Genesis 41:1- 42:38

Jozef houdt vast aan God

Jozef houdt vast aan wat God hem in zijn dromen heeft geopenbaard: hij ‘leeft’ ermee. Ook na alles wat er na die dromen is gebeurd: eerst in Dotan waar zijn broers hem in een put gooien en daarna als slaaf naar Egypte verkopen, en vervolgens in het huis van Potifar waar diens vrouw hem tot zonde wil verleiden en daarna vals beschuldigt.

Als Jozef daardoor in de gevangenis terecht komt, ontmoet hij na enige tijd de bakker en de schenker van de farao. Hij legt hun dromen uit en hoopt dat de schenker na zijn vrijlating bij farao een goed woordje voor hem gaat doen. Maar dat gebeurt niet: de schenker vergeet Jozef gewoon…

Wat is dat toch met die dromen? Word je daardoor op het verkeerde been gezet? Als je deze geschiedenis leest, zou je bijna tot die conclusie komen…

Ondanks alle tegenslag volhardt Jozef in zijn geloof en vertrouwen: God zal doen wat Hij hem in zijn dromen heeft getoond en daarmee aan hem heeft beloofd.

De tijd verstrijkt…

Jozef wordt niet uit de gevangenis gehaald. Dag na dag gaat voorbij. Ik kan me voorstellen dat Jozef de eerste tijd gedacht heeft: ze komen nog wel. Maar hoeveel tijd gaat er voorbij? Genesis 40:23 – Doch de overste der schenkers dacht niet aan Jozef, maar vergat hem. Genesis 41:1 – Na verloop van twee volle jaren droomde Farao.

Letterlijk staat hier: een dubbel jaar vol dagen. Elke dag opnieuw is er die hoop... Om moedeloos en depressief van te worden. Dromen hebben, weten dat die iets te betekenen hebben, weten dat je daarvoor mag leven, weten dat God daarin werkt… En dan zo’n ‘hopeloze’ situatie, dag in dag uit… Komt daar nou nooit een einde aan?

Volhouden in verbinding met God

Hoe heeft Jozef dit volgehouden? Welk ‘geheim’ heeft die jongen? Er leeft iets in hem dat hem met God verbindt en zijn hart steeds weer naar zijn Heer en God doet uitgaan.

Jozef was niet gedoopt in Gods Geest, maar ik geloof wél dat Gods Geest op en over hem is geweest, en dat er engelen rondom hem hebben gestaan om hem te troosten en te versterken, en hem ook ‘onder de grond’ met het goede van God te omgeven. Zo heeft hij het volgehouden. Een voorbeeld voor jou en voor mij.

Twee dromen

Twee jaar later droomt farao. Ook hij krijgt twee dromen die met elkaar overeenkomen. Jozef had zelf destijds twee dromen die bij elkaar hoorden: één over de schoven en één over de sterren die voor hem bogen. In de gevangenis hadden de twee dromen van de bakker en de schenker ook een soortgelijke betekenis. En nu is er voor de derde keer zo’n dubbele droom: de farao van Egypte ziet in zijn slaap eerst zeven mooie vette koeien uit de Nijl komen en daarna zeven lelijke, magere koeien, vel over been. Later zegt hij daarover: Ik heb in heel Egypte nog nooit zulke lelijke koeien gezien(Gen.41:19 NBV). Die laatste koeien vreten de eerste zeven op. Maar ze blijven even mager en even lelijk als daarvoor.

Farao schrikt wakker; hij voelt dat dit geen gewone droom is, hier zit iets achter. Het is midden in de nacht, dus gaat hij weer slapen. En dan komt er een tweede, soortgelijke droom: nu niet met koeien maar met aren. Zeven mooie rijpe koren aren uit één halm schieten op. En daarna zeven dorre, armetierige aren, verschroeid door de oostenwind (NBV). Die laatste aren slokken de eerste zeven aren op en blijven even armetierig, dor en verschroeid als daarvoor.

Dromen met betekenis

Als het morgen is geworden beseft farao dat deze twee dromen hem iets duidelijk willen maken. Maar wat? Hij wordt er angstig van. Genesis 41:8 – De volgende morgen was zijn geest onrustig en hij ontbood al de geleerden en al de wijzen van Egypte, en Farao vertelde hun zijn dromen, maar er was niemand, die ze Farao kon uitleggen.

Hij roept allen die kennis hebben van de onzienlijke dingen bijeen: magiërs, priesters, sterrenwichelaars, noem maar op… Hij wil weten wat deze dromen betekenen, maar niemand kan het hem vertellen. Of durft niemand iets te zeggen? Zo moeilijk is het toch niet: eerst is er iets ‘goeds’, daarna wordt dat goede door iets ‘slechts’ overwoekerd. Maar wat zijn de gevolgen voor degene die zoiets tegen farao zegt? Ik vermoed dat menigeen bang is voor zijn eigen hachje en daarom maar zwijgt. Wie kan er licht geven op deze duistere zaak?

De schenker herinnert zich iets

Dan herinnert de schenker zich plotseling de situatie van twee jaar geleden. Dat hij ook zo bang was na een droom. En hij herinnert zich ook de man die hem uit die angst verloste en de betekenis van zijn droom bekend maakte, waarna het ook precies zo gebeurde.

Genesis 41:9-13 – Toen sprak de overste der schenkers tot Farao: Heden moet ik mijn zonden in herinnering brengen. Farao was toornig op zijn dienaren, en zette mij in hechtenis in het huis van de overste der lijfwacht, mij en de overste der bakkers. In één zelfde nacht nu hadden wij een droom, ik en hij, ieder had een droom met een eigen betekenis. Nu was daar bij ons een Hebreeuwse jongeman, een slaaf van de overste der lijfwacht, en wij vertelden hem onze dromen, en hij legde ze ons uit; aan ieder gaf hij uitleg naar zijn droom. En zoals hij ons uitgelegd had, zo is het gebeurd; mij herstelde Farao weer in mijn ambt, hem liet hij ophangen.

De schenker weet het weer: diep onder de grond, in de gevangenis is er iemand die een droom kan uitleggen, een Hebreeuwse man, een gevangen gezette slaaf, Jozef. Hij brengt farao van zijn bestaan op de hoogte.

Jozef komt weer in het licht

Hierop geeft farao bevel om Jozef bij hem te brengen. Onmiddellijk wordt Jozef uit de gevangenis gehaald. Hij wordt gewassen en geschoren en krijgt nieuwe kleren aan.

Wat een overgang! Dat is het tegenovergestelde van de vorige gebeurtenissen. Twee keer is hij in een ‘put’ gegooid: eerst door zijn broers en later door Potifar. Nu wordt hij daaruit opgehaald. Twee keer werden hem de kleren van het lijf gerukt: eerst door zijn broers, later door de vrouw van Potifar. Hier wordt hij met nieuwe klederen bekleed. Vanuit de diepe duisternis onder de grond en levend tussen de laaggeplaatsten, treedt hij nu in het volle licht boven de grond en komt hij voor de hoogstgeplaatste van Egypte te staan.

Wat een overgang! Is dit een droom voor Jozef? Nee, dit is de werkelijkheid.

Jozef wil Gods licht laten schijnen

Farao tegen Jozef: Jij hoeft maar een droom te horen en je kunt hem verklaren. Luister nu ook eens naar mijn droom. Jozef antwoordt: Dat is niet aan mij, niet ik maar mijn God zal spreken en u vrede geven.

Wat zuiver van Jozef. In zijn blijdschap over de nieuwe werkelijkheid blijft hij zich terdege bewust van zijn verbondenheid met God en stelt hij zich afhankelijk van Hem op. Hij wil Gods licht laten schijnen, zijn vrede openbaren en die meedelen aan farao. Om daarmee klaarheid te geven over de betekenis van zijn dromen en duidelijkheid over wat hem nu te doen staat. Hij vertrouwt erop dat God hem die duidelijkheid en wijsheid gaat geven.

Is dit een ‘experiment’ voor Jozef? Absoluut niet. Hij wéét dat God dit doet. Hij ervaart Gods vrede in zijn hart en voelt zich door Hem gedragen en bekrachtigd. Voor Jozef is dit geen ‘plotseling aan de bel trekken’ bij God. Nee, Jozef leeft met God, hij is voortdurend verbonden met zijn God, door alle jaren heen.

En hier staat hij dan: voor de farao van Egypte, op een cruciaal moment in zijn leven. Wat hier gebeurt is een vrucht van het enorme vertrouwen in God dat Jozef door zijn geloof in God heeft opgebouwd.

Een mens naar Gods hart

Jozef laat zich niet imponeren door de pracht en praal van het hof. Hij laat zich ook niet beangstigen door het gewicht van de zaak, door het belang van dit moment. Hij blijft zichzelf: eenvoudig, ootmoedig, afhankelijk van God. Ook op dit cruciale moment krijgt hij uit Gods hand wat nodig is. Ook nu, zoals altijd

Dit is niet voor het eerst dat Jozef van God ontvangt wat hij nodig heeft. Dat heeft hij ervaren in de put bij Dotan, op de markt in Egypte, bij Potifar in huis, in de gevangenis en ook nu. Die heerlijke werking van Gods liefde en genade in zijn leven beleeft hij al die jaren door. Aan het hof van farao vindt er geen ‘stunt’ plaats van Jozef, inmiddels dertig jaar. Hij functioneert daar net zoals in de jaren ervoor. Onder leiding van zijn Heer en God gaat hij ‘gewoon’ door: onbevangen, frank en vrij, onafhankelijk van situaties en omgeving, en van de mensen die aanwezig zijn.

Dit tekent een mens naar Gods hart. Hier staat een ‘uitverkorene’ van God.

Wat een contrast

Jozef staat oog in oog met de uitverkorene van Egypte, met de hoogstgeplaatste man in het land, misschien wel de machtigste man in de toenmalige wereld. En die man vraagt op dit moment raad aan een van de minste onder de mensen, een slaaf uit een vreemd land, een gevangene nog wel.

Wat een situatie! Wat gebeurt hier op aarde? En wat gebeurt er tegelijkertijd in de hemelsferen? Geweldig hoe Jozef hier mag functioneren: als een man van Gods volk, als een volwassen geworden jongen die weet wie zijn God is, hoe zijn God werkt en wat zijn God hem wil geven.

God geeft de uitleg

Jozef hoort de dromen van farao aan en ervaart in zijn hart de werking van God. En dan begint hij te spreken. Hij legt de dromen uit en maakt farao duidelijk dat hij dit namens God doet. Uw dromen, koning, uw twee dromen zijn één: ze horen bij elkaar. Het gaat over twee maal zeven jaar: zeven goede, vette jaren van overvloed, gevolgd door zeven jaren van ongekende hongersnood. Die laatste zeven jaren zullen de herinnering aan de eerste zeven jaren volledig wegvagen. Die hongersnood zal het land te gronde richten. God laat u zien, koning, wat er gaat gebeuren, tot tweemaal toe. Het staat dus vast.

Heel eenvoudig en zonder enige opsmuk vertelt Jozef waar het op staat. Wat de droom betekent en wat God daarmee tot farao zegt.

Farao schrikt. Deze Hebreeuwse slaaf bevestigt wat hij diep in zijn hart eigenlijk al wist, maar nog niet wilde weten: dat het slecht met hem en zijn land zou aflopen. Nu weet hij het. Gods Geest overtuigt hem. Dit is het. Zo zal het gaan. Geen ontkomen aan…

God waarschuwt én voorziet

Maar Jozef is nog niet uitgepraat. Hij laat farao zien dat de God die hij vertegenwoordigt niet alleen een aankondiger is van toekomstige dingen, maar dat Hij ook een bewaarder is van mensen. Dat zijn God niet alleen waarschuwt voor problemen die eraan komen, maar ook met wijs beleid in oplossingen wil voorzien. Zijn God is een goede God, die in alle situaties uitkomst biedt. Zijn God houdt van mensen, Hij waarschuwt en voorziet.

Genesis 41:33-36 – Nu dan, Farao zie om naar een verstandig en wijs man, en hij stelle hem aan over het land Egypte. Farao doe ook dit: hij stelle opzichters over het land aan, en heffe van het land Egypte een vijfde, in de zeven jaren van de overvloed. Zij moeten al het voedsel van deze goede jaren die komen zullen, verzamelen en koren opslaan ter beschikking van Farao, als voedsel in de steden, en dit bewaren. Zo zal dat voedsel het land tot voorraad dienen voor de zeven jaren van hongersnood, die in het land Egypte zullen zijn, opdat het land door de honger niet te gronde worde gericht.

Gods wijze raad

Zie je het gebeuren, zie je Jozef daar staan voor farao? Met al die magiërs, tovenaars, priesters eromheen. Hij spreekt vrijmoedig vanuit zijn verbinding met God. Wat een rust zal er op dat moment van hem zijn uitgegaan. Wat een wijsheid van God mag hij openbaren in deze netelige situatie.

De ban van angst wordt door dit spreken van Jozef doorbroken. Het licht breekt door. Het wordt stil. De zaak is duidelijk en de aanpak ook. En de man die deze wijze raad heeft verwoord ziet farao voor zich staan. Ook dat wordt hem duidelijk, daarover is geen twijfel mogelijk.

Genesis 41:37-45 – Dit voorstel nu was goed in de ogen van Farao en in de ogen van al zijn dienaren. En Farao zei tot zijn dienaren: Zouden wij iemand kunnen vinden als deze, een man, in wie de Geest Gods is? En Farao zei tot Jozef: Aangezien God u dit alles bekend gemaakt heeft, is er niemand zo verstandig en wijs als gij. Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal mijn gehele volk zich voeden; alleen door de troon zal ik boven u staan. Voorts zei Farao tot Jozef: Zie, ik stel u aan over het gehele land Egypte. Daarop trok Farao zijn zegelring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij bekleedde hem met linnen klederen, en hing een gouden keten om zijn hals. En hij liet hem rijden op de tweede wagen die hij had, en men riep voor hem uit: Eerbied! Aldus stelde hij hem aan over het gehele land Egypte. Ook zei Farao tot Jozef: Ik ben Farao, maar zonder u zal niemand in het gehele land Egypte zijn hand of zijn voet opheffen. En Farao noemde Jozef: Safenat-Paneach, en hij gaf hem Asnat, de dochter van Potifera, de priester van On, tot vrouw. En Jozef ging uit, (als heer) over het land Egypte.

Korenschuur

Wat een erkenning van Jozef en van de God die hij dient! Farao merkt de grote wijsheid van God in de woorden van Jozef op. In die eerste zeven jaren van overvloed dubbele belasting heffen. Geen tiende deel, zoals te doen gebruikelijk, maar een vijfde deel: het dubbele. Met het vorderen van dat vijfde deel zet je het land met zijn bevolking niet onder druk, maar benut je de mogelijkheden van de zeven vette jaren. Daardoor ontstaat er een voorraad waardoor heel Egypte in die jaren erna gered wordt. Ja, zelfs méér dan dat: Egypte kan in die grote hongersnood voor de volken rondom als ‘korenschuur’ gaan functioneren.

Jozef wordt onderkoning

Farao bevordert Jozef tot onderkoning, tot grootvizier. Daarmee wordt hij de ‘grootste’ in Egypte buiten farao. Voor de derde keer in zijn leven wordt Jozef ‘groot’ gemaakt. Dat gebeurt voor het eerst in het huis van Potifar. De heer des huizes ziet dat God met Jozef is; hij maakt hem tot zijn persoonlijke bediende en vertrouwt hem het beheer van heel zijn huis toe. In de gevangenis gebeurt het voor de tweede keer. Ook daar staat God Jozef terzijde en komt hij in de gunst te staan van de gevangenbewaarder. Ook daar komt hij ‘bovendrijven’ door de werking van Gods Geest die altijd omhoog wil voeren en altijd wijsheid, kracht en inzicht wil geven.

Aan het hof van de farao beleeft Jozef de grootst denkbare opgang: vanuit het ‘diepste’ in de gevangenis naar het ‘hoogste’ op de troon. Hij krijgt gezag over heel Egypte.

Drie keer hetzelfde proces. Drie keer bewerkt door de Geest van God. En drie keer mogelijk gemaakt door de gezindheid en opstelling van Jozef. De verbondenheid met God voert hem steeds weer hogerop.

Trouw en volharding

Jozefs trouw aan God wordt beloond. Zijn volharding in geloven en vertrouwen brengt vrucht voort. De vijand heeft hem twee keer kunnen ‘overrulen’. Maar nu kan de duivel er niet meer bij.

Wat een voorbeeld! Wat een bemoediging! En wat een perspectief biedt dit verhaal voor jou en mij. Als wij met diezelfde instelling, met datzelfde geloof en vertrouwen, gedragen door diezelfde Geest van God en vol van liefde tot Hem ‘gewoon’ blijven doorgaan, kom je overal doorheen. Dan kan er veel gebeuren en kan de vijand je heel wat ‘ellende’ bezorgen, maar dan kom je uiteindelijk als overwinnaar tevoorschijn.

Is het je dat waard? Blijf je net als Jozef vasthouden aan je God en vertrouwen op je God? Blijf je Hem van harte liefhebben? Dat brengt je uiteindelijk op de troon: bij Jezus Christus en bij God. Daardoor overwin je alles en passeer je elke vijand die zich tegenover jou opstelt. Jozef laat in zijn (jonge) leven zien dat dit kan.

Nieuwe naam

Jozef krijgt van farao een nieuwe naam: Safenat-Paneach. Het Boek geeft aan die naam de betekenis: uitlegger van geheimen. Ik vond ook de betekenis: hij spreekt en men leeft op. Wat een prachtig spreken is dat: het geeft ‘leven’ en verspreidt dat ‘leven’. Het is een spreken waarin het klimaat van Gods Koninkrijk tevoorschijn komt.

Hoe kan iemand zo spreken? Het komt voort uit het leven dat in iemands hart aanwezig is, uit het leven in verbondenheid met God. Jozef ‘kent’ dat leven met God, hij beleeft het in zijn hart en draagt het uit. Als hij gaat spreken, leeft men op.

Dat ervaart farao. Hij ziet wat er in Jozef leeft en welke God er achter deze man staat. En daarom geeft hij Jozef bij zijn aanstelling tot onderkoning over heel Egypte deze prachtige naam.

Farao erkent Gods grootheid

Farao doet nog meer: hij geeft Jozef de dochter van de hoogste priester tot vrouw: de dochter van Potifera, de priester van On, de grootste god van Egypte, en tot op dat moment dus ook de grootste god voor farao.

Hiermee erkent farao de grootheid van Jozefs God; die gaat boven die van On uit. Farao geeft Jozef alle ruimte om in de Geest van zijn God en onder leiding van zijn Heer het werk te doen dat hij heeft aangekondigd. Dat zal tot zegen zijn van heel zijn volk.

Innerlijke groei door alles heen

Wat een gebeuren in hemel en op aarde! Hier staat een man, een overwinnaar in de geestelijke wereld, die alle tegenstand en alle tegenslag heeft doorstaan, en al het onrecht dat hij moest ondergaan, heeft verdragen. Met recht komt Jozef hier als ‘koning’ tevoorschijn. Wat een vreugde zal hij daarbij hebben beleefd! En wat zal hij God hiervoor hebben gedankt, geloofd en geprezen…

Jozef is inmiddels dertig jaar. Als zeventienjarige werd hij in de put gegooid. Dertien jaar later is hij volwassen geworden: niet alleen in jaren, maar vooral innerlijk, in geestelijk opzicht. Je kunt geestelijk volwassen worden, te midden van wat dan ook, dwars door put-situaties, onrecht-situaties en allerlei moeilijkheden heen. Gods werk kan doorgaan, wat er ook gebeurt…

Betekenis van Manasse en Efraïm

In die eerste periode van zeven ‘vette’ jaren krijgt Jozef twee zonen: Manasse en Efraïm. De naam ‘Manasse’ betekent: die doet vergeten, want, zegt Jozef: God deed mij al mijn moeite vergeten uit het huis van mijn vader. De naam ‘Efraïm’ betekent dubbelvrucht, want, zegt Jozef: God heeft mij vruchtbaar gemaakt in het land van mijn ellende, in het land van mijn vernedering.

 Met het geven van die namen aan zijn zonen getuigt Jozef van Gods werk in zijn leven. God heeft hem doen vergeten, alle moeite, alle narigheid, alle zorgen vanaf de tijd en situatie in het huis van zijn vader. Dwars door alles heen. God heeft mij vruchtbaar gemaakt toen ik van alles afgesneden leek te zijn. In elke situatie is Hij bij mij geweest, Hij heeft mij nooit verlaten. Zijn goede, vruchtbaarmakende werk in mij is doorgegaan: Prijs zijn grote naam!

Jozef kijkt vooruit

Is Jozef alles vergeten? Zegt hij bij de geboorte van Manasse dat God hem alles heeft doen vergeten? Nee, God heeft hem zijn moeite doen vergeten. In die zin laat hij het verleden achter zich. Hij kijkt niet achterom maar richt zich mét God op heden en toekomst. Hij kijkt vooruit en ziet wat nodig is. Hij benut de overvloedige vruchtbaarheid van de zeven ‘vette’ jaren, en zorgt zo - met wijsheid die God hem geeft - voor voldoende voedsel voor de tijd die erop gaat volgen.

Dat blijkt als die ‘magere’ jaren aanbreken. Dan is er in Egypte nog steeds voedsel in overvloed en kan ‘de hele wereld’ koren bij hem kopen. Er is dan zoveel voorraad opgeslagen dat er geen tellen meer aan was…

Jozef ziet zijn broers

In die periode van grote hongersnood ziet Jozef op een zekere dag zijn tien oudere broers voor zich staan. Zij hebben gehoord dat er in Egypte nog voldoende koren te koop is en melden zich daarom bij de onderkoning van Egypte aan.

Zij herkennen Jozef niet. Dat is niet verwonderlijk: hij ziet er niet meer uit als de jongen van destijds, en ook niet als een volwassen geworden Hebreeër; hij ziet eruit als een Egyptenaar die bekleed is met koninklijke waardigheid.

Jozef heeft deze situatie zien aankomen: hij wist dat dit op een bepaald moment zou gaan gebeuren. In zijn omgang met God zal hij daar vooraf over hebben nagedacht en daarbij om wijsheid hebben gebeden. Heer, hoe moet ik dit aanpakken, hoe wilt U dat ik hen ga benaderen?

Ik vermoed ik dat deze ontmoeting met zijn broers voor Jozef ‘confronterend’ is geweest, en ‘schokkend’…

Wat doet Jozef?

Keert Jozef zich van zijn broers af? Nee. Maakt hij zich aan hen bekend? Nee, ook dat niet. Hij wil eerst weten hoe het met hen is, hoe zij er innerlijk aan toe zijn en welke ontwikkeling zij hebben doorgemaakt in de tijd die achter hen ligt. Jozef was zeventien jaar toen hij zijn broers voor het laatst zag. Inmiddels zal hij tegen de veertig zijn…

Wat is er in de afgelopen tijd met hen gebeurd? Jozef weet niet wat Juda heeft meegemaakt, wat de anderen hebben beleefd. Na al die jaren herkent hij ze nog wél: allemaal! Ze zijn met z’n tienen; Benjamin is er niet bij. Ze knielen voor hem neer. Genesis 42:6 – Toen nu de broeders van Jozef aangekomen waren, bogen zij zich voor hem neer met het aangezicht ter aarde.

Gods woorden komen uit!

Wat zal er op dat moment door Jozef heen zijn gegaan? Hij ziet wat er voor zijn ogen plaatsvindt en herinnert zich zijn droom van destijds… Ik denk niet dat hij op zijn broers heeft neergekeken, maar verwonderd naar zijn God heeft opgekeken: O, Heer, U maakt uw woorden waar. Nu begrijp ik waartoe U mij die droom heeft laten zien. In mijn hoedanigheid van onderkoning mag ik voor mijn broers en mijn volk van betekenis zijn. Ik mag hen beschermen in deze periode van hongersnood, ik mag hen voedsel geven en daarmee in leven houden. Wat een verwondering en dankbaarheid zal er bij Jozef zijn opgekomen!

Gezindheid

De door zijn broers verachtte en verworpen jongen van destijds biedt nu, in de ontstane hongersnood, als een door God geliefde man uitkomst aan zijn harteloze broers. Wat een prachtige gezindheid van Jozef! Hij had ze kunnen laten ombrengen; daar zou geen haan naar kraaien. Maar dat doet hij niet. Hij wil weten hoe het met ze is. Hij wil weten wat er in hun harten leeft. Hij zal God om wijsheid gevraagd hebben: Heer, laat mij zien hoe ik de hartsgesteldheid en de gezindheid van mijn broers kan peilen. Ik wil mij met hen verzoenen, en zo mijn hele familie redden van de dood.

Wat een voorbeeld geeft Jozef ons hiermee. Wat is een ‘les’ is dit. Ook wij kunnen op bepaalde momenten te maken krijgen met mensen die ons van alles hebben aangedaan. Tonen wij dan diezelfde gezindheid? En zoeken wij dan ook onder leiding van de Heer naar de mogelijkheid om het goede te doen en zo die ander te redden?

Jozef ontvangt wijsheid

Stapt Jozef over alles wat gebeurd is heen? Nee, hij zoekt naar een gezonde basis voor de vernieuwing van hun broederschap. Hij wil ‘vaste grond’ onder zijn voeten krijgen om de door God bedoelde verzoening te laten plaatsvinden. Te midden van alle emoties die Jozef bij die eerste ontmoeting met zijn broers beleeft - en die zullen best ‘heftig’ geweest zijn - ontvangt hij wijsheid van God.

Jozef gaat onderzoeken hoe zijn broers reageren op ‘valse’ beschuldigingen. Hij wil weten hoe ze reageren als hij één van hen eruit haalt en die isoleert van de rest. En of zij bereid zijn om zijn jongste broer Benjamin op te halen. Jullie zijn spionnen, zegt hij. Eén van jullie mag terug om jullie jongste broer bij mij te brengen, de andere negen gaan de gevangenis in. Drie dagen later draait hij het om: één van jullie moet blijven, de rest mag terug.

Jozef peilt hiermee hun hart, hun eerlijkheid. Komen ze tevoorschijn met de waarheid, spreken ze de waarheid en handelen ze naar de waarheid?

Genesis 42:9-24 – Toen herinnerde Jozef zich de dromen die hij van hen gedroomd had. En hij zei tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te zien, waar het land open ligt. Doch zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer, maar uw knechten zijn gekomen om voedsel te kopen. Wij zijn allen zonen van één man; wij zijn eerlijke lieden; uw knechten zijn geen verspieders. Doch hij zei tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen om te zien, waar het land open ligt. Daarop zeiden zij: Uw knechten waren twaalf in getal, wij zijn broeders, zonen van één man in het land Kanaän, en zie, de jongste is thans bij onze vader, en één is niet meer. Toen zei Jozef tot hen: Het is, zoals ik tot u gesproken heb: gij zijt verspieders. Hieraan zult gij getoetst worden: zowaar Farao leeft, gij zult vanhier niet weggaan, tenzij uw jongste broeder hierheen komt. Zendt één van u om uw broeder te halen, maar gij zult gevangen blijven; zo zullen uw woorden getoetst worden, of gij waarheid spreekt; maar indien niet, zowaar Farao leeft, dan zijt gij verspieders. En hij zette hen gezamenlijk drie dagen lang in hechtenis. Op de derde dag nu zei Jozef tot hen: Doet dit, opdat gij in leven blijft; ik vrees God. Indien gij eerlijke lieden zijt, laat dan één broeder van u gevangen blijven in het huis van bewaring, maar gaat gij heen, neemt koren mee voor de honger uwer gezinnen. Doch dan moet gij uw jongste broeder tot mij brengen, opdat uw woorden waarheid mogen blijken en gij niet sterft. Zij nu deden aldus en zeiden tot elkander: Voorwaar, nu boeten wij voor wat wij onze broeder aangedaan hebben: wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om erbarming smeekte, maar wij hoorden niet; daarom is deze benauwdheid over ons gekomen. Toen antwoordde Ruben hun: Heb ik u niet gezegd: bezondigt u niet aan de knaap! Maar gij hebt niet geluisterd. Nu wordt zijn bloed van ons geëist. Zij wisten echter niet, dat Jozef hen verstond, want zij gebruikten een tolk. Toen wendde hij zich van hen af en weende. Daarna keerde hij tot hen terug en sprak met hen; hij nam Simeon uit hun midden en liet hem in hun bijzijn binden. 

Wijsheid gaat boven emotie

Jozef raakt geëmotioneerd, maar kan zich beheersen. De wijsheid die God geeft stelt je in staat om je emoties onder controle te houden. Wat mooi is dat!

Jozef hoort zijn broers met elkaar overleggen en dat zal hem al enige duidelijkheid hebben gegeven over hun hartsgesteldheid: hij bespeurt een verandering bij hen; het is anders dan destijds.

Hij geeft koren mee en laat het geld terugleggen in de zakken. Simeon moet achterblijven in Egypte.

Schrik en ontmoediging

Wanneer één van de broers op weg naar huis ontdekt dat het geld is teruggegeven, zakt de moed hen in de schoenen. Wat krijgen we nou? Nu kan die man ons echt van allerlei onwaarheid en onheusheid bejegenen. Waarom doet God ons dit aan? Ze begrijpen er niets van.

Thuis bij vader Jakob doen ze het hele verhaal. De schrik neemt dan toe, want ze vinden in alle zakken met koren het teruggelegde geld. Hoe moet dat de volgende keer? En hoe moet dat met Benjamin?

Vader Jakob is zeer beslist: die jongen gaat niet met jullie mee, dat gaat niet gebeuren. Hij ziet dat niet zitten. Ruben doet nog een poging: Vader, u mag allebei mijn zonen doden als ik hem niet bij u terugbreng. Ja, daar heb je wat aan… Nee, Ruben, dat is geen verstandige toezegging.

Ze hebben nu wél te eten. Maar daarmee is ook alles gezegd; veel vreugde is er niet meer in de tenten van Jakob. Ze kunnen voorlopig vooruit, maar als het koren op is? De hongersnood is nog niet voorbij… Er zal nog iets anders moeten gebeuren.

God redt en verlost

Het verhaal van Jozef getuigt van redding en verlossing van God, dwars door alles heen. Die redding van de Heer is verbonden met het leven en geloven van één jongen. Met het vertrouwen van God door één mens. Door die éne kan God redden en verlossen. En dat is nooit alleen ten bate van hemzelf, maar ook altijd ten bate van anderen. Ook van hen die daarvoor niet zo’n mooie rol hebben gespeeld. Dat blijkt in dit verhaal.

Wat een God is Hij: dóór en dóór goed, vol van liefde en genade, van barmhartigheid en goedertierenheid!

Zijn wij bereid?

Als God dit in en door het leven van Jozef heeft kunnen bewerken, zou Hij dat dan ook niet kunnen doen door het leven van Jezus’ gemeente? Redding en verlossing van een hele wereld in nood?

Zijn wij bereid om de weg te gaan die Jozef is gegaan? Om net zoals hij door diepten heen te gaan? Om trouw te blijven aan onze roeping en opdracht? Om die roeping en verkiezing steeds weer te bevestigen? Om uiteindelijk door God tot zegen gesteld te worden voor velen?