Genesis 43:1 – 45:24

Ontmoeting tot herstel

Door Gods openbaring áán Jozef en het werk ván Jozef wordt Egypte in Genesis 43-45 de ‘broodschuur’ van de hele toenmalige wereld. Iedereen kan bij Jozef, de onderkoning van Egypte, koren kopen. Ook zijn broers uit Kanaän. Met z’n tienen staan ze op een gegeven moment voor hem. Jozef wil die ontmoeting met zijn broers benutten om de broederschap te herstellen. Hij wil samen met zijn broers het brood eten. En alles wat destijds in Hebron, de plaats van broederschap en samenbinding niet is gelukt, nu wél tot stand brengen. Jozef wil verzoening bewerken voor wat in het verleden is misgegaan en met elkaar een nieuwe fase ingaan. Om dingen te beleven die ze niet eerder met elkaar hebben beleefd.

Oplossing in alle nood

Jozef zet hoog in, hij zoekt naar vaste grond. Daarom gaat hij heel diep. Jozef walst niet over het verleden heen, hij doet niet alsof er ‘niets’ gebeurd is. Hij wil verlossing bewerken en een oplossing vinden voor alle nood. Niet alleen voor de broodnood in de zichtbare wereld. Ook voor de innerlijke nood, de geestelijke nood in zijn familie. Jozef doet dat op grond van zijn liefde voor zijn broers en zijn familie. Vanuit zijn liefde voor God die zijn familie zo’n bijzondere plaats heeft gegeven te midden van de volken rondom.

Jozef stelt de broers op de proef

Jozef zet hoog in en gaat heel diep. Hij kan niet in de harten van zijn broers kijken, niet van verre hun gedachten en motieven verstaan. Dat kan alleen God (Ps.139:2). En daarom beproeft Jozef zijn broers. Door zijn spreken en handelen roept hij het verleden als het ware voor hen op, zonder er rechtstreeks over te spreken.

Ik vind dat heel bijzonder. Het getuigt van grote en bijzondere wijsheid. Jozef neemt geen wraak op zijn broers, hij zet het zijn broers niet betaald, maar handelt naar de hem door God gegeven wijsheid, op weg naar een zeer kostbaar doel. Hij neemt daarvoor de tijd en doet het in alle rust. Jozef wil dit niet op een ‘achtermiddag’ afhandelen. Hij geeft ruimte om de stem van het geweten ook bij zijn broers te laten spreken. Om zijn broers tot het juiste besef te laten komen van de situatie die is geweest, én van de situatie die nu kan aanbreken.

Ruimte scheppen voor broederschap

Zo versta ik dit gedeelte in de Bijbel. Je zult misschien zeggen: had Jozef dat niet ‘anders’ kunnen doen? Misschien wel. Maar laten we vooral het doel dat Jozef heeft voor ogen houden en er een voorbeeld aan nemen. Hij houdt vast aan broederschap. Hij werkt toe naar het functioneren van broederliefde. Hij schept ruimte voor verzoening en wat is dat mooi! Zijn motief is loepzuiver. En ja: hij gaat heel diep. Juist omdat hij zo hoog inzet. Ik vind dat heel mooi van Jozef.

Hoe reageren zijn broers?

In de vorige bijbelstudie hebben we gezien hoe Jozef in die eerste ontmoeting te werk gaat. Hij onderzoekt dan op afstandelijke wijze hoe zijn broers na twintig jaar reageren op valse beschuldigingen (jullie zijn verspieders, spionnen), op afzondering (hij zet ze even in de gevangenis) en op eerlijkheid (hij stopt het geld weer terug in de zakken).

Ondertussen informeert Jozef naar de welstand van hun vader. Zij beseffen niet dat die vader ook zijn vader is. Hij informeert ook naar de welstand van hun (en zijn) jongste broer Benjamin.

En daar laat Jozef het op dat moment bij. Hij stuurt zijn broers met volle zakken koren terug naar Kanaän, in afwachting van hun volgende bezoek, van die tweede ontmoeting die er binnen niet al te lange tijd zou zijn. De hongersnood is nog niet voorbij en met de zakken koren die de broers meekrijgen kunnen ze maar een bepaalde tijd vooruit. Ze komen terug, Jozef weet het zeker. Hij geeft ze het geld ook om een andere reden terug: hij wil ze voor het meegekregen koren niet laten betalen.

Hoe gaat het verder?

Genesis 43:1-10 – Maar de hongersnood was zwaar in het land. En toen zij het uit Egypte meegebrachte koren verbruikt hadden, zei hun vader tot hen: Ga ons weer een weinig voedsel kopen. Toen zei Juda tot hem: Die man heeft ons uitdrukkelijk verzekerd: gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij uw broeder bij u is. Wilt gij onze broeder met ons laten gaan, dan zullen wij heentrekken en voedsel voor u kopen. Doch indien gij hem niet wilt laten gaan, dan zullen wij niet heentrekken, want die man heeft tot ons gezegd: gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij uw broeder bij u is. Toen zei Israël: Waarom hebt gij mij kwaad aangedaan door die man mee te delen, dat gij nog een broeder hebt? Daarop zeiden zij: Die man heeft ons nauwkeurig ondervraagd over onszelf en onze maagschap: leeft uw vader nog? Hebt gij nog een broeder? En wij hebben het hem naar waarheid meegedeeld. Konden wij soms weten, dat hij zou zeggen: breng uw broeder mee? En Juda zei tot zijn vader Israël: Laat de jongen toch met mij meegaan; dan zullen wij ons gereed maken en op reis gaan, opdat wij in het leven mogen blijven en niet sterven, zowel wij als gij en onze kinderen. Ik blijf borg voor hem; van mijn hand moogt gij hem eisen; indien ik hem niet tot u breng en vóór u stel, dan moge ik te allen tijde tegenover u als een schuldige staan. Hadden wij niet getalmd, dan zouden wij zeker al tweemaal terug zijn.

Juda staat borg voor Benjamin

Het tweede bezoek kan niet langer worden uitgesteld en de consequenties zijn ook duidelijk: Benjamin moet gewoon mee, het kan niet anders. En dan laat Juda zien dat hij veranderd is: hij gaat borg staan voor zijn jongste broer, voor de lieveling van zijn oude vader.

Wat Juda hier zegt en zijn vader aanbiedt, is anders dan het aanbod van Ruben; die biedt twee van zijn zonen aan als Benjamin iets mocht overkomen. Daar heb je niets aan. Juda wil in de plaats treden van Benjamin. Daarmee laat Juda iets zien wat vele eeuwen later zijn grote Zoon, dé zoon van Juda, de leeuw uit Juda’s stam, voor álle mensen doet. Jezus Christus treedt dan in de plaats van alle mensen, om hen te redden en te verlossen van hun zonden. Wat mooi!

Jakob gaat overstag

Na dit aanbod van Juda gaat Jakob overstag en spreekt hij als Israël: Genesis 43:11-14 – Toen zei hun vader Israël tot hen: Indien het zo gesteld is, doe dan dit: neem van het fijnste des lands in uw zakken en breng die man een geschenk: een weinig balsem en een weinig honig, gom en hars, terpentijnnoten en amandelen. En neem dubbel geld mee; ook het geld, dat boven in uw zakken gelegd was, moet gij terugbrengen; misschien was het een vergissing. En neem uw broeder mee, maak u reisvaardig en keer terug tot die man. En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, opdat hij uw andere broeder late gaan, alsook Benjamin. En wat mij aangaat, als ik van kinderen beroofd moet worden, dan worde ik beroofd.

Beroep op God

Israël doet een beroep op de Almachtige, op de Ontzagwekkende, op El-Shaddai. Hij doet een beroep op de God van zijn grootvader Abraham, op de God van zijn vader Isaak, op de God die hem zijn nieuwe naam heeft gegeven: zijn God.

En weer gaat er een karavaan met ‘gom en hars’ naar Egypte. Weer daalt er een karavaan af met een zoon van Rachel in hun midden. De karavaan waarmee Jozef destijds naar Egypte vervoerd werd, had ook balsem en hars bij zich; Jozef is ook een zoon van Rachel. Een treffende gelijkenis…

In Egypte

Enige tijd later zijn ze in Egypte en ziet Jozef ze komen: mét Benjamin die hij slechts als baby heeft gekend. Als Jozef weggevoerd wordt, is Benjamin één jaar. De twee zonen van Rachel schelen zestien jaar in leeftijd. Jozef ziet zijn jongste broer dus eigenlijk voor het ‘eerst’: Benjamin is op dat moment drieëntwintig jaar. Als Jozef hem ziet, schiet hij vol. Dat kun je begrijpen…

Onmiddellijk dirigeert Jozef ze naar zijn eigen huis om samen te eten. De broers beseffen niet wat er in Jozef omgaat. Ze denken: wat krijgen we nou? Naar het huis, dat paleis van de onderkoning? Zou het met dat geld te maken hebben? Nog voor ze het paleis bereiken, spreken ze de hofmeester van de onderkoning aan en verontschuldigen zij zich over het geld van de vorige keer. Ze denken dat het daarom is.

Genesis 43:23 – Doch hij (de hofmeester) zei: Wees gerust, vrees niet; de God van u en van uw vader heeft u heimelijk een schat in uw zakken gegeven; uw geld heb ik ontvangen. Vervolgens bracht hij Simeon bij hen terug.

Verwijzing naar God

De hofmeester van Jozef verwijst naar de God van hun vader, naar de God van henzélf. Op zich een teken dat die God in het huis van Jozef ‘bekend’ is. Ja, ook als onderkoning van Egypte is Jozef de Heer en God van zijn vader en hemzélf met heel zijn hart blijven dienen. De hofmeester spreekt daarover. Ongetwijfeld ook in opdracht van Jozef. Ook weer iets om de aandacht van zijn broers op te richten: denk eens aan de leiding van God, aan de werkingen van God…

Dan komt Simeon binnen: hij wordt met zijn broers herenigd. Ook hun dieren krijgen te eten en te drinken. Wat gebeurt er allemaal? Dit is totaal anders dan bij hun eerste bezoek.

Als Jozef binnenkomt, buigen ze allemaal voor hem. Is alles goed met jullie vader, vraagt hij. En is dat jullie jongste broer? God zij je genadig! Op het moment dat Jozef dat zegt, moet hij even weg. Hij schiet vol, wordt overmand door emotie. Hij moet even naar een andere kamer om daar te huilen.

Apart aan tafel

Dan nodigt Jozef zijn broers aan tafel. Hij zet ze op volgorde van leeftijd aan tafel. Ze verwonderen zich erover. Hoe kan die man onze leeftijden weten? Ja, laat dat maar aan Jozef over. Hij zet zijn broers aan tafel en laat hen apart eten. Jozef zit tegenover hen, aan een eigen tafel. De Egyptenaren in dezelfde ruimte zitten ook apart: Genesis 43:32 – Toen dienden zij het op voor hem afzonderlijk en voor hen afzonderlijk en voor de Egyptenaren die met hem aten, afzonderlijk; de Egyptenaren toch mogen geen maaltijd gebruiken met de Hebreeën, want dat is voor de Egyptenaren een gruwel.

Verschil

Egyptenaren hebben heilige dieren: zij vereren koeien, die mag je dus niet eten. Hebreeën doen dat wél: zij slachten runderen en eten het vlees daarvan. Door dat religieuze verschil zitten ze niet aan één tafel, is er geen ‘gemeenschap’ tussen Egyptenaren en Hebreeën.

De broers zitten te eten en Jozef zit tegenover hen. Ze worden bediend van de tafel van Jozef, ze mogen eten van zijn spijzen: een grote eer voor de gasten van de onderkoning. Benjamin krijgt het vijfvoudige, hij krijgt bijzondere eer. Maar het is nog ‘apart’: ze zitten nog ‘tegenover’ elkaar.

Ook dát is eerder voorgekomen. Toen zij Jozef in de put hadden gegooid, gingen de broers samen zitten eten: op enige afstand, apart van Jozef. Dat gebeurt nu weer. Ook nu eten ze apart: gescheiden door de dingen van het verleden.

Broodvraag en schuldvraag

Jozef werkt toe naar het daadwerkelijke samen kunnen eten. Naar het samen aan één tafel kunnen zitten en het samen kunnen breken van het brood. En dat zal weer mogelijk worden als er vergeving en verzoening plaatsvindt. De broodvraag en de schuldvraag komen in het huis van Jozef bij elkaar. Om tot verzoening met elkaar te kunnen komen.

Eeuwen later leert Jezus zijn discipelen bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden. Dat is niet ‘toevallig’. Daarmee wijst Jezus op geestelijke werkingen.

Verbondenheid en gemeenschap

Ware broederschap betekent: samen kunnen eten, in eenheid des geestes van hetzelfde brood kunnen eten. Het duidt op verbondenheid en gemeenschap met elkaar, zonder dat er iets ‘tussen’ zit waarvoor nog vergeving moeten worden gevraagd of verzoening moet worden bewerkt.

De jaloezie voorbij

Alle broers zien dat Benjamin wordt ‘voorgetrokken’; ze aanvaarden het zonder enig probleem. Dat is nieuw voor Jozef. Hij vindt het fijn om dat te zien. De broers genieten ook, ze raken zelfs in een ‘roes’. Ze vragen zich af waar ze toch zo ‘benauwd’ voor zijn geweest: alles lijkt ‘dik in orde’…

Genesis 43:34 – En men bracht hun van de gerechten die vóór hem stonden, en het gerecht voor Benjamin was vijfmaal zo groot als het gerecht van ieder hunner. Zo dronken zij en werden dronken met hem.

Jozef is blij dat hij geen jaloezie meer ziet bij zijn broers ten opzicht van de jongste zoon van Rachel. Dat was in het verleden wel even ‘anders’ toen hij, Jozef, de veelkleurige mantel van zijn vader kreeg. Toen waren ze stinkend jaloers op hem. Het gaat de goede kant op, Jozef is blij.

Laatste test

Jozef doet hierna nog een laatste test. Hoe zal het gaan, hoe zullen zijn broers reageren als Benjamin ‘schuldig’ wordt bevonden en niet mee terug mag naar Kanaän? Laten ze dat gebeuren? Laten ze hem dan los? Hoe zit het met de onderlinge band?

Opnieuw neemt Jozef de regie in handen. Voordat hij zijn broers terug laat gaan naar Kanaän, laat hij zijn eigen zilveren beker in de zak van Benjamin stoppen. Een beetje ‘heimelijk’ allemaal. Daarvan zou je kunnen zeggen: Jozef, is dit nu wel de juiste methode? Is dit de aangewezen weg? Ligt dit niet óp of zelfs óver de grens van het toelaatbare?

Besef dat Jozef zijn broers niet wil ‘pakken’, hij wil iets aan het licht brengen. Hij heeft een hoog verheven doel.

Alsnóg aangehouden

De broers gaan de volgende dag blij op weg naar hun vader in Kanaän. Met zakken vol koren en een opgeruimd gemoed. Dit hadden ze niet verwacht…

Nee, wat er kort daarop gebeurt hadden ze zeker niet verwacht. Nog maar net buiten de stad worden ze al weer aangehouden door de dienaren van Jozef.

Genesis 44:4-13 – Nauwelijks waren zij de stad uitgegaan, nog niet ver weg, of Jozef zei tot zijn huisbestuurder: Maak u op, jaag die mannen achterna, en als gij hen ingehaald hebt, zeg dan tot hen: Waarom hebt gij goed met kwaad vergolden? (Waarom hebt gij de zilveren beker gestolen?) Is deze het niet, waaruit mijn heer drinkt en waarmede hij de toekomst pleegt te voorspellen? Gij hebt slecht gehandeld met dit te doen. Toen hij hen ingehaald had, sprak hij deze woorden tot hen. En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Verre zij het van uw knechten zo iets te doen. Zie, het geld dat wij boven in onze zakken vonden, hebben wij uit het land Kanaän tot u teruggebracht, en hoe zouden wij dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen? Degene van uw knechten, bij wie (de beker) gevonden wordt, moge sterven, en bovendien zullen wij mijn heer tot slaven zijn. Daarop zei hij: Welaan, het zij zoals gij gezegd hebt; degene, bij wie hij gevonden wordt, die zal mij tot slaaf zijn, maar gij zult vrij uitgaan. Toen haastte ieder van hen zich zijn zak af te laden op de grond, en ieder opende zijn zak. En hij stelde een onderzoek in; hij begon bij de oudste en eindigde bij de jongste; en de beker werd gevonden in Benjamins zak. Toen scheurden zij hun klederen, en ieder van hen belaadde zijn ezel en zij keerden terug naar de stad.

Stemming slaat om

De broers weten niet wat er in hun zakken vol met koren zit, en zeker niet in die van Benjamin. En als dan de beker van de onderkoning bij Benjamin wordt gevonden, slaat de stemming om. Wat krijgen we nou? Benjamin moet mee. De anderen mogen naar huis. Maar Juda en zijn broers laten de zoon van Rachel nu niet in de steek. Ze gaan mee. Ze scheuren hun kleuren en rouwen. Benjamin zal slaaf worden in Egypte. En dat roept iets op van het verleden: ook Jozef werd destijds slaaf in Egypte...

Op de terugweg naar het paleis van de onderkoning zal er heel wat in Juda zijn omgegaan. Hij weet wat er destijds is gebeurd met die andere broer, met Jozef. Dat heeft hij laten gebeuren. Daar heeft hij zelfs de hand in gehad. Dat zal hij geen tweede keer laten gebeuren: voor deze broer, Benjamin, wil hij zich borg stellen.

Even later staan ze voor de derde keer tegenover Jozef. Genesis 44:14 - Zo kwamen Juda en zijn broeders in het huis van Jozef, waar hij nog was, en zij wierpen zich voor hem ter aarde. Juda neemt de leiding. Hij beseft dat wat hij nu gaat zeggen cruciaal zal worden. Hij wil zijn belofte aan zijn vader Jakob gestand doen. Hij wil borg staan voor zijn jongste broer.

Ze vallen opnieuw op hun knieën en Juda weet dat hij niets tot zijn verdediging heeft aan te voeren. Geen enkele smoes helpt nu nog. En dan komt daar die hamvraag: waarom doen jullie zoiets? Waarom stelen jullie mijn beker?

Symbool van het leven

Wat symboliseert die beker? In de Bijbel symboliseert een beker het leven van de bezitter: de beker met jouw naam erop - dat ben jezélf, het is een symbool van jouw leven. Een beeld van wat jij in je leven meemaakt, een beeld van je lot. Als je bij je geboorte een zilveren beker ontvangt met jouw naam erop, is die van grote waarde: Moge jouw leven net zo uniek, kostbaar en duurzaam zijn als deze beker. Moge jouw beker een rijke inhoud hebben. Moge jouw beker overvloeien...

Je herkent Psalm 23, waar staat: mijn beker vloeit over. Dat zegt iets van het leven. Van het mooie in het leven.

Welke inhoud heeft jouw beker?

Openbaring 17:4 spreekt ook over zo’n ‘beker’: En de vrouw was gehuld in purper en scharlaken en rijk versierd met goud, edelgesteente en paarlen, en zij had in haar hand een gouden beker, vol gruwelen, en de onreinheden van haar hoererij. 

Johannes ziet in een visioen een vrouw zitten op een scharlakenrood beest. Deze hoer zit aan vele wateren, ze draagt purperen en scharlaken kleren en is versierd met goud en edelstenen. In haar hand heeft zij een gouden beker met al haar liederlijke (= losbandige) wandaden.

Waar je beker mee gevuld is, geeft aan waar je leven van vervuld is. Als je beker overvloeit van dankbaarheid, ben je een dankbaar mens. Als je beker vol zit van liederlijke of losbandige gruwelijkheden, lijk je op die hoer uit Openbaring 17.

Woorden van Jezus

In Matteüs 23:25 zegt Jezus: Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid. Hiermee zegt Jezus iets over het leven van deze mensen. Blinde Farizeeër, spoel eerst de binnenkant schoon dan wordt de buitenkant vanzelf ook schoon (vs.26 NBV).

Als je beseft dat je beker het beeld is van je leven, dan moet eerst de binnenkant van die beker schoon worden - je hart gereinigd worden - om je leven aan de buitenkant een normaal aanzien te geven. Als je vanbinnen schoon wordt, wordt dat ook vanbuiten zichtbaar.

In Matteüs 26:27 staat: En Hij (Jezus) nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zei: Drink allen daaruit. Daarmee zegt Jezus: krijg deel aan mijn leven. Beleef in de viering van het avondmaal de vergeving van zonden, de reiniging van je hart. Wat een genade dat wij steeds weer avondmaal mogen vieren en daardoor steeds meer deel mogen krijgen aan dat ‘onvergankelijke leven’ dat Jezus aan het licht heeft gebracht.

Het leven van Jozef gestolen

Waarom hebben jullie mijn beker gestolen, vraagt Jozef aan zijn broers. We hebben uw beker niet gestolen, antwoorden ze. Nee, niet zijn beker, maar wél zijn leven. Zij hebben destijds het leven van de man van wie deze beker is, gestolen…

Jozef doet er nog een schepje bovenop. Hij doet zich voor als een Egyptische magiër die de toekomst voorspelt met behulp van zijn beker. Weten jullie niet dat ik een man ben die alles zie?

Bij het voorspellen van de toekomst gebruiken Egyptenaren een beker met water waarin ze een druppel olie laten vallen. Die olie verspreidt zich op grillige wijze over het wateroppervlak. Voor een Egyptische magiër is dat een teken hoe dingen gaan lopen.

Jozef doet zich voor als een Egyptenaar voor wie de beker niet alleen een beeld is van zijn leven, maar die deze beker ook nodig heeft voor zijn beroep. Beseffen jullie niet dat een man als ik kan zien wat voor anderen verborgen is?

Gaat Jozef te ver?

Jozef, wat zeg je nou? Alleen God kan toch zien wat er in iemands hart omgaat? Is dit het gevolg van negen jaar onderkoning zijn van Egypte? Van tweeëntwintig jaar wonen in Egypte? Ben je ‘Egyptisch’ gaan denken? Ga je nu een beetje ‘Egyptisch’ handelen? Neem je nu toch een beetje wraak? Speel je nu het spel van kat en muis? Boontje komt om zijn loontje? Broertje draait je een loertje? Nee, nee en nog eens nee. Niets van dit alles.

Ware mentaliteit getoetst

Jozef gaat niet te ver. Hij wil de onderste steen boven hebben en de hartsgesteldheid van zijn broers proeven vóórdat hij zich aan hen bekend maakt. Hoe zit het met jullie mentaliteit? Hoe zit het met jullie inzet ten opzichte van jullie jongste broer? En hoe zit het met jullie opstelling tegenover jullie vader die zoveel van die jongste broer houdt? Wat brengt dit hele gebeuren bij jullie naar boven? Gaat jullie geweten spreken? En wat doe je daar nu mee? Wat gebeurt er vanbinnen in jullie harten nu vanbuiten alles wegvalt en je op niets meer kunt terugvallen en alles zich tegen je keert?

De broers staan helemaal ‘kaal’. Ze hebben niets tot hun verdediging aan te voeren. Het moet nu helemaal bij God vandaan komen, want anders zijn ze gewoon afgeschreven. Daar wil Jozef hun aandacht op vestigen terwijl hijzélf voortdurend zijn aandacht op God gericht houdt. Dat blijkt zo meteen.

Juda stapt naar voren

Genesis 44:16 – Daarop zei Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en waarmee zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de schuld uwer knechten aan het licht gebracht. Zie, wij zijn slaven voor mijn heer, wij evenals degene, bij wie de beker gevonden is.

Juda draait er niet omheen, hij onderkent het wezen van de zaak. God heeft iets aan het licht gebracht, inderdaad. En hij spreekt voor al zijn broers. Wij hebben allemaal schuld en wij allen zijn bereid uw slaaf te worden.

Schuld

Waaraan hebben alle broers schuld? Aan het stelen van een beker? Nee, dat weet Juda ook wel. Aan iets heel anders. En dát staat Juda nu voor de geest. Hij ziet het voor zich. Zij hebben een leven gestolen. Niet van Benjamin, maar van die andere broer. De broodvraag heeft de oude schuldvraag naar boven gebracht. En Juda erkent die schuld. Juda belijdt daarmee in feite zijn zonde en de zonde van zijn broers. We hebben allemaal schuld. God heeft iets aan het licht gebracht. Inderdaad!

Jozef geeft antwoord

Wat zegt Jozef hierop? Genesis 44:17 – Maar hij zei: Het zij verre van mij dat te doen; de man, bij wie de beker gevonden is, die zal mij tot slaaf zijn, maar gij, trekt in vrede naar uw vader.

Jozef geeft Juda hiermee gelegenheid om nog verder tevoorschijn te komen. Hij merkt dat Juda rekening houdt met wat God hem laat zien. Ga maar door, Juda. Spreek je nog maar verder uit. Laat de onderste steen maar helemaal naar boven komen. En Juda doet het…

Juda biecht de waarheid op

Genesis 44:18-34 – Toen naderde Juda tot hem en zei: Met uw verlof, mijn heer, uw knecht moge toch een enkel woord ten aanhoren van mijn heer spreken en uw toorn ontbrande niet tegen uw knecht, want gij zijt als Farao. Mijn heer heeft zijn knechten gevraagd: Hebt gij nog een vader of een broeder? En wij zeiden tot mijn heer: Wij hebben een oude vader en daar is nog een jonge zoon zijns ouderdoms; maar zijn broeder is dood; hij is de enig overgeblevene van zijn moeder, en zijn vader heeft hem zeer lief. Toen zei u tot uw knechten: Breng hem tot mij, opdat ik mijn ogen op hem sla. Maar wij zeiden tot mijn heer: De jongen kan zijn vader niet verlaten, want verlaat hij zijn vader, dan zal deze sterven. Daarop zei u tot uw knechten: Indien uw jongste broeder niet met u meekomt, zult gij mijn aangezicht niet meer zien. Nadat wij naar uw knecht, mijn vader, waren teruggereisd, deelden wij hem de woorden van mijn heer mee. Toen nu onze vader zei: Gaat ons weer een weinig voedsel kopen, zeiden wij: Wij kunnen niet heentrekken; als onze jongste broeder bij ons is, dan zullen wij heentrekken; want wij zullen het aangezicht van die man niet mogen zien, wanneer onze jongste broeder niet bij ons is. Daarop zei uw knecht, mijn vader, tot ons: Gij weet, dat mijn vrouw mij twee zonen heeft gebaard; de éne is van mij weggegaan, en ik heb moeten zeggen: voorzeker is hij verscheurd, en ik heb hem tot nu toe niet weergezien. En neemt gij ook deze van mij weg, en overkomt hem een ongeluk, dan zult gij mijn grijze haar met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen. En nu, wanneer ik bij uw knecht, mijn vader, kom, en de jongen is niet bij ons, aan wiens ziel zijn eigen ziel nauw verbonden is, dan zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongen er niet is, dat hij sterven zal, en uw knechten zullen het grijze haar van uw knecht, onze vader, met verdriet in het dodenrijk doen neerdalen. Maar uw knecht is borg geworden voor de jongen bij mijn vader met deze woorden: indien ik hem niet tot u breng, dan moge ik te allen tijde tegenover mijn vader schuldig staan. Nu dan, laat toch uw knecht in de plaats van de jongen als slaaf voor mijn heer achterblijven, en de jongen trekke met zijn broeders mee. Want hoe zal ik naar mijn vader heentrekken, wanneer de jongen niet bij mij is? Ik zou het verdriet niet kunnen aanzien, dat mijn vader zou treffen.

Vernieuwd hart

Wat een woord van deze Juda, die tweeëntwintig jaar geleden bij die put tot heel andere dingen is gekomen. Dit zijn woorden vanuit een vernieuwd hart. Dit zijn woorden van een veranderd mens. Op aarde staat Juda voor de troon van Jozef. In de hemel staat hij voor Gods troon als de nieuwe leider van zijn broers. Als de ware eersteling.

Dit is wat Jozef wil horen. Het hoge woord is eruit. Komt er een triomfantelijk lachje op Jozefs gezicht? Nee, hij is ten diepste geroerd. Liefde heeft hem gedreven, liefde voor zijn broers. Hij herkent in hen wat in hemzelf leeft. Hij proeft de ware broederliefde in Juda. Dat heeft hij niet eerder gezien en gehoord. Hier heeft hij altijd naar verlangd, en nu is het zo ver.

Jozef maakt zich bekend

Dit is de tijd om alle maskers af te leggen. Dit is het moment van verzoening en hereniging. Jozef kan nog maar net gebieden dat al zijn dienaren de zaal moeten verlaten. En dan komt ook bij hem het hoge woord eruit: Ik ben Jozef.

Wat een moment moet dat geweest zijn. Je kunt je het nauwelijks voorstellen. Zoiets is ook bijna niet te verwerken, denk ik. Wat een hoogte en diepte zit daar in, wat een schrik en een vreugde. Allerlei emoties tegelijkertijd en door elkaar heen.

Jozef maakt zich bekend en barst in tranen uit. Hij houdt zich niet meer in. Je zou zeggen: al het verdriet van de afgelopen jaren komt er in één keer uit. Maar ook de intense vreugde van dit moment, de vreugde dat er een volkomen nieuwe fase is aangebroken tussen hem en zijn broers.

Ondersteboven

En de broers? Ze staan als ‘verlamd’. Niet in staat om antwoord te geven of om ook maar iets te zeggen. Dat kan ik me ook voorstellen. Ze deinzen terug. Opeens spreekt die Egyptische onderkoning, Safenat Paneach, hen toe in onvervalst Hebreeuws, terwijl het spreken met hem tot dan toe steeds via een tolk ging. En wat zegt die man: Ik ben Jozef. Mensenlief! Dat kan toch niet waar zijn?

Kom toch dichterbij, zegt Jozef. Hij ziet hun verwarring, hun angst, hun ongeloof en tegelijkertijd hun hoop: ik ben Jozef, jullie broer. Leeft mijn vader nog? Ik ben Jozef die jullie naar Egypte hebben verkocht, maar laat dat niet langer tussen ons in staan, dat is voorbij.

Vooruit gestuurd

Jozef gaat verder. Hij spreekt vanuit zijn directe relatie met God. Hij ziet de goddelijke lijn in zijn leven, de gouden draad dóór zijn hele leven heen. En hij laat al het negatieve dat daarin heeft plaatsgevonden, los. Hij spreekt alleen nog maar over het positieve dat in al die jaren is gebeurd, over de ontwikkeling die daarin heeft plaatsgevonden. God heeft mij voor jullie uitgestuurd om jullie leven te redden.Zo vat hij het hele gebeuren samen.

Grote lijn

Genesis 45:4-15 – Toen zei Jozef tot zijn broeders: Kom toch naderbij. Daarop naderden zij. En hij zei: Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar wees nu niet verdrietig en zie er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden. Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden. Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden. Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao’s vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte. Trek haastig naar mijn vader en zegt tot hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij gesteld tot heer over geheel Egypte, kom tot mij, draal niet. Gij zult in het land Gosen wonen en gij zult dicht bij mij zijn, gij en uw kinderen en uw kindskinderen, uw kleinvee en uw runderen en al wat gij hebt. En ik zal daar voor u zorgen – want er zal nog vijf jaar hongersnood zijn – opdat gij niet verarmt, gij, noch uw huis, noch iemand van de uwen. En zie, uw eigen ogen en die van mijn broeder Benjamin zien, dat het mijn mond is, die tot u spreekt. Vertel dan aan mijn vader al de heerlijkheid die ik in Egypte bezit, en alles wat gij gezien hebt, en breng mijn vader haastig hierheen. Toen viel hij zijn broeder Benjamin om de hals en weende, en Benjamin weende aan zijn hals. En hij kuste al zijn broeders hartelijk en weende, hen omhelzende. Daarna eerst spraken zijn broeders met hem.

God heeft mij voor jullie uitgestuurd om jullie leven te redden. Jozef ziet de grote lijn. Alle ellende, alle narigheid, alle woede die zich met die lijn heeft verweven, het blijft allemaal achter hem. Hij ziet alleen maar die lijn en prijst en dankt zijn God die hij al die jaren heeft mogen dienen en die dít heeft bewerkt. Dit is zijn conclusie: God heeft mij voor jullie uitgestuurd. En die conclusie trekt hij niet voor het eerst. Dat staat hem al jaren voor ogen. En die dankbaarheid heeft ook het hele gebeuren met zijn broers omgeven.

Dubbele vrucht

Jozef is geestelijk niet ‘afgezakt’, niet in het Egyptische denken terechtgekomen. Hij is in geestelijke zin alleen maar hogerop gekomen. Hij is Safenat Paneach. Hij spreekt en leeft op, hij is de vader Manasse en Efraïm, zijn getuigenis in die naamgeving is nog steeds in zijn hart aanwezig: God heeft mijn moeite doen vergeten, God heeft mij dubbel vrucht gegeven in het land van mijn ellende. God doet werkelijk alle moeite vergeten, hij geeft dubbele vrucht. En dat mag ook in jullie harten en levens doorwerken, mijn broers, in de hele familie van mijn vader. Intense vreugde bij Jozef. Intense dankbaarheid, wat een genade.

Beste deel

Het nieuws dringt door in het paleis van Farao. Hij zegt het vruchtbaarste deel van Egypte toe aan de familie van Jozef. De familie van de man die heel Egypte heeft gered, mag naar Egypte komen en in het beste deel van het land gaan wonen.

Genesis 45:17-20 – En Farao zei tot Jozef: Zeg tot uw broeders: doe dit: belaad uw dieren en trek heen naar het land Kanaän, en haal uw vader en uw gezinnen en kom tot mij, dan zal ik u het beste van het land Egypte geven, zodat gij het vette des lands eten zult. Voorts hebt gij de opdracht hun te gelasten: Neem u uit het land Egypte wagens voor uw kinderen en voor uw vrouwen, breng uw vader mee en kom (herwaarts). Gij moet het niet jammer vinden van uw huisraad, want het beste van het gehele land Egypte zal voor u zijn.

Jozefs broers krijgen op de terugreis naar Kanaän niet alleen een paar zakken koren mee, maar veel en veel meer. Jozef doet hen uitgeleide. Jullie hoeven nergens meer bang voor te zijn, zegt hij. Verblijd je over al het goede dat God tot stand heeft gebracht.

Jakob in afwachting…

De goede, oude vader Jakob weet van dit alles nog niets. Die zit op dat moment nog in zijn tent in Kanaän, in afwachting van de terugkomst van zijn zonen. Met hem moeten de broers ook nog het een en ander uitpraten en duidelijk maken. Daarover de volgende keer.

Wat een opstelling van Jozef

Wat een verhaal en wat een geweldige doorwerking heeft de opstelling van Jozef in dit verhaal. Hij staat steeds weer op. Ook al wordt hij in een put gegooid of onder de grond in de gevangenis gestopt, hij gaat dóór met zijn God. Hij neemt geen wraak op zijn broers, maar stelt alles in het werk om tot verzoening te komen. Wat een opstelling!

Investeren in broederschap

Ben jij ook bereid om te investeren in broederschap? Om je net zoals Jozef op te stellen ten opzichte van je broeder en zuster? Laat Gods liefde dan ook bij jou voorop gaan. Dan hoeft er niets verdoezeld te worden. Dan mag en kan de onderste steen boven komen, ter verdere verlossing en bevrijding. Dan kan er werkelijke verzoening plaatsvinden tot heil van de gemeente. Dan laat je Gods koningschap openbaar komen in je leven!

Laat je leiden door de Heer

Laat je in zo’n situatie leiden door de Heer. Vraag Hem om wijsheid en geef die ander de ruimte om tot besef te komen. Dring het niet aan hem/haar op. Benut de mogelijkheden die de Heer je biedt. Dan laat je die ander ‘tot leven’ komen.

Leef met hetzelfde getuigenis in je hart als Jozef: Heer, U doet mij mijn moeite vergeten. U geeft mij dubbele vrucht.

Bedenk dat mensen kunnen veranderen. Wij zélf ook. Niet in eigen kracht of door menselijke inspanning, maar door de werking van Gods Geest. Ook die les mogen we leren uit dit verhaal. Vestig je hoop op Jezus, op de genade die je gebracht wordt door de verdere openbaring van Jezus en leef vanuit dat perspectief. Dan gaan we met elkaar een fase in waarin we dingen gaan beleven die nog niet eerder beleefd zijn.