Gemeente en gezin

Naar een toespraak van Cees Visser op de 'Contactdag' van 19 maart 2016 (deel 1)

Het plan van God

We gaan samen uitwisselen en nadenken over dat prachtige plan van God, met name over de gemeente, het lichaam van Christus. Of zoals Paulus het noemt in 1 Timoteüs 3:15: ‘de gemeente van de levende God, een pijler en fundament van de waarheid’. De gemeente behoort tot Gods plan en vormt daar een fundament, een pijler van, en dat is geweldig! God heeft ons geschapen om gemeente te zijn. Een mensheid onder één hoofd verenigd, van één geest doordrenkt. Paulus zegt dat in Efeziërs 1:10: om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, alles wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd samen te vatten, Christus. Paulus weet dan wie de Christus is: Jezus. Hij weet ook dat er heel veel eeuwen al voorbijgegaan zijn, waarin dat geweldige geheimenis van God niet tevoorschijn is gekomen.

De Christus

Als er geen zondeval geweest zou zijn, geen rijk der duisternis mensen tot zonde zou hebben verleid, dan zou er vanaf het eerste mensenpaar en hun kinderen en al hun nageslacht een gemeente ontstaan zijn. Dit als een logisch gevolg van het paradijselijke waarin de mens door God is geschapen. God heeft van aanvang af bedoeld dat mensen één zijn met elkaar, individuen verbonden door Hem, in Hem, rondom Hem, bij Hem. En dat zij vervuld worden met de Geest van Hem. Onder leiding van de Gezalfde, het hoofd van die mensheid, de Messias, de Christus. Adam is daar niet aan toe gekomen. Dat is tragisch. Daarmee is Gods plan en het hele denken daarover min of meer in de ijskast gekomen. Die wijsheid van God is verborgen gebleven, zegt Paulus. Het heeft geduurd tot Jezus, tot er weer een Christus uit de mensheid tevoorschijn kon komen, voordat het plan van God rondom de gemeente gestalte kon krijgen.

Christus bouwt de gemeente

Jezus begint met iets waar Adam al aan had mogen beginnen. Jezus zegt, als Hij in Caesarea-Filippi door de discipelen herkend wordt als Christus, en die Hem belijden als Christus: Op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen (Mat.16:16-18). Op mensen die dit zien en dit van God ontvangen hebben, ga Ik een gemeente bouwen. Petrus, jij bent daar een van de eersten van. Met mensen zoals jij ga Ik een gemeente bouwen. Jezus ziet wat God met mensen van plan is.

Het werk van Jezus Christus: onze positie in de hemel

Hij wil die mensen daarvoor toebereiden door ze eerst te verlossen uit de macht en greep van duisternis en dood, waarin ze terecht zijn gekomen. Hij wil ze wederom geboren laten worden en ze een nieuw leven geven, om ze daarna te vervullen met Gods heilige Geest. Daar moest wel het een en ander voor gebeuren. Dat heeft Jezus ook gedaan. Hij heeft dat evangelie niet alleen gepredikt en het heil in het vooruitzicht gesteld. Hij heeft dat heil ook mogelijk gemaakt. Hij is gestorven voor onze zonde en heeft het daardoor mogelijk gemaakt voor elke mens die in Hem gelooft, om uit de dood weg te komen en in het leven met Hem geplaatst te worden. Hij krijgt een plaats in Christus, in Gods Koninkrijk, voor Gods troon, een hemelse positie met ongekende, nieuwe mogelijkheden, waarin dan ook het gemeente-zijn mogelijk wordt vanuit de hemel. Je kunt gemeentewording op aarde proberen, maar dat wordt niets. Vanuit de hemel is het mogelijk, vanuit je positie in Christus is het mogelijk. Vanuit alles wat Jezus door zijn werk aan genade heeft geopenbaard. Op de pinksterdag zie je het gebeuren, dan daalt Gods Geest neer en vervult daar 120 mensen die eendrachtig bijeen zijn: de gemeente van God wordt geboren, de gemeente van Christus krijgt gestalte. Honderdtwintig mensen, vervuld van één Geest en samen onder één hoofd! Op diezelfde dag komen er nog eens 3000 bij. Zo groeit de gemeente, en dat gaat door tot op de dag van vandaag.

Het geheimenis van Christus is de gemeente

Paulus noemt dat in Efeziërs 3:4 ‘het geheimenis van Christus’, een verborgenheid. Hij wil dat wij ons een beeld vormen van zijn inzicht in het geheimenis van Christus. God wil het niet verborgen houden, de vijand van mensen en God houdt het verborgen. Jezus wil het openbaren, ontsluieren, openen, opdat er een gemeente gebaard zal worden. Een gemeente waar mensen op een bijzondere wijze met elkaar verbonden zijn, zoals God van aanvang af heeft bedoeld en nu door het werk van Jezus opnieuw mogelijk is geworden. Ze mogen één worden met elkaar, en één worden in zichzelf. Ze mogen onder leiding van Jezus een einde maken aan elke vorm van verdeeldheid, innerlijk en onderling.

Langs de weg van herstel naar het doel

Mensen zijn niet meer één, dat is wel de uitgangssituatie. Ze zijn innerlijk verdeeld geraakt en behoorlijk ook. Je wedergeboorte brengt niet direct een einde aan de verdeeldheid in je hart. Vergeving van zonde maakt je los van de dood, geeft je leven in Christus. Maar dan is nog heel wat nodig aan verdere bevrijding, aan genezing, herstel en aan ontwikkeling, om innerlijk één te worden, zoals Jezus één is en de Vader één is, zoals zij samen één zijn, voortdurend doordrongen van dezelfde Geest, alle vermogens in eenheid functionerend. Zo mag het met ons als mensen in Christus gaan worden, bewust levend in twee werelden tegelijk. Een leven vanuit de hemelse werkelijkheid, tevoorschijn komend in alles wat we hier op aarde doen. Als mensen dat met elkaar zoeken, dan kan de Heer ook in die mensen onderling iets bewerken dat meewerkt aan dat innerlijk herstel.

Verdeeldheid door autonome houding en opstelling

Want alléén, op jezelf, kom je er niet. Het einddoel van het geloof wordt bewerkt in de gemeente van Jezus, in zijn lichaam. Het is wondermooi dat wij als mensen 'leden' mogen worden van het 'lichaam van Christus'. Een verband dat zijns gelijke in deze wereld niet heeft. Er zijn wel allerlei organisaties, die mensen laten samenwerken, die een bepaald doel najagen en dat vaak ook wel ten dele bereiken, maar daar is ook allerlei geharrewar, verdeeldheid en gedoe. Leiding die niet geaccepteerd wordt, of die opgelegd wordt: heersen vanaf boven, in plaats van dragen met elkaar.

Er zijn unies opgericht en verenigingen gevormd, broederschappen in het leven geroepen. Allemaal misschien wel met het oog op dat éne doel. Maar het lukt niet. Het kan alleen in het lichaam van Christus, maar ook daar wordt het bevochten en is het niet automatisch of als vanzelfsprekend. Ook in de gemeente van Christus zit de verdeeldheid - het autonome - er diep in. Zodra mensen samen met andere mensen zich met elkaar verbinden, zich organiseren, speelt die innerlijke verdeeldheid op, ook in gemeenten.

Gods Geest bewerkt innerlijke en onderlinge eenheid

Daarom laat Jezus zijn gemeente in stappen tot ontwikkeling komen. Hij geeft ons eerst de mogelijkheid om in plaatselijk verband gemeentevorming te gaan beleven, met zicht op zijn bedoeling en mogelijkheden. Gemeente-zijn gaan beleven in plaatselijke gemeenten. Te overzien, met een groep mensen die groter is dan twee of drie. De grootte van de groep is eigenlijk niet belangrijk. In kleine plaatselijke gemeenten kun je dezelfde problemen tegenkomen als in grotere plaatselijke gemeenten. Denk niet dat je dat met een kleine gemeente de problemen elimineert en in een grote gemeente de problemen opzoekt. Het zit in mensen, het verdeelde zit nog in ons. Het zijn innerlijke conflicten die in de omgang met elkaar tot problemen kunnen leiden en ook al heel vaak hebben geleid.

Plaatselijk gemeente worden is niet ‘niks’. Als dat werkelijk in de hemel tot stand komt, is dat een groot wonder van God, een geweldig werk van Jezus Christus. Eigenlijk iets buitengewoons, dat uniek is. Je komt het in de wereld om ons heen gewoon niet tegen. Jezus maakt je één in jezelf en één met elkaar. Dat één worden met elkaar is nodig voor het één worden in jezelf. En ook andersom: de innerlijke eenwording is nodig om onderling één te worden. Dat werkt op elkaar in, dat is een verband, een werking van Gods Geest in en tussen mensen. Jezus geeft ons mogelijkheden om dat geheimenis van Christus, dat gemeente-zijn, te gaan ontdekken en te gaan beleven in plaatselijke verbanden. We hoeven dus niet gelijk met de hele wereld aan de slag te gaan, maar het eerst in eigen plaats, in onze eigen omgeving gaan ontdekken, gaan zoeken, gaan beleven en daarin geweldige dingen met de Heer gaan ervaren!

Een plaats in zijn lichaam via waterdoop en Geestesdoop

Plaatselijke gemeente-zijn is meer dan een groep gelovigen die bij elkaar komt. Dan kun je samen zingen, iemand kan een inleiding geven, je kunt er met elkaar over doorpraten en met elkaar bidden. Misschien elkaar ook nog een zegen meegeven en dan weer uit elkaar gaan. Maar daarmee is er nog geen gemeente ontstaan.

Gemeente-zijn is een verband, met een commitment, met een verbinding die in hemel én op aarde blijkt. Met onze waterdoop geven wij onszelf niet alleen aan Jezus, getuigen we niet alleen dat we met Hem zijn opgestaan tot een nieuw leven. We belijden daarmee ook dat we onze plaats willen innemen in zijn lichaam. Op de pinksterdag worden 3000 mensen gedoopt die worden ingevoegd in de gemeente te Jeruzalem. Daar gebeurt wat, daar ontstaat wat. Met het dopen in water voeg jij je in het lichaam van Christus, de gemeente. Met de Geestesdoop beantwoordt Jezus dat en geeft Hij jou door die Geest in de hemelsferen een plaats in Hem, in dat geheel van zijn lichaam: de plaats die God jou daarin wil geven. Dat lid worden van een plaatselijke gemeente is dus niet zomaar wat; het is een hemelse werkelijkheid die je op aarde concreet gestalte mag geven. Zodra een groep mensen dat ziet, dat wil en dat van de Heer verlangt, kan het ‘gemeente-zijn’ ontstaan, kan er sprake zijn van een ‘gemeente-in-wording’.

Van God gegeven leiding

Dan geeft God daarin ook leiding, de van God gegeven leiding: mensen met een ambt, mensen die aan de verdere ontwikkeling van het gemeente-zijn vorm, richting en leiding mogen geven. De Bijbel spreekt over oudsten, opzieners en herders: drie woorden voor één ambt, het ambt van oudste/ouderling. Presbyter in het Grieks. Zij mogen met elkaar als oudstenraad de gemeente voorgaan. Zij hebben daarin een 'gezagspositie' die zich beperkt tot een 'gezagskring', tot de mensen die zich in die gemeente voegen, deel willen uitmaken van dat proces in die plaatselijke gemeente, en samen met elkaar gericht willen blijven op de vorming van een lichaam onder leiding van Jezus Christus. Op het openbaar worden van Gods wil met hen in dat samenzijn.

Mensen als gaven in de gemeente

Jezus maakt dat mogelijk, en wij mogen daarvoor kiezen. Jezus bevestigt dat, en zo mogen wij daarin doorgaan. Zo mag een plaatselijke gemeente gaan groeien. We mogen nieuwe mensen uitnodigen, die mogen horen, proeven en smaken. Ook zij mogen tot geloof komen en zich laten dopen in water. Ook zij mogen de doop in de heilige Geest ontvangen en hun plaats in die gemeente innemen. Elk mens die zich in een plaatselijke gemeente voegt, mag als een gave aan de gemeente gaan functioneren: als een van God gegeven mens. Met mogelijkheden, talenten, en alles wat in hem aanwezig is door Gods Geest bekrachtigd en doorstroomd. Niet om zichzelf daarmee te profileren, maar ten bate van het geheel, door anderen daarmee van dienst zijn. Ieder mens is een gave. Dat kan zich op allerlei manieren uiten: profetisch, dienend, muzikaal, leidinggevend aan kinderen en jeugd, in prediking, onderricht, pastoraat. En noem maar op. Gaven van mensen die samen met de ambten in de gemeente een geheel mogen vormen, waarin Gods plan met mensen tevoorschijn mag komen. Een plaatselijke gemeente: iets heel kostbaars, maar ook iets kwetsbaars.

Het gaat niet vanzelfsprekend goed

Ieder lid is een gave: aanvaard door God en geliefd door God. En de bedoeling daarvan is ook: aanvaard en geliefd door de andere leden. We prediken ‘aanvaarding’ in de gemeente, maar het is niet vanzelfsprekend, het gaat niet automatisch. Soms kun je je nog wel eens ‘bekeken’ voelen of je wel eens niet zo ‘aanvaard’ weten in de gemeente. Misschien doe je nog wel eens hele rare dingen. Dat gebeurt. Omdat we nog in ontwikkeling zijn, kan het en mág het ook nog wel eens gebeuren dat het niet helemaal goed gaat, dat mensen nog wel eens even ‘uit de bocht vliegen.’ Als je dan maar - vanuit de aanvaarding van Heer - met elkaar ziet dat het ‘uit de bocht gevlogen’ is, zonder veroordeling of verwijt naar diegene toe die dat probleem heeft veroorzaakt. En - levend vanuit de genade en liefde van de Heer - samen wil nadenken over dingen die in de gemeente nog niet werken, of niet aanwezig zijn, of eigenlijk niet meer zouden moeten plaatsvinden. Ook in een oudstenraad kan het gebeuren dat je onenigheid krijgt. Zelfs over natuurlijke dingen, terwijl je geestelijk hetzelfde wilt. Dat je als het ware ‘tegenover elkaar’ komt te staan. Hoe kan dat?

Werkingen uit het rijk der duisternis onderkennen

Dat moet je dan niet proberen op te lossen door ‘mediation’ of iets dergelijks, maar het gaan benaderen vanuit de hemel, vanuit Gods Koninkrijk: wat is hier aan de hand, wat zet ons tegen elkaar op als er verdeeldheid openbaar komt, welke werkingen uit het rijk der duisternis zijn hier bezig? Dát moet tevoorschijn komen. En dat mag je positief duiden, want dan kan het in het licht van Gods Koninkrijk aangepakt worden, kan het achtergelaten en gepasseerd worden. Ook al kom je dan in aanraking met krachten die dat niet willen. Er is niet alleen een geheimenis van Christus, dat Jezus wil openbaren en uitwerken, maar ook een ander geheimenis: het geheimenis van de wetteloosheid - Paulus schrijft erover in 2 Tessalonicenzen 2. Hoewel dat geheimenis voor heel veel mensen verborgen wil blijven, komt het bij de verdere vorming van de gemeente steeds meer in beeld.

Dat wetteloze en weerspannige is al heel vroeg begonnen; het is de basis van de eerste zonde. Het drijft Adam en Eva het paradijs uit, het zet Kain aan om Abel te doden, het bewerkt een geestelijke ‘explosie’ tijdens de torenbouw van Babel. Het volk dat zich samen wil inzetten voor iets gemeenschappelijks, wordt op dat moment helemaal uit elkaar gejaagd in allerlei talen: de verwarring en verdeling bij de toren van Babel. En die werkingen blijven actief tot in het boek Openbaring. Je leest erover in hoofdstuk 18 en 19. Die geest van Babel heerst nog steeds: hij verwart mensen en drijft ze uit elkaar.

Grootvorsten tegenover ons

Die destructieve machten en krachten komen op de gemeente-in-wording af: ‘goden’ en ‘heren’ in menigte die zich in de gemeente van Jezus Christus willen manifesteren. Voor ons is er maar één God en één Heer, Jezus Christus (1Kor.8:6) die ons voorgaat op de weg. Maar je komt die anderen tegen als je de Heer en de God volgt. Koningen van Babel, geesten, grootvorsten; sommigen noemen zich koningin, de koningin des hemels. Het zijn er velen. Ze proberen op elk terrein, in alle volken, stammen en in alle culturen hun stempel te drukken. Als mensen bij elkaar komen in een gemeente lopen die machten aanvankelijk mee. Ze komen tevoorschijn wanneer Jezus mensen aaneensluit in zijn gemeente en wil vervullen met zijn Geest. Waar Hij als hoofd van zijn lichaam wordt geëerbiedigd en gevolgd, willen zij hún kop opsteken en zich verzetten. Openbaring 13 laat het zien: de koppen van het beest uit de zee - beeld van de antichristelijke geest - komen dan boven water. Je krijgt met anti-gemeentelijke werkingen te maken die lijnrecht tegen Gods plan met de gemeente ingaan. Daar loop je in de groei en ontwikkeling van de gemeente tegenaan. Wat staat je dan te doen?

Wat gebeurt er in jouw ‘eigen hemel?’

Wat gebeurt er in de hemel bij jezelf in zo’n situatie? Het is allereerst aan de orde om bij jezélf naar binnen te gaan. Om onder leiding van de Heer, en mogelijk in samenspraak met mensen rondom je, te ontdekken wat zich daar verborgen heeft gehouden en zich nu manifesteert. Om het dan ook te benoemen, er bovenuit te komen en eruit weg te trekken. Door het in de naam en de kracht van Jezus uit je leven te verwijderen. Dat is overigens geen kwestie van ‘even voor je laten bidden’ en dan ‘klaar’. Nee, zo'n gebed geeft je mogelijkheden om er samen met de Heer mee aan de slag te gaan…

Na bevrijding kun je beginnen met wegtrekken uit het patroon dat je nog niet eerder zo duidelijk had gezien. Het is geen schande om die patronen en de verkeerde werkingen erin te ontdekken, als je er in het licht van de Heer zicht op krijgt. Werk met de genade waarmee de Heer in je leven wil doorwerken. En daarmee in de plaatselijke gemeente waarvan je deel uitmaakt, wil doorwerken.

Wat een opdracht om dat (samen) in te gaan vullen. In elk verband binnen de gemeente willen die 'koppen' zich manifesteren, maar de Heer wil zijn goede werk in ons ook voortzetten. Jezus opent daartoe de zegels van de boekrol en nodigt ons uit om Hem te volgen. Hij gaat ons voor op een wit paard en wij mogen Hem volgen op witte paarden. Hij laat ons daarbij ook die andere ruiters zien die tegen ons optrekken: op een rood, zwart en vaal paard. Hij gaat ons voor en wil ons door al die weerstanden heen voeren. Hij wil ten volle openbaar komen in je leven en in dat van je broeder en zuster in de gemeente. We zitten midden in dit proces, je kunt er allemaal iets van herkennen. In de plaatselijke gemeente en de kleinere verbanden binnen die plaatselijke gemeente kun je de werkingen en mogelijkheden van de Heer zien, alsook de tegenwerkingen vanuit de vijand.

Het gezin is een gemeente in het klein

Wat bedoel ik? In onze gemeenten zijn veel gezinnen. Dat is ook van aanvang af door God bedoeld. Om kinderen in een gezin geboren te laten worden, bij ouders die hen met liefde en zorg omgeven. Om ze in het gezin tot volwassenheid te brengen, waarna ze ook zélf weer een gezin kunnen gaan vormen. Al die gezinnen zouden met elkaar verbonden blijven in die steeds groter wordende gemeente. Het gezin maakt dan deel uit van een groter verband. Een gezin is een gemeente in het klein en een gemeente is het gezin in het groot. Paulus noemt de gemeente ‘het huis(gezin) van God’ (1Tim.3:15). Ook in een gezin zijn 'banden' en 'pezen' werkzaam, denk bijvoorbeeld aan de ‘bloedband’. Die banden kunnen door vijanden vanuit de voorgeslachten misbruikt worden om vader en moeder tegen elkaar op te zetten en te verdelen, om het gezin uit elkaar te drijven. Zolang de kinderen klein zijn, zijn er kleine problemen, maar als ze groter worden kunnen er ook wel eens hele grote problemen ontstaan. Hoe komt dat toch? Komt dat omdat je niet van je kinderen houdt? Ach, je houdt zo zielsveel van je kinderen en wat kan je toch van kinderen genieten. Je zet al je liefde, zorg en aandacht in. Daar schort het (meestal) niet aan. Het ‘extra’ dat God ermee bedoelt en erin wil bewerken, daar schort het vaak wél aan. Het gezin is een door God bedoelde samenleving van mensen, daarin mag diezelfde vrijheid en werking van Gods heilige Geest tot stand komen als in de gemeente. Ouders mogen de gezagspositie innemen in de gezagskring van de kinderen in dat gezin. Gezinnen mogen zich voegen in en deel uitmaken van de gemeente. Kinderen groeien niet alleen in de ‘tent’ van hun ouders op, maar ook in de ‘tent’ van de gemeente. Wat ouders in de gemeente van Jezus ontvangen, mogen zij toepassen en uitwerken in hun gezin. Het hoort bij elkaar en kan elkaar versterken.

Als gezin leef je de hele dag met elkaar, in de gemeente ontmoet je elkaar wellicht maar twee keer per week. Wie je bent, komt in het gezin openbaar. In de gemeente kun je nog een tijdje je ‘zondagse jasje’ aandoen. Je hoeft je niet te schamen voor wat er in het gezin nog mis gaat, laat het maar tevoorschijn komen in het licht en de mogelijkheden die de Heer geeft. Trek je niet terug achter de schermen, laat de onvolkomenheden aan het licht komen, zodat ze opgeruimd kunnen worden in de gemeente.

In een gezin ben je dagelijks samen. Als gemeente zie je elkaar in de samenkomsten, en soms ook daarbuiten: op straat of in de supermarkt. Herken elkaar dan als leden van Gods huisgezin en beleef zulke momenten als ‘quality time’. Besef dat de Heer op elk moment waarin je elkaar tegenkomt, iets wil doen: zegenen, ruimte geven, perspectieven openen. Allemaal vanuit dat samen gemeente-zijn. Al die dingen gelden ook voor een alleenstaande. Waar twee of drie samen zijn, ben Ik in het midden (Mat.18:20). Dat is gemeente-zijn als je elkaar ontmoet.

Gaat het de Heer alleen om gezinnen? Nee. Gaat het de Heer alleen om plaatselijke gemeenten? Nee. Het gaat de Heer om de hele mensheid, uit alle stam en taal en natie. De Heer stond aan het begin van zijn leven en werk voor een ongelofelijke klus. En tweeduizend jaar later moet er nog veel gebeuren...

Het grotere gezin: de gemeente

Zoals je kunt zeggen dat een gezin een kleiner deel of unit is van de plaatselijke gemeente, kun je ook zeggen dat de plaatselijke gemeente een kleiner deel is van een groter geheel. Dat grotere geheel duidt niet gelijk op iets 'wereldomvattends'; de eenwording van plaatselijke gemeenten kan ook op kleinere schaal beginnen. Zo kan je visie krijgen op wat ze samen mogen vormen: één lichaam met vele leden, doorstroomd van één Geest, en onder leiding van één hoofd.

Ons eigen lichaam is beeld van wat God met alle mensen samen bedoelt. Ons natuurlijk lichaam is zoals we weten een beeld van ons geestelijk lichaam. En van daaruit kun je je ook een voorstelling maken van dat grote lichaam, de gemeente. God geeft ons daarmee een blauwdruk van hoe mensen met elkaar mogen samenleven. Aan mijn lichaam zit een arm, aan mijn arm een hand, aan mijn hand een vinger en aan mijn vinger een vingertopje. In dat kleine topje zie je dezelfde werkingen als in de grotere delen van het lichaam. In het kleine verband zijn functies te zien die in het grotere verband ook werkzaam zijn. Het grote geheel is één, maar ook in het kleine is het één.

Gemeenteverband in het land

Het gezin, de 'kleinste unit', ziet elkaar dagelijks. De plaatselijke gemeente, het 'grote gezin', ontmoet elkaar tenminste eenmaal per week. Zo kunnen er ook 'nog grotere verbanden' ontstaan waarin meerdere plaatselijke gemeenten samenkomen om elkaar te ontmoeten. Ook in dat 'samen optrekken' dient de structuur van een 'lichaam' tevoorschijn te komen, om die volle werking van Gods Geest onder één hoofd tot stand te zien komen. Om de dienst van de heilige engelen gestalte te geven. Ons eigen lichaam is beeld van de gemeente, hoe mensen met elkaar in alle functies, in alle delen, mogen samenleven. Ook dat is een geheimenis, een 'groot geheimenis' (Ef.5:32).