. Als er een meisje is die mij water geeft en dan uit zichzelf aanbiedt om ook al mijn kamelen te drenken, laat dát dan het meisje zijn dat U bedoelt.
Dat is niet niks! Als een kameel ‘droog’ staat, is er veel water nodig om hem te drenken. En als er dan ook nog eens tien kamelen zijn, moet je heel wat keren die put inklimmen, je kruik met water vullen, op je schouder zetten, en dan weer naar boven. Een heel karwei dus, voordat je tien kamelen hebt gedrenkt!
God bevestigt
En wat mooi! Eliëzer is nog niet uitgebeden, of daar komt al een meisje aan… Ik moest denken aanJesaja 65:24- En het zal geschieden, dat Ik antwoorden zal, voordat zij roepen; terwijl zij nog spreken, zal Ik verhoren.
Het meisje, Rebekka, doet dan precies zoals Eliëzer het aan God gevraagd heeft. Wilt u wat water? Natuurlijk! Gelijk ook voor uw kamelen? Ongelofelijk: het gebeurt! Terwijl Rebekka aan het werk is, zit Eliëzer ontsteld en verwonderd te kijken. In de NBG staat het niet zo duidelijk: En de man (Eliëzer) sloeg haar zwijgend gade (Gen.24:21). De Statenvertaling zegt: En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.
Eliëzer zit bij wijze van spreken met stomheid geslagen: hoe is dit mogelijk? Ik heb iets aan de Heer gevraagd en ik ben nog niet uitgebeden en het wordt al vervuld.
Rebekka weet van aanpakken
Als Rebekka klaar is, geeft Eliëzer haar een gouden ring en twee gouden armbanden. Hij stelt daarbij de vraag: Wie ben je? Is er plaats in het huis van je vader om te overnachten? Zijn mond valt open als hij het antwoord hoort: ik ben Rebekka, de dochter van Betuel, de zoon van Nachor. We hebben veel stro en veel voer voor uw dieren en ook een plaats voor u om te overnachten.
Hier staat een verwante van Abraham voor zijn neus. Terwijl Eliëzer opnieuw neerknielt om God te danken voor deze gebedsverhoring, rent Rebekka al naar huis. De man heeft gevraagd om een overnachting; dat gaat ze direct regelen. Wat een energieke en dienstbereide vrouw. Beleefd, gewillig, en direct aanpakken. Mooi!
Laban is anders
Op weg naar huis komt Rebekka haar broer Laban tegen. Die ziet goud en ruikt geld. Heb je die man bij de waterput achtergelaten? Laban gaat er direct heen. Hij nodigt Eliëzer uit om naar zijn huis te komen en daar de maaltijd te gebruiken. Als die man voor het krijgen van water al zulke geschenken geeft, dan zit er nog veel meer aan te komen... Helemaal zuiver is dat motief van Laban niet, maar zo gaat dat wel eens.
Hamvraag
Eliëzer gaat met Laban mee naar huis en laat daar zijn dieren verzorgen. Maar als hem een maaltijd wordt voorgezet, wil hij nog niet eten. Eerst wil hij het doel van zijn reis bekend maken. Hij vertelt over Abraham en Isaak, over de eed die hij Abraham gezworen heeft. Hij vertelt over de belofte dat een engel van de Heer voor hem uit zou gaan, over zijn gebed bij de put, en de onmiddellijke verhoring ervan. En dan komt de aap uit de mouw: hij vraagt aan Laban, de broer van Rebekka, en aan Betuel, de vader van Rebekka, of zij bereid zijn Rebekka mee te geven als vrouw voor zijn heer Isaak.
Toestemming, maar …
Laban is de eerste die reageert. Betuel reageert ook, zij ervaren het ook als leiding van God: ontegenzeggelijk. En Rebekka zelf, wordt haar ook wat gevraagd? Mag zij ook antwoord geven? Dat werd in die tijd niet gedaan.
Nadat er toestemming is gegeven voor het aanstaande huwelijk van Rebekka met de onbekende Isaak, en er feestgevierd is, wil Eliëzer de volgende dag alweer weg. Hij heeft het doel van zijn reis bereikt en wil nu met wat God hem voor Isaak gegeven heeft geen seconde meer verliezen. Net zoals Abraham dat altijd deed: opstaan en gaan. Maar de familie wil nog uitgebreid afscheid nemen en tien dagen wachten. Daar worden ze het niet over eens. En pas dán komt Rebekka in beeld.
Rebekka kiest
Rebekka kiest ervoor om onmiddellijk met Eliëzer mee te gaan. Zij maakt inderdaad de keuze om haar vader, het huis van haar broer, haar moeder, haar maagschap en haar familie te verlaten en naar een onbekend land te gaan, naar een man die ze niet kent. Om mee te gaan in het plan en de leiding van de God die ze wél kent.
Een enorme stap voor Rebekka: binnen één dag kiest ze ervoor om met Eliëzer mee te gaan. Met Isaak heeft het ‘volk in wording’ niet alleen een man die ervoor gaat; met Rebekka is er ook weer een vrouw die ervoor gaat. Abraham en Sara hebben er samen voor gekozen, samen zijn zij ingegaan op de roeping die God hen heeft gegeven. Isaak gaat dóór in die lijn van zijn vader. Hij krijgt een vrouw die daarbij aansluit, daarin meegaat, daar ook zélf bewust voor kiest. Ook zij maakt die lange reis vanuit Haran in het noorden naar het zuiderland in Kanaän, het meest zuidelijk gedeelte van Kanaän.
Lachai-Roï
Isaak weet niet wanneer Eliëzer met zijn aanstaande vrouw terug zal zijn. Toch schijnt hij op een bepaald moment aan te voelen dat er iets staat te gebeuren. Het is avond en hij gaat het veld in. Hij is in de buurt van de put Lachai-Roï.
Genesis 24:62-67 -En Isaak kwam uit de richting van de put Lachai-Roï; hij woonde namelijk in het Zuiderland. Isaak ging tegen het vallen van de avond uit om te peinzen in het veld. Hij sloeg zijn ogen op, en zag daar kamelen aankomen. Toen Rebekka haar ogen opsloeg en Isaak zag, liet zij zich van de kameel glijden. En zij zei tot de knecht: Wie is die man daar, die ons tegemoet komt in het veld? En de knecht zei: Dat is mijn heer. Daarop nam zij de sluier en bedekte zich. En de knecht vertelde Isaak alles wat hij gedaan had. Toen bracht Isaak haar in de tent van zijn moeder Sara, en hij nam Rebekka, en zij werd hem tot vrouw, en hij kreeg haar lief. Zo vond Isaak troost na de dood van zijn moeder.
Jaren geleden heeft Hagar bij diezelfde put Lachai-Roï de stem van de Heer gehoord: Ga terug naar Abraham en neem je plaats onder Sara weer in. In Genesis 16:13 staat:Toen noemde zij de naam des Heren, die tot haar gesproken had: Gij zijt een God des aanziens; want, zei zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet? Daarom noemt men die put: de put Lachai-Roï; zie, hij is tussen Kades en Bered.
Hagar heeft bij die waterput ervaren dat de levende God naar haar omziet. Isaak kent dat verhaal en hij bevindt zich in diezelfde omgeving. En ook hij voelt aan dat de Heer naar hem omziet. Dat de Heer hém ziet en hij naar de Heer mag opzien.
Isaak slaat zijn open op
Isaak gaat het veld in om te peinzen en te bidden (HSV). Als hij dan zijn ogen opslaat, ziet hij een stoet kamelen aankomen. Als iemand in de Bijbel zijn ogen opslaat, ziet hij meer dan alleen het zichtbare. Isaak ervaart dat God Hem nabij is, dat de vervulling van de belofte van God omtrent een vrouw nabij is. Hij ziet de karavaan aankomen en weet: daar is de vrouw die de Heer mij wil geven. In haar zal Heer mij liefde en vreugde geven, troost na het verlies van mijn moeder en nageslacht om de belofte van God in vervulling te zien gaan.
Rebekka slaat ook haar ogen op
Wat mooi dat niet alleen Isaak zijn ogen opslaat. In vers 64 staat: Toen Rebekka haar ogen opsloeg en Isaak zag, liet zij zich van de kameel glijden. Ook Rebekka slaat haar ogen op, misschien wel voor het eerst. Ook zij ziet dan meer dan het zichtbare. Ze ziet in de verte een man staan en vraagt Eliëzer: Is dat Isaak? Dan gaat er ook voor Rebekka iets ‘open’: dit is de man die God mij wil geven, dit is het land waar ik zal wonen. Ze stijgt van haar kameel af. Vanaf een kameel kijk je neer op iemand die op de grond staat. Rebekka gaat te voet verder, Isaak tegemoet, die ook haar tegemoet komt. Ze sluiert zich. Dat is gebruikelijk in die tijd: een vrouw gaat gesluierd naar haar bruiloft.
Ontmoeting
Rebekka ontmoet Isaak. Wat hebben die twee met het opslaan van hun ogen waargenomen? En wat hebben ze in die eerste ontmoeting ervaren? In vermoed dat ze beiden, los van elkaar, de wonderbare leiding van God hebben ervaren en zijn heerlijke aanwezigheid rondom die put Lachai-Roï hebben opgemerkt. Zij zullen beseft hebben dat de Heer naar hen omziet en hen aan elkaar geeft. Om zich samen aan Hem toe te vertrouwen, en zo de verdere vervulling van Gods beloften tegemoet te zien.
Huwelijk
Eliëzer vertelt het hele verhaal aan Abraham en Isaak. En alles klopt, precies zoals Abraham had gehoopt en verwacht. Dit is de vrouw die God aan Isaak wil geven. Dan neemt Isaak Rebekka mee naar de tent van Sara, zijn moeder. Daar wordt ze zijn vrouw.
En dan staat er zo mooi: hij kreeg haar lief. Isaak gaat houden van de vrouw waarmee hij trouwt. Hij vindt troost bij Rebekka na de dood van zijn moeder. Het wordt een goed huwelijk. Isaak heeft nooit een andere vrouw gehad, geen bijvrouw, geen slavin. Rebekka is Isaak haar leven lang trouw gebleven.
Een prachtig voorbeeld van monogamie. Wanneer zij elkaar ontmoeten, zijn ze beiden maagdelijk. Ze krijgen elkaar lief en gaan een huwelijk in. Daarin mogen zij samen iets weergeven van Gods diepste bedoeling. Een geheimenis: zó wil God met zijn volk omgaan!
Een prachtig moment in Abrahams leven, waarvan hij intens genoten zal hebben.
Abraham krijgt kleinzonen
Genesis 25 gaat dan verder met de dood van Abraham. Wonderlijk! Abraham sterft niet direct nadat Isaak en Rebekka bij elkaar zijn gekomen. Hij is op dat moment honderdveertig jaar. In Genesis 25:7 staat: Dit nu was het getal der jaren van Abrahams leven, die hij geleefd heeft: honderdvijfenzeventig jaar.
Abraham leeft dus nog vijfendertig jaar nadat Isaak en Rebekka elkaar ontmoeten en met elkaar trouwen. De eerste twintig jaar van dat huwelijk komen er geen kinderen: Rebekka blijft onvruchtbaar - daarover de volgende keer. Pas dan wordt er een tweeling geboren: Esau en Jakob. Isaak is dan zestig jaar en Abraham honderdzestig jaar. Abraham maakt de geboorte van zijn kleinzonen dus mee en leeft dan nog vijftien jaar.
Als je de Bijbel op volgorde leest, sterft Abraham in de eerste perikoop van Genesis 25 en worden pas in de tweede helft van dit hoofdstuk Jakob en Esau geboren. Je denkt dan: dat maakt Abraham niet meer mee, maar dat doet hij dus wél.
Het verhaal van Abraham wordt ‘afgerond’ in Genesis 25, omdat God vanaf dat moment met Isaak verder gaat. Dat Abraham daarvan nog een aantal jaren meemaakt, is voor de bijbelschrijver niet zo belangrijk. Hij wil eerst vertellen dat Abraham sterft en gaat dan pas verder met de volgende in de lijn. Zo gaat dat in de Bijbelse geschiedenis. Je moet altijd even nadenken met die leeftijden.
Ketura
Er wordt in Genesis 25 ook meegedeeld - op de valreep zou je zeggen - dat Abraham een bijvrouw heeft gehad: Ketura. Dan zou je kunnen denken dat Abraham na de dood van Sara een bijvrouw neemt en met haar nog zes zonen krijgt. Maar dat hoeft niet zo te zijn gegaan. Ketura kan ook al vóór het sterven van Sara en ná de geboorte van Isaak Abrahams bijvrouw geworden zijn. Het wordt er voor de volledigheid nog even bijgezet…
Het verhaal van de aartsvader Abraham wordt in Genesis 25 afgesloten en het verhaal van de aartsvader Isaak wordt opgepakt.
De zonen van Ketura
Uit Abraham zijn dus niet alleen Ismaël en Isaak voortgekomen. Na deze twee zijn er nóg zes zonen van Abraham geboren. Ze worden in Genesis 25 genoemd. De nakomelingen van Midjan, de Midjanieten, komen we later in de Bijbel tegen, onder meer in het verhaal over Gideon. Evenals de Ammonieten, Moabieten en Edomieten zijn de Midjanieten een ‘broedervolk’ van Israël.
Die zonen die Abraham bij Ketura krijgt, worden geen erfgenamen. Zij worden net als Ismaël met geschenken weggezonden. Isaak is Abrahams enige erfgenaam. Met hém gaat God verder om zijn belofte aan Abraham te vervullen.
De dood van Abraham
Abraham sterft als hij honderdvijfenzeventig jaar oud is. Isaak is dan vijfenzeventig. Ismaël komt terug uit het land waar hij woont om samen met zijn broer Isaak zijn vader te begraven. Dat gebeurt in dezelfde spelonk waar Sara begraven is, de spelonk van Makpela.
In Genesis 25:12-18 staat nog een korte uiteenzetting over Ismaël en de zonen die hij heeft gekregen. Ismaël wordt honderdzevenendertig jaar.
Recapitulatie
We hebben de bijbelse verhalen over Abraham gevolgd vanaf zijn roeping en zijn vertrek uit Ur der Chaldeeën. Zijn leven kenmerkt zich door groot geloof en intens vertrouwen in God, zijn Heer. Abraham is geen foutloze man geweest, maar wél iemand die steeds weer bij God terugkomt en in geestelijke zin naar Hem opklimt. Hij heeft zijn geloof in God beleden en tegen hoop op hoop aan Gods beloften vastgehouden (Rom.4:18). Het hoogtepunt daarvan is het verhaal over zijn offer op de berg Moria.
Abraham heeft geleefd vanuit die belofte, zonder de volledige vervulling ervan te zien. Een klein stukje land: alleen een graf. Hier en daar een altaar en een put waar water uit komt; dat zijn de verdiensten van Abraham in het natuurlijke. Maar wat heeft hij in het geestelijke veel betekend voor alle gelovigen. Hij is de vader der gelovigen. We hebben hem in onze ‘wandeling door het Oude Testament' beter leren kennen. Op dezelfde wijze gaan we door met het leven van Isaak.