Genesis 37:1-36

Nieuwe fase

In Genesis 37:1 lezen we: Jakob echter woonde in het land der vreemdelingschap van zijn vader, in het land Kanaän. Dit is de geschiedenis van Jakob.

De Naardense bijbel zegt hier: Jakob vindt zijn zetel in het land van de omzwervingen van zijn vader; in het land van Kanaän. Dit zijn de geboorten uit Jakob… De HSV spreekt over de afstammelingen van Jakob.

De bijbel begint hier aan een nieuwe fase in Jakobs leven, aan een nieuw stukje ‘heilsgeschiedenis’. En dan lijkt het alsof de bijbel een aantal afstammelingen van Jakob ‘overslaat’. Niet Ruben, Jakobs oudste zoon, wordt dan als eerste genoemd, maar Jozef, zijn elfde zoon.

Genesis 37:2 - Jozef, zeventien jaar oud – hij was dus nog jong – placht met zijn broeders, de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de schapen te hoeden. En Jozef bracht kwaad gerucht aangaande hen aan hun vader over.

Van schaapherders naar herders

De geschiedschrijver pakt de verdere ontwikkeling van het volk Israël op met het verhaal van Jozef. Terwijl God zijn zegen heeft uitgesproken over Jakob en al zijn zonen, gaat die door God bedoelde ontwikkeling in de afstammelingen van Jakob eerste instantie alleen door  in Jozef. Alle zonen van Jakob zijn herders van schapen; zij mogen allemaal uitgroeien tot herders van mensen, om vele zonen en nakomelingen tot God te leiden. Maar benutten ze die mogelijkheden ook allemaal?

Jozef is de eerste

Jozef benut die mogelijkheid als eerste: hij groeit in zijn leven uit tot een ware herder. In navolging van zijn vader, grootvader en overgrootvader dient hij God met zijn hele hart. Hij wil leven voor Gods aangezicht, doen wat Hem behaagt. In Genesis 37 is hij de enige zoon van Jakob die zijn leven zo volledig aan de Heer toewijdt.

En de anderen?

Jakobs andere zonen benutten die mogelijkheden op dat moment niet. Alle (oudere) broers van Jozef maken er eigenlijk een ‘potje’ van. De enige van wie je op een gegeven moment merkt dat er in hem ook iets moois ontwikkelt, is Juda. Dat blijkt als hij vele jaren later in Egypte borg staat voor zijn jongste broer Benjamin. Juda komt in zijn leven ook tot dat ‘herderschap’, maar dat gaat wel door geestelijke diepten heen.

Daarom vertelt Genesis 37 eerst over Jozef. Daarna begint de bijbel in Genesis 38 ook met het verhaal van Juda.

Jozef leeft met God

Jozef leeft zuiver, hij leeft voor de Heer. Daarmee past hij geestelijk in de lijn van Abraham, Isaak en Jakob. Hij geeft zijn leven aan de Heer, tot vreugde van God, zijn hemelse Vader, en tot grote vreugde van Jakob, zijn aardse vader. Jozef ervaart de nabijheid van God en wordt door Hem geïnspireerd. Hij krijgt dromen, ontvangt profetische vergezichten.

Over zijn broers doen kwade verhalen de ronde. Jozef gaat daarmee naar zijn vader. Hij wil zich inzetten voor zijn broers. Maar zijn broers ergeren zich aan hem, zij noemen hem een ‘klikspaan’.

Jakob heeft Jozef lief

Jakob krijgt Jozef lief, boven al zijn zonen. Genesis 37:3 - En Israël had Jozef lief boven al zijn zonen, omdat hij hem een zoon des ouderdoms was; en hij maakte hem een pronkgewaad. Toen zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broeders liefhad, haatten zij hem en konden niet vriendelijk met hem spreken.

Jakob heeft al zijn zonen lief, maar in het opgroeien van Jozef krijgt hij een bijzondere liefde voor deze zoon. Dat is te begrijpen: als jouw zoon van jongs af aan de weg van de Heer bewandelt, en daarmee zo duidelijk in jouw voetsporen treedt, dan doet dat wat met je, dat doet je vaderhart goed. Jakob herkent zichzelf in Jozef en ziet in hem de voortzetting van Gods plan.

Tel hierbij op dat Jozef ook nog eens de oudste zoon is van Rachel, zijn geliefde vrouw. Voor Jakob is Jozef een ‘eerstgeborene’, in geestelijke zin beschouwt hij Jozef als zijn eerstgeborene. Zijn werkelijke eerstgeboren zoon, Ruben, heeft het hem recentelijk heel moeilijk gemaakt. Door zijn grove zonde met Bilha heeft Ruben zijn eerstgeboorterecht als het ware ‘verspeeld’.

Pronkgewaad wekt jaloezie op

Te midden van zijn oudere broers leeft Jozef wél naar Gods wil. Israël wil dat duidelijk maken: hij geeft Jozef een mooi gewaad, een prachtig bovenkleed in allerlei kleuren, een ‘pronkgewaad’, zegt de NBG. Dat wakkert het vuurtje van jaloezie bij zijn broers verder aan. Zij kunnen niet meer vriendelijk met hem spreken. De NBV zegt: ze kunnen Jozef niet uitstaan, er kon geen vriendelijk woord voor hem af.

Jozefs dromen wekken haat op

Als Jozef zijn dromen gaat vertellen aan zijn vader en broers, begint de maat voor de broers vol te worden. Genesis 37:5-11 - En Jozef had een droom en vertelde die aan zijn broeders; daarom haatten zij hem nog meer. Hij zei namelijk tot hen: Hoort toch deze droom die ik gehad heb. Zie, wij waren aan het schoven binden in het veld – daar richtte mijn schoof zich op en bleef overeind staan, en zie, uw schoven omringden haar en bogen zich voor mijn schoof neer. Daarop zeiden zijn broeders tot hem: Wilt gij soms koning over ons zijn? Wilt ge soms over ons heersen? Toen haatten zij hem nog meer om zijn droom en om zijn woorden. En hij had nog een andere droom, die hij aan zijn broeders verhaalde. Hij zei: Nu heb ik weer een droom gehad, en zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer. Toen hij dit aan zijn vader en zijn broeders verhaalde, onderhield zijn vader hem daarover, en zei tot hem: Wat voor een droom is dat, die gij gehad hebt? Zullen soms ik, uw moeder en uw broeders komen om ons voor u ter aarde neer te buigen? Zijn broeders dan benijdden hem, maar zijn vader hield de zaak in gedachten.

Haat en nijd

Bij het vertellen van die dromen ontstaat er haat in de oudere broers ten opzichte van hun jongere broertje, in het hart van die ontrouwe, onverschillige, wetteloze en ruwe kerels ten opzichte van die trouwe, zuivere, door God geïnspireerde jongen van zeventien jaar.

Wat zie je dat toch vaak gebeuren: dat er haat ontstaat bij de oudere ten opzichte van de jongere, bij de ontrouwe ten opzichte van de trouwe, bij de wetteloze ten opzichte van de zuivere, door God geïnspireerde. Je ziet het bij Kain ten opzichte van Abel, bij Esau ten opzichte van Jakob. Later zie je het bij de broers van David ten opzichte van dat nakomertje met rossig haar. Je ziet het bij de Farizeeën en Schriftgeleerden, de wetgevers, de ‘grote mannen’ in de tijd van het NT, ten opzichte van die nieuwkomer, Jezus van Nazaret.

En nog steeds zie je dit terug. Een oeroude truc van Satan, een overbekende aanval van de vijand op het door God beoogde broederschap van mensen, en op de plaats die God bepaalde mensen geeft te midden van hun tijdgenoten.

Van jaloezie en irritatie naar haat en moord

Jakobus schrijft in zijn brief over mensen in wiens binnenste een geestelijke strijd aan de gang is, een strijd die leidt tot jaloezie, maar ook tot haat en tot moord: Jakobus 4:1-3 - Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit: uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten? Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en na-ijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt. (Of,) gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen.

Dit is het bekende pad van de vijand. Deze weg wil hij met de broers van Jozef inslaan. De jaloezie is er al, de irritatie ook al. De haat wordt gewekt, en het is een kwestie van tijd totdat het moordlustige tevoorschijn komt.

Jozef, de jonge herdersjongen, droomt over het koningschap. Zijn vader die veel van hem houdt en veel in hem ziet, houdt de zaak in gedachten. Hij blijft erover nadenken hebben we gelezen. De Canisius vertaling zegt: hij prent het in zijn geheugen.

Zijn broers benijden hem. Ze worden nog afgunstiger, nog jaloerser. Ze kunnen hem wel vermoorden, zegt de NBV. De kans daartoe dient zich een jaar na Jakobs terugkomst bij Isaak in Hebron aan.

Terug in Sichem

De broers van Jozef zijn op dat moment met hun kudden al geruime tijd van huis en bevinden zich in de omgeving van Sichem.

Zijn ze met hun kudden naar Sichem gegaan? Naar de plek waar zich nog maar enkele jaren daarvoor dat hele drama rondom Dina heeft afgespeeld? Moet je terug naar de plaats waar je alle afgodsbeelden en alles wat met het verleden te maken heeft, hebt begraven?

Je kunt daar natuurlijk redenen voor opnoemen: Jakob heeft daar een stuk land gekocht. Van die weidegrond mag je toch gebruik maken? Zeker. Maar het terug gaan naar die plek is niet ongevaarlijk, vooral als je het benadert vanuit de geestelijke wereld.

Als je innerlijk ‘verdeeld’ bent, moet je niet naar een plaats gaan waarvan je weet dat het daar in het verleden niet goed is gegaan. Je wordt dan herinnerd aan die situatie en je geeft de vijand die toen gewerkt heeft de gelegenheid om bij je terug te komen…

Ook in de natuurlijke wereld is niet verstandig om naar Sichem terug te gaan: heel de omgeving weet wat er daar gebeurd is…

Ik denk dat het verblijf in Sichem de broers geen goed heeft gedaan. Ik vermoed dat de machten uit het moorddadige verleden van Simeon en Levi (zie Gen.34:25) de broers opnieuw tot ‘moordplannen’ willen aanzetten.

Jakob stuurt Jozef eropuit

Jakob is er niet gerust op, zijn zonen blijven te lang weg. Dan staat er dat Israël Jozef bij zich roept en hem de opdracht geeft om naar zijn broers te gaan: Ga naar ze toe en vraag naar hun welstand. Vraag naar hun sjaloom, staat er. Gaat het goed met jullie, met de kudden? We hebben al een tijd niets van jullie gehoord en we willen laten merken dat we met jullie meeleven.

Vermoed Jakob iets? Proeft hij iets in zijn hemel? Wat wil hij van zijn zonen horen en wat wil hij zijn zonen laten weten? De Bijbel zegt er niets over. Volgens mij zegt deze opdracht van Israël aan Jozef iets van de liefde die hij als vader voor al zijn zonen heeft. Hij wil ze niet aan hun lot overlaten: hij wil contact en legt contact via Jozef.

En Jozef? Hij is van hetzelfde verlangen vervuld als zijn vader. Hij zegt: hier ben ik. Genesis 37:14-15 - Toen zei Israël tot Jozef: Uw broeders weiden immers bij Sichem? Kom, ik wil u tot hen zenden. En hij zei tot hem: Hier ben ik. Verder zei hij tot hem: Ga toch en doe onderzoek naar de welstand van uw broeders en naar de welstand van de schapen en breng mij bescheid. En hij liet hem gaan uit het dal van Hebron en hij kwam te Sichem.

Jozef wil zijn broers vinden

Jozef vindt zijn broers niet in Sichem en vraagt dan of iemand ze gezien heeft. Dan blijkt dat ze nog eens veertig kilometer verder zijn getrokken, naar Dotan.

Wat had Jozef kunnen doen? Ze zijn niet in Sichem, ze zijn doorgetrokken naar Dotan. Zo te zien en te horen is er verder niets gebeurd, dus ik ga terug naar mijn vader. Maar dat doet Jozef niet. Hij denkt mee met zijn vader en zoekt verder. Hij handelt uit liefde voor zijn vader en zijn broers, ondanks het feit dat hij weet dat zijn broers hem niet kunnen uitstaan. Hij gaat nog verder van huis om zijn broers te vinden. Dan maar door naar Dotan. En daar vindt hij ze…

Demonisch plan van de broers

Zijn broers zien hem van verre aankomen. En de machten van de duisternis ruiken hun kans. Ze zetten de broers aan en drukken op dit moment door, om het plan om Jozef te vermoorden nú gestalte te geven: dit is het moment van hem af te komen.

Daar komt die ‘aartsdromer’… Aan die typering merk je wat hun dwars zit. Het zijn die dromen van Jozef, het feit dat hij koning over hen wil worden. Dat zal hem niet lukken. We maken er een eind aan, dan zullen we wel eens zien of die dromen uitkomen. Ze spreken gelijk af wat ze tegen hun vader zullen zeggen als ze weer thuis komen. Ze willen elkaar dekken in hun verzonnen verhaal.

List van Ruben

Maar Ruben denkt: nee, mannen, zo niet. Vers 21-22 - Toen Ruben dit hoorde, wilde hij hem uit hun hand redden, en zei: Laten wij hem niet doodslaan. Verder zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in deze put, die in de woestijn is, maar slaat de hand niet aan hem – met de bedoeling hem uit hun hand te redden en naar zijn vader terug te brengen.

Ruben wil de moord verhinderen; daartoe verzint hij een list. Er is in Ruben toch nog iets ‘goeds’ aanwezig. Nee, denkt hij, deze jongen moet terug naar zijn vader. Daarom zegt hij: Laten we hem alleen in die put gooien; laten we hem niet om het leven brengen. Zo gezegd, zo gedaan. Ruben heeft blijkbaar nog enig ‘gezag’ over zijn broers.

Jozef in de put

Als Jozef bij hen aankomt, rukken ze hem zijn mooie mantel af en gooien ze hem in de put. Dat moet voor Jozef iets verschrikkelijks zijn geweest: hij wordt beroofd van zijn mantel, beroofd van de liefde van zijn vader. Ze pakken die prachtige jas, waarin Jakobs liefde verwoord is, van hem af en vernederen hem. Ze kleden hem uit en gooien hem in een leegstaande waterput. Daar zal hij uiteindelijk wel van de honger sterven. Dan hebben zij hem niet vermoord, maar zijn ze toch van hem af, zo denken ze.

Samen eten

Wat gaan ze dan doen? Ze gaan op enige afstand van de put samen zitten eten. Onvoorstelbaar! Samen eten, samen ‘gemeenschap’ hebben in dat eten, en dat allemaal op korte afstand van de put waarin je jongste broertje ligt te huilen. Dat kán toch niet? Ja hoor, het gebeurt: vrolijk met elkaar gaan eten, terwijl je broer in doodsnood is en om genade smeekt. Ze horen het op afstand, maar houden zich doof. Ze trekken er zich niets van aan; hun harten zijn verhard.

Het is ze wel ‘bij’ gebleven; dat blijkt jaren later. Dat Jozef om genade smeekt en doodsbenauwd is, vind je in Genesis 37 niet terug, maar een aantal hoofdstukken verderop wordt dat wél beschreven. Genesis 42:21 - Zij nu deden aldus en zeiden tot elkander: Voorwaar, nu boeten wij voor wat wij onze broeder aangedaan hebben: wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om erbarming smeekte, maar wij hoorden niet; daarom is deze benauwdheid over ons gekomen.

Ze weten het dus wel, maar ze trekken er zich niets van aan. Innerlijk ‘keihard’ gemaakt door de machten der duisternis die hen tot geweld tegen Jozef aanzetten.

Gaan ze allemaal zitten eten? Waarschijnlijk doet Ruben dat niet. Hij zint op een plan om Jozef als het ’s avonds donker wordt, ongemerkt uit de put te halen en terug naar huis te sturen. Ruben loopt bij zijn broers vandaan, hij gaat een eindje om. Hij heeft geen zin in eten, hij wil Jozef redden.

En Jozef zelf? Ik denk dat hij het op dat moment heel moeilijk heeft. Daar lig je dan met al je dromen, met je goeie gedrag, met je liefde voor je broers… In een leegstaande waterput, ‘levend begraven’, uitzichtloos. Is dat nou het resultaat van je dienen en liefhebben van God en mensen? Ik vermoed dat de duivel met dit soort gedachten op die huilende, doodsbenauwde jongen is afgekomen. Het wordt niet beschreven, maar je kunt je er wel iets bij voorstellen. Wat een anticlimax…

Karavaan van Ismaëlieten

Na enige tijd komt er een karavaan voorbij. Genesis 37:25 - Toen zij hun ogen opsloegen, daar zagen zij een karavaan van Ismaëlieten aankomen uit Gilead, wier kamelen gom, balsem en hars droegen, op weg om dat naar Egypte te brengen. 

De broers van Jozef slaan hun ogen op. In de NBV staat: opeens zagen zij een karavaan. Als iemand de ogen opslaat, ziet hij iets in twee werelden. Dan valt er opeens iets op dat om aandacht vraagt. De broers van Jozef zien een karavaan aankomen met Ismaëlieten, met nakomelingen van Ismaël, de halfbroer van hun opa Isaak. Dat zijn dus verwanten van hen, een soort ‘achterneven’. Die karavaan trekt richting Egypte; Dotan ligt aan deze handelsroute.

Wat zien ze? Niet alleen een karavaan. Ze zien meer, ze zien mogelijkheden die ze voorheen nog niet zagen. En Juda verwoordt het. Genesis 37:26-27 - Toen zei Juda tot zijn broeders: Wat voordeel is erin gelegen, wanneer wij onze broeder doden en zijn bloed verbergen? Komt dan, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, doch laten wij niet de hand aan hem slaan, want hij is onze broeder, ons eigen vlees. En zijn broeders gaven daaraan gehoor.

Nieuw plan

Bij het zien van de karavaan krijgt Juda een idee. Ook bij hem lijkt er een sprankje broederliefde tevoorschijn te komen. Ook hij wil Jozef liever niet doden. Weet je wat we moeten doen? We geven hem mee aan die Ismaëlieten. Die brengen hem naar Egypte en daar zal hij een slaaf worden. We zullen dan nooit meer iets van hem horen. Met slaven in Egypte kon er namelijk van alles gebeuren. De broers stemmen in. Ze gaan naar de put toe, waar ze Jozef denken te vinden. Maar is hij daar nog?

Verkeerde voorstelling

Nu komt er een stukje dat afwijkt van het verhaal dat vaak op de zondagschool wordt verteld en in de meeste kinderbijbels is te lezen. Velen denken dat de broers nadat zij onderling overeenstemming hebben bereikt, bij aankomst van die karavaan naar de put gaan, Jozef eruit halen, en hem dan verkopen aan de Ismaëlitische kooplieden.

Maar zo gebeurt het niet. Dit blijkt een verkeerde voorstelling te zijn. Genesis 37:28 - Toen Midjanitische mannen, kooplieden, voorbijgingen, trokken zij Jozef omhoog, haalden hem op uit de put en verkochten Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten; en dezen brachten Jozef naar Egypte. 

Derde partij aanwezig

Dit vers geeft een ander beeld van het gebeuren bij de put. Er blijkt nu ook een derde partij aanwezig te zijn: Midjanitische kooplieden. Deze mannen zijn niet eerder opgemerkt door de broers. Zij hebben alleen de karavaan van Ismaëlieten zien aankomen, die op weg is naar Egypte. Naar aanleiding daarvan hebben zij op voorstel van Juda een nieuw plan gesmeed. Wellicht is er intussen een tweede, minder opvallende karavaan langsgekomen in tegenovergestelde richting. Niet van Ismaëlieten, maar van Midjanieten. Die kooplieden hebben Jozef horen kermen en om hulp horen roepen. Nadat zij hem in die leegstaande waterput aantreffen, trekken zij hem daaruit omhoog en verkopen zij hem aan de Ismaëlitische kooplieden. Die nemen Jozef mee en brengen hem naar Egypte. Zo staat het in het NBG.

Door wie wordt Jozef verkocht?

De Naardense bijbel zegt hier: Er steken mannen over, Midjanieten, handelaars,- die laten Jozef ópklimmen uit de put en verkopen Jozef aan de Ismaëlieten voor twintig stukken zilver; zij brengen Jozef naar Egypte.

De NBV zegt dat de broers Jozef uit de put halen en hem voor twintig sjekel verkopen. Deze vertaling geeft geen duidelijkheid over de rol van de Midjanieten.

In de grondtekst staat: Toen Midjanitische kooplieden voorbij gingen, trokken zij Jozef omhoog… Dan kun je denken dat dit ‘zij’ verwijst naar de broers, maar als je het goed leest, wijst dit op de kooplieden: zij verkopen Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten, niet de broers…

Gestolen

Kunnen we dit elders in de bijbel nog staven? Ja. De Midjanieten halen Jozef uit de put en verkopen hem daarna aan de Ismaëlieten. Zij doen alsof Jozef van hen is. Zij stelen Jozef en verkopen hem aan de Ismaëlieten. Die bedingen een goede prijs, twee derde van de prijs van een slaaf. Als ze hem straks in Egypte voor dertig zilverstukken kunnen verkopen, levert dat winst op. De Midjanieten behalen nog meer winst: zij hebben niets betaald, zij hebben Jozef gestolen. Bij de verkoop van hem ontvangen zij twintig zilverstukken.

Jaren later zegt Jozef: Want gestolen ben ik uit het land der Hebreeën, en ook hier heb ik niets gedaan, waarom zij mij in dit kerkerhol hadden kunnen zetten (Gen.40:15). Gestolen ben ik, zegt hij. Wie hebben hem gestolen? Die Midjanieten!

Wie brengen Jozef naar Egypte?

Genesis 37:36 - De Midjanieten nu verkochten hem naar Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht.De NBG is hier duidelijker en consequenter dan de NBV. Die zit in dit vers op een ander spoor. Volgens de NBV en sommige andere Bijbelvertalingen brengen de Midjanieten Jozef naar Egypte en verkopen hem daar aan Potifar...

De Midjanieten hebben Jozef evenwel niet naar Egypte gebracht, maar hem naar Egypte verkocht. Wie hebben Jozef dan wél naar Egypte gebracht? De Ismaëlieten. Dat blijkt uit Genesis 39:1 - Jozef nu werd naar Egypte gebracht; en Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht, een Egyptenaar, kocht hem van de Ismaëlieten die hem daarheen gebracht hadden.

Hier zie je hoe de verhalen in de kinderbijbel en op de zondagschool je ‘voorstelling’ van het gebeuren in Genesis 37 kunnen beïnvloeden.

Medeverantwoordelijk

De broers hebben Jozef niet zélf verkocht. Ze waren het wel van plan, maar voordat ze bij de put zijn, hebben de Midjanieten al zaken gedaan met de Ismaëlieten. Wat hadden zij op dat moment kunnen doen? Voor Jozef opkomen en verklaren dat hij hun broer is! Jozef had dat volmondig kunnen bevestigen. Ze hadden hem kunnen redden uit de handen van de Midjanieten en de Ismaëlieten, maar dat doen ze niet.

In die zin zijn ze volledig medeverantwoordelijk voor dit gebeuren: ze hebben hun broer naar Egypte verkocht, ook al is dat niet in letterlijke zin gebeurd. Zij hebben het plan daartoe opgevat en de mogelijkheid daartoe, bewerkt. Dit komt naar voren in Genesis 45:4 - Toen zei Jozef tot zijn broeders: Komt toch naderbij. Daarop naderden zij. En hij zei: Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt.

Ruben komt te laat

Als Ruben even later bij zijn broers terugkomt, is alles achter de rug. Hij schrikt. Hij wil naar de put gaan en Jozef eruit halen. Maar dan blijkt dat Jozef er niet meer is. Hij scheurt zijn kleren en vraagt aan zijn broers waar Jozef is. Als hij hoort wat er is gebeurd zegt hij: Wat moet ik nu, waar moet ik heen?

Meent Ruben het nu echt ‘goed’ met Jozef? Ik denk dat hij Jozef heeft willen vrijlaten. Maar hij zegt: waar moet ik heen? Waarom haalt hij het probleem naar zichzelf toe? Heeft hij bij zijn vader Jakob een ‘wit voetje’ willen halen door Jozef uit de handen van zijn broers te redden en naar zijn vader terug te laten gaan? Jozef kennende, zou hij dat aan zijn vader verteld hebben. Zou Ruben iets willen doen ten opzichte van vader, om die nare toestand met Bilha goed te maken? Best mogelijk…

Ruben reageert hier op een ‘herkenbare’ manier: als iemand die het probleem naar zich toehaalt. Wat moet ík nou? Niet: hoe zal het nu met Jozef zijn, hoe zal hij dit beleven? Nee: wat moet ik nu? Een bekende truc van de vijand om mensen op die (egoïstische) wijze bezig te houden.

Jakob wordt misleid

Ja, maar de broers moeten natuurlijk wél wat. Niet alleen Ruben; allemaal! Ze moeten de zaken opnieuw onder ogen zien en voor hun vader een goed verhaal in elkaar zetten. Ze verzinnen een list, ze willen hun vader misleiden.

Wat doen ze? Ze slachten een geitenbokje en dopen het prachtige kleed dat ze van Jozef hebben afgerukt, in het bloed. Ze bewerken het met speren om de indruk te wekken dat hij door een wild dier is verscheurd. Zo sturen ze het kleed naar hun vader terug, met de vraag: Kijk eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?

Wat een sluwe, gemene vraag. Ze willen hun vader om de tuin leiden. Kijk eens, dit hebben we gevonden, is dat niet het… Een oude geest vanuit het voorgeslacht springt op de rug van de broers. Om hun vader met leugen en bedrog iets voor te spiegelen wat volledig buiten de realiteit ligt.

Intense verdriet van Jakob

Jakob krijgt het pakket. Hij hoeft niet te twijfelen: zo’n mooi bovenkleed herken je altijd. De broers storten hun vader daarmee in diepe rouw. Jakob scheurt zijn kleren en doet een rouwgewaad om zijn lendenen. Met alles wat in hem is, treurt hij. Heel zijn bestaan wordt ermee doordrenkt. Genesis 37:35 - Al zijn zonen en al zijn dochters deden hun best hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Neen, rouw dragend zal ik tot mijn zoon in het dodenrijk neerdalen. En zijn vader beweende hem. 

De zoon die Jakob zo lief heeft en waarin God zijn werk wilde voortzetten, is dood. Hij treurt met alles wat in hem is. Hij is ontroostbaar, zegt de bijbel. Hoe zijn zonen en dochters ook hun best doen…

Hoe en waarmee zullen Ruben, Simeon, Levi, Juda, Zebulon, Issakar, Dan, Gad, Aser, Naftali hun vader hebben willen troosten? Met welke schijnheiligheid zullen ze hem benaderd hebben, terwijl ze de werkelijkheid weten. Daar zwijgen ze over; ze leggen hun geweten het zwijgen op.

Juda gaat weg

Kort daarop verlaat Juda zijn broers en trekt hij bij zijn vader weg (Gen.38:1). Misschien heeft hij het wel zó benauwd gekregen en is hij innerlijk zó in conflict gekomen met zijn geweten, dat hij de leugen over Jozef niet langer kan volhouden in aanwezigheid van een man die zoveel verdriet heeft om de dood van een jongen die niet dood is. Juda kan het blijkbaar niet langer aanzien. Hij gaat weg en neemt zijn intrek bij een man van Adullam, genaamd Chira (Gen.38:1).

Isaak maakt alles nog mee

Wie maakt dit drama ook nog mee? Isaak! Hij leeft nog. Na al die jaren van afwezigheid zijn Jakob en zijn zonen nog maar ‘net’ bij hem in Hebron terug. Dertig jaar heeft hij ze gemist. En dan gebeurt een jaar later dit.

Dat moet voor de oude Isaak ook heel wat zijn geweest. Voor hem die zelf aan de dood is ontkomen, doordat een dier zijn plaats op het altaar mocht innemen. En nu lijkt zijn innig geliefde kleinzoon de dood te zijn ingegaan door een dier.

Dat de zaak in werkelijkheid heel anders ligt, is Isaak en Jakob niet duidelijk. Jozef is niet dood; er is een dier gedood. Dat komt Isaak in zijn leven niet meer te weten.

God gaat door met Jozef

Jozefs droom is niet vervlogen, ook al lijkt dat zo te zijn. Die droom gaat uitkomen, ook al gaat dat langs een  ‘andere’ weg. God gaat door met Jozef, Hij brengt zijn plan met Jozef ten uitvoer. Niet alleen ter ere van Jozef zelf, die dwars door alle strijd en moeite heen uitgroeit tot koning, maar ook ten bate van zijn broers die hem uit de weg wilden ruimen. God zet Jozef in tot redding van zijn hele familie, tot redding van heel zijn volk. In Egypte zal hij vanuit de 'diepte' door God worden verhoogd.