Job 1:1 – 42:17

Inleiding

Job leeft naar alle waarschijnlijkheid in de tijd van Abraham, Isaak en Jakob: dus vóór de wetgeving bij de Sinaï en vóór de intocht in Kanaän. Zijn leefwereld komt sterk overeen met die van de aartsvaders.

Het bijbelboek Job is veel later geschreven: waarschijnlijk pas in de vierde of de vijfde eeuw voor Christus - ruim duizend jaar later. Al die tijd is zijn levensverhaal bekend gebleven en mondeling overgeleverd.

Het grootste gedeelte van het boek Job is in dichtvorm geschreven. Daarmee behoort dit boek samen met Psalmen, Spreuken, Prediker en Hooglied tot de wijsheidsliteratuur.

Heeft Job werkelijk geleefd?

Job heeft werkelijk geleefd. Hoe weten we dat? In Ezechiël 14 wordt hij in de verzen 14 en 20 in één adem genoemd met Noach en Daniël: drie mannen die in hun tijd de raad van God hebben gediend. Ook in het Nieuwe Testament wordt van Job getuigd, in Jakobus 5:11.

Job behoort niet tot Israël en woont ook niet in Kanaän. In Job 1:1 staat: In het land Us woonde een man die Job heette. Verwar Us niet met Ur: dat is het land waar Abraham uit wegtrekt, in Mesopotamië, bij de Eufraat en de Tigris. Het land Us heeft waarschijnlijk ten oosten van Kanaän gelegen: een gebied dat grenst aan Edom en vermoedelijk doorloopt tot aan Damascus in Syrië.

Een rechtvaardig en welvarend man

Wat staat er van Job? Hij is rechtvaardig, onberispelijk, heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad. Zulke mensen leefden er in die tijd dus ook buiten Kanaän. Abraham is in zijn tijd niet de enige die God kent: hij ontmoet in zijn leven Melchisedek, een koning van gerechtigheid en een priester van God, een man die niet tot het geslacht van Abraham of het volk Israël heeft behoord. Ook Mozes ontmoet in zijn tijd zo’n man, zijn schoonvader Jetro, die niet tot Israël behoort, maar God wel kent en dient.

Er waren dus ook buiten Israël mensen die God kenden en dienden, al was dat aantal niet zo groot in de tijd van Job. Toch heeft het verhaal van Job diepe indruk gemaakt in heel die streek.

Job is een welvarend man. Hij leeft met God, heeft kennis ván God en áán God, en is wellicht de rijkste en de grootste uit zijn tijd. De tekst zegt dat hij zeven zonen en drie dochters heeft en een enorme veestapel van schapen, geiten, kamelen, ossen en ezelinnen, alsook een stoet slavinnen en slaven.

Koppeling met voorspoed

In die tijd hangen welvaart en godsvrucht met elkaar samen: als je God kent en goed leeft, word je rijk en welvarend. Zo denken mensen nog steeds: als je goed bent, gaat het je goed; als je slecht bent, gaat het je slecht. Dat is een opvatting in deze wereld, maar het is niet altijd zo. Dat is een van de dingen die in het boek Job aan de orde komt: bestaat die koppeling wel?

Waarom dienen mensen God? Is dat om de ‘heb’, om van Hem te kunnen ontvangen? Die kans bestaat. Of dienen mensen God puur omdat Hij God is, op basis van liefde? Die vraag mag je jezelf ook stellen. Het verhaal van Job is niet alleen een verhaal van een man uit die tijd. De vragen die erin aan de orde komen zijn ook in onze tijd hoogst actueel. Wat doen mensen als hun voorspoed en welvaart afnemen? Wat doen mensen als ze in een periode van lijden terechtkomen, als alles tegenzit, zelfs zonder aanwijsbare oorzaak? Blijven ze dan God dienen of gaat er dan heel wat anders spelen?

Dat kun je zelfs bij jezelf tegenkomen: wat doe ik als het met mij wat minder goed gaat? Waar ga ik dan de oorzaak zoeken? Is het een gevolg van zonde? Dat wordt hier door de vrienden van Job op een gegeven moment aangevoerd.

Wat is toch de zin van het lijden en welke rol heeft God hierin? Het boek Job stelt die vraag, zonder concreet en exact het antwoord daarop te geven. Het zet je aan tot denken. Welke invloed heeft Satan hierin? Satan wordt in dit boek bij naam genoemd, maar gaat het in de hemelsferen zoals het hier, in het boek Job, beschreven wordt? En laat God het allemaal toe? Kan de vijand ‘gewoon’ zijn gang gaan?

Een doorkijkje in de hemel

De schrijver van het boek Job geeft zijn lezers een doorkijkje in de hemel. Het verhaal begint in de geestelijke wereld. We lezen Job 1:6-12 - Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook de satan bevond zich onder hen. De HEER vroeg hem: Waar kom je vandaan? Hij antwoordde: Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde. De HEER vroeg aan de satan: Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad. De satan antwoordde de HEER: Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor God hebben? U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt. Maar als U uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij U ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken! Toen zei de HEER tegen hem: Luister, met alles wat van hem is mag je doen wat je wilt, maar raak Job zelf niet aan. Hierop vertrok de satan.

Het is mooi dat de schrijver hier de satan noemt: al de rampen die Job gaan treffen, gaan van Satan uit. Maar het is jammer dat de schrijver van het boek Job nog niet weet dat God niet en nooit met Satan onderhandelt, dat God het kwaad niet toelaat en maar laat geschieden. Wij mogen verder kijken in de hemelsferen, met de blik van Jezus Christus. Jezus heeft ons een heel ander beeld van de hemelsferen getoond. Vanuit zijn evangelie zien we dit verhaal anders.

God is licht en enkel goed

Jezus zegt dat God licht is, en dat er in Hem in het geheel geen duisternis is. Dat schrijft Johannes in 1 Johannes 1:5 - Dit is de verkondiging die wij van hem gehoord hebben en aan u doorgeven: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis. Van God heb je dus geen duisternis, geen kwaad te vrezen.

Ook Jakobus zegt dat God goed is en dat elk goed geschenk van Hem komt, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of schaduw van omkeer. Dwaal niet, broeders en zusters!

Johannes en Jakobus hebben dit van Jezus gehoord en aan ons verkondigd. Er worden geen 'afspraken' in de hemel gemaakt, er is geen overleg tussen God en Satan over mensen. God bemoeit zich niet met Satan, Hij bemoeit zich met mensen en zorgt voor hen, Hij houdt zijn hand over mensen. Alles wat mensen aan negativiteit meemaken, komt uit de koker van de vijand en is opgezet als aanval op mensen, als aanval op Gods koninkrijk. Al het kwaad en alle duisternis komt van Satan. God houdt zijn hand over het leven van mensen, en hier houdt Hij zijn hand over het leven van Job.

Alles kwijt in één dag

Er gebeuren in het leven van Job dingen die in een normaal mensenleven niet voorkomen. In Job 1:13-19 komen er vier boden op één dag achter elkaar aanrennen, en ze komen Job het ene na het andere ongeluk vertellen. Een ongeluk komt nooit alleen, zeggen mensen tegen elkaar. Die uitdrukking is mede op basis van dit verhaal ontstaan. Er komt altijd iets bij wat het nog ongelukkiger maakt.

In één dag is Job alles kwijt: zijn kudden, zijn knechten, zijn kinderen, zijn huis. Of dat werkelijk allemaal op één dag is gebeurd, is niet het belangrijkste punt. Terwijl de ene bode nog niet is uitgesproken, komt de volgende al aanrennen: er is ook nog dit gebeurd, en alleen ik ben ontkomen. En direct daarna de derde.

Het is natuurlijk een vertelvorm, een verwoording van wat er gebeurd is. Een man die ongelooflijk rijk is, kan in één dag ongelooflijk arm worden. Blijkbaar kan er vanuit de geestelijke wereld heel wat op touw worden gezet om mensen in de ellende te storten.

En wat doe je dan, als je dat overkomt? Job zegt: De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen. En ondanks alles zondigde Job niet en maakte hij God geen enkel verwijt (1:21-22).

Ook zijn lichaam wordt aangetast

Satan gaat nu ook Jobs lichaam aantasten. Hij slaat hem met kwaadaardige zweren van hoofd tot voeten. God houdt alleen zijn hand over het leven van Job. Hij raakt niet alleen al zijn bezittingen kwijt, maar ook zijn gezondheid. Hij zit in as, in stof en vuil, zegt de NBV, in rouw, en kan zich alleen nog met een potscherf krabben. Alles is hij kwijt: zijn huis, zijn kinderen, zijn runderen, zijn vee, zijn slaven en slavinnen. Het enige wat overblijft, is zijn vrouw.

En wat doet zijn vrouw? Zij keert zich tegen hem. Wat zie je dat toch vaak gebeuren: als het moeilijk wordt in een huwelijk, worden man en vrouw niet één, maar raken ze tegen elkaar verdeeld. Ze gaan elkaar verwijten maken. Je spreekt als een dwaas, zegt Job tegen haar, zouden we het goede van God aannemen en het kwade niet? Dat is weer zo'n ‘gevleugelde’ uitspraak…

Besef dat je er een probleem bij krijgt als je in je huwelijk tegen elkaar ingaat. Je kunt je ook samen opstellen, zoals Job. En als je in Jezus Christus gelooft, op Hem vertrouwt, en de situatie vanuit zijn visie en werkelijkheid benadert, is er méér bij jou dan bij Job.

Drie vrienden komen troosten

Gelukkig voor Job komen er drie vrienden naar hem toe. Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma. Met zijn drieën komen ze naar Job toe om hun medeleven te betuigen en hem te troosten. Bij aankomst herkennen ze hem niet eens - zo erg ziet hij eruit. Ze barsten in weeklagen uit, scheuren hun kleren, gooien stof op hun hoofd en gaan naast hem zitten.

En wat doen ze dan? Zeven dagen en zeven nachten zeggen ze niets (2:12-13). Wat een toestand: zeven dagen en zeven nachten zitten ze daar te zwijgen en te kijken. Ondertussen zullen ze elkaar hebben aangekeken en zal er op het non-verbale terrein van alles zijn gebeurd. Misschien hoopte Job in het begin nog op troost, maar naarmate de tijd vordert, blijkt er geen enkel blijk van medeleven van die drie mannen uit te gaan.

Job zegt dan, in Job 3:26: Ik vind geen vrede, ik vind geen kalmte, mijn rust is weg, onrust bevangt mij. Hij vervloekt de dag dat hij geboren is. Daar zit hij, alles kwijt, en zijn vrouw tegenover zich; daar heeft hij helemaal niets aan. En zijn vrienden hebben ook nog niets gezegd. Job is de eerste die spreekt.

De vrienden gaan redeneren

Dan gaan de vrienden praten. Ze proberen de dingen te verklaren, vanuit hun eigen gedachtegang, en ze spreken Job daarop aan. Dat blijkt niet uit God te zijn, en in die zin bieden ze Job geen enkele troost. Ze zitten op de lijn van de vijand, die zich had afgevraagd: is het om niet dat Job godvrezend is? En wat zeggen deze vrienden? Is het om niet dat Job door God wordt gestraft? Dat gebeurt niet zonder reden: het is een straf op de zonde. Dat is de gedachtelijn van Elifaz, Bildad en Sofar. Geen van drieën komt met troost; ze keren zich gewoon tegen Job.

Is er dan geen verband tussen lijden en zonde? Als er geen zonde was geweest, was er toch ook geen ziekte en geen lijden geweest. Nee, dat klopt. Maar als je van dat verband een 'systeem' maakt, een wetmatigheid, en gaat prediken: ‘wie lijdt is schuldig’, dan ga je veel te ver. Dan breng je geen troost meer, dan zeg je: Job, je geloof is niet echt, en het oordeel dat je nu treft is daar het bewijs van.

Dat kom je ook in het Nieuwe Testament tegen. In Johannes 9:1 wordt gevraagd: Hoe komt het dat iemand blind is als hij geboren wordt? Heeft hij dan zelf gezondigd of zijn ouders? Het antwoord van Jezus is helder en duidelijk: hij niet, en zijn ouders ook niet.

In Lucas 13 spreekt Jezus hier ook over. Er zijn dan mensen bij Jezus die Hem vertellen over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd heeft met hun offers. Jezus zegt dan tegen hen: Denkt u dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat moesten ondergaan? Zeker niet, zeg ik u. Maar als u niet tot inkeer komt, zult u allen op dezelfde wijze omkomen. Of denkt u dat de achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel, schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker niet, zeg ik u. Maar als u niet tot inkeer komt, zult u allen net zo omkomen als zij.

Dit is glashelder. Je kunt het lijden niet in een ‘wetmatigheid’ plaatsen, niet in een ‘formule’ zetten: als er geen zonde was geweest, dan ook geen ziekte en geen lijden. Dus: als er lijden is, als er ziekte is, dan moet er ook zonde zijn... Dan draai je de boel om, en maak je van iets dat een ‘wetmatigheid’ lijkt te zijn iets waarmee je mensen veroordeelt en pijn doet. Daarmee maak je hun lijden nog erger.

Elifaz houdt vol

Elifaz heeft nooit iets anders gezien dan dit, zegt hij. In zijn waarneming gaat het altijd zo (4:7-8). In zijn eerste rede aan Job beroept hij zich op een visioen en een openbaring die hij van God gekregen zou hebben (4:12-21). Elifaz kent God wel, maar interpreteert dit op een wijze die niet uit God is. En dat gebeurt wel vaker met mensen die God kennen: ze kunnen conclusies trekken die niet van God zijn. Elifaz zegt tegen Job: Wend je tot God, want de HEER wondt en verbindt, Hij slaat en geneest (5:17-18).

Jobs eigen ervaring in zijn leven met God klopt niet met de theorie die Elifaz hier verkondigt. En dat zegt hij ook tegen hem: Elifaz, je bent een onbetrouwbare vriend. Als ik iets misdaan heb dat de oorzaak hiervan is, vertel het dan. Maar jullie komen alleen met verwijten. Na zijn antwoord aan Elifaz wendt Job zich ook tot God: Heb ik gezondigd, heb ik U iets misdaan (7:20)?

Bildad gaat door

Dan neemt Bildad het woord. In hoofdstuk 8 gaat hij door in de lijn van Elifaz: Geef het nou maar toe, Job. Het kan niet anders of er moet iets geweest zijn, want God verdraait het recht niet en veracht de onschuldige nooit. Dat is waar: God veracht de onschuldige nooit. Maar als je zelf op een bepaald moment in die ‘verachting’ verkeert, ben je dan schuldig? Dat is de zaak waar het om draait. Zo denken zij, en zo denken heel veel mensen, ook nu nog. Misschien herken je die gedachte ook nog in je eigen denken.

Job zegt: Dat God de onschuldige nooit veracht, dat weet ik. Maar ik weet ook dat ik nergens tekortschiet, want ik ken mijn eigen hart. Job blijft aan zijn rechtvaardigheid en aan zijn onschuld vasthouden. Hij zegt niet dat hij volmaakt is, maar één ding weet hij: dit onvoorstelbare, grote, diepe lijden kan niet het gevolg zijn van een van zijn daden. Hij heeft zelfs elke ochtend, als zijn kinderen een feest hadden gehad, een offer gebracht voor eventuele zonden tijdens dat feest: zo nauwkeurig leefde die man. Hij weet dat hij echt onschuldig is, en dat zegt hij tegen Bildad. Maar hij vraagt ook aan God: Waarom is dit nu zo, waarom ben ik in deze situatie terechtgekomen? U weet dat ik er niet schuldig aan ben (10:7).

Sofar

Dan komt Sofar, de derde (vanaf 11:1). En die vaart ook uit tegen Job: Wat een woordenstroom, wat een redenering van jou. Denk je dat je gelijk hebt met je geklets? Denk je dat jouw dwaasheid ons tot zwijgen brengt? Zuiver ben ik, zeg je, Job? Zou God zelf maar eens spreken wat Hij ervan vindt. Keer je toch naar Hem toe, werp het kwaad ver van je, dan zal er weer licht zijn, weer hoop, dan gaat het weer goed met je. Ook hier dat aardse, ‘platte’ denken, zonder rekening te houden met die hogere dimensies, met de wetten van Gods koninkrijk die ver boven al dit menselijk redeneren uitgaan.

Job weerlegt zijn vrienden

Job zegt: Met jullie sterft straks de wijsheid uit. Dat staat in hoofdstuk 12 - Job heeft nog humor ook. Wie in de hoek zit waar de klappen vallen, moet ook nog smaad en hoon verduren, zo voelt Job dat. In plaats van hem te troosten, gaan zijn vrienden hem veroordelen en praten ze over dingen waar ze eigenlijk geen zicht op hebben. Daarmee geven ze hem alleen maar een trap na, terwijl hij al zoveel te verduren heeft.

In Job 13:4 zegt hij: Kwakzalvers zijn jullie allemaal - willen jullie God met leugens dienen, willen jullie onwaarheid spreken namens God? Zwijg nu maar, zegt Job, dan zal ik spreken, wat er ook gebeuren mag (13:13).

Mijn verlosser leeft

Daarna houden de drie vrienden elk nogmaals twee keer een betoog met antwoorden van Job (hoofdstuk 15-27). Zij handhaven hun mening dat het door Jobs zonde komt dat hij zo lijdt. En dat gaat maar door, de een na de ander. Job handhaaft zijn onschuld en doet een beroep op God. In de diepte van aanklacht, verwerping en oordeel, met niets meer over, zegt hij tegen zijn vrienden: Ik weet: mijn redder leeft, en Hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen (19:25). Mijn verlosser laat mij niet in de kou laat staan, ook al lijkt het alsof ik steeds méér in de kou kom te staan.

Jammerlijke vertroosters

Job noemt zijn vrienden in hoofdstuk 16:2 ‘jammerlijke vertroosters’. Het is de ene prik na de andere die over hem heen komt: vroom, veroordelend, verwerpend. Job kan er niets mee, het drukt hem alleen maar dieper de put in. En dan komt hij tot de conclusie: ik weet dat mijn verlosser leeft.

Wat gebeurt er allemaal in de hemel? Nu heeft de schrijver het helaas niet meer over het werk van Satan; dat noemt hij alleen zo in het begin van het boek. Maar in de redeneringen van die vrienden van Job lijken  veel satanische geesten werkzaam te zijn: verwerpend, veroordelend, vroom, keihard, met de vinger wijzend. Het werk van de vijand zou hier veel meer naar voren gehaald moeten worden.

In hoofdstuk 28, na al die redevoeringen over en weer, neemt Job zelf weer het woord: Wie kan de ware wijsheid vinden, waar haalt de mens inzicht vandaan - ook inzicht in dit soort situaties? Het is voor geen goud te koop, zegt Job. De oervloed zegt: Bij mij is hij niet; de zee zegt: Bij mij evenmin (28:14). Nee, in die (geestelijke) afgrond is geen wijsheid, want met de val van Lucifer is diens wijsheid verloren gegaan.

Waar vind je dan wijsheid? In ontzag en eerbied voor de Heer: de vreze des Heren is het begin der wijsheid (Ps.111:10, Spr.9:10 NBG). Inzicht is je verre houden van het kwaad. Dat zijn principes die Job in zijn leven heeft ontdekt.

Job roept God ter verantwoording

Job denkt na over zijn verleden, het heden, en hoe het nu verder moet. Na zijn belijdenis dat zijn verlosser leeft, wordt hij toch een beetje in de richting gezogen van een aanklacht: hij gaat God ter verantwoording roepen. Waaraan heb ik dit verdiend? Hij doet een beroep op God, staat op tegen God, en haalt Hem als getuige erbij (H.29-31).

Als dat allemaal gezegd is, zijn de drie vrienden uitgesproken en is Job uitgesproken. Met z’n vieren zitten ze daarna te wachten, in de hoop dat God tot hen gaat spreken.

Elihu

Gaat God dan spreken? Nee, in hoofdstuk 32 komt er nog een vierde vriend aan het woord: Elihu. Misschien is hij er al die tijd al bij geweest. Hij zegt: Ik heb tot nu toe gezwegen, ik heb alles aangehoord, ik ben veel jonger dan jullie, dus ik kende mijn plaats tot hiertoe. Nu denkt hij dat het zijn tijd is om te gaan spreken, en hij ontsteekt in woede tegen Job en tegen zijn vrienden.

Hij is het niet eens met Elifaz, Bildad en Sofar, die Job van allerlei zonde beschuldigen. Dat klopt niet, zegt hij. Maar tegen Job zegt hij: Jij moet ook niet denken dat je vrij bent van alle schuld. Ik kies geen partij, zegt Elihu, ik zal niemand naar de mond praten (32:21). Daarmee verheft hij zich boven allen en denkt hij het beter te weten dan de vier mannen tot wie hij spreekt: je hebt ongelijk gehad, zwijg nu en laat mij je de wijsheid leren (33:33).

Dit is ook herkenbaar: je zit in een situatie waarin je uitgeput bent en er geen oplossing lijkt te komen, en dan komt er iemand zeggen dat je het allemaal fout hebt gedaan. Dit is kastijding, Job, dit is beproeving, en je moet je bekeren - weer diezelfde toon.

Deze manier van optreden en spreken van mensen zoals Elihu is eveneens van de vijand. Het gaat niet zozeer om Elihu zélf, of om de mensen die zich hiervoor laten gebruiken (misbruiken) door de vijand, maar om de (herkenbare) geestelijke processen. Om wat er in de hemelsferen allemaal over Job wordt uitgestort. Om hoe wreed en onbarmhartig mensen op zulke momenten tegen je te keer kunnen gaan.

Job gaat er niet tegenin. Hij beantwoordt de redevoeringen van Elifaz, Sofar en Bildad, maar Elihu laat hij gewoon praten.

God spreekt uit de storm

Als Elihu uitgesproken is, gaat God spreken. In hoofdstuk 38:1 staat: de Heer antwoordde Job vanuit een storm. Misschien is het ook in de natuurlijke wereld wel een storm geweest, dat is niet uitgesloten. Het is in ieder geval een storm geweest in de geestelijke wereld. Je kunt ook zeggen: God blaast op dat moment alle menselijke redeneringen omver. Alles valt weg als een kaartenhuis, alle opgebouwde redeneringen en betogen storten in.

God zegt tegen Job: Roep Mij niet ter verantwoording, daarin ben jij te ver gegaan. Waar was jij toen Ik de wereld schiep? Kun jij de wereld onderhouden, Job? Kun jij het morgen laten worden? Ken jij de wetten van de hemel, waardoor de sterren verschijnen? Kun jij jouw orde aan de aarde opleggen (38:33)?

Job heeft zijn onschuld beleden en vastgehouden, en er is in zijn leven geen oorzaak aan te wijzen waarom hem dit alles is overkomen. Maar na al die redevoeringen is hij tegenover zijn God toch iets te ver gegaan: hij heeft God ter verantwoording geroepen, hij heeft zich verheven en is God tegemoet getreden. Dat stukje hoogmoed hoort niet bij hem. Daar moet hij van af.

De Behemot en de Leviatan

God stelt Job tegenover hoogmoedige dieren. Hij noemt daarbij twee zeer merkwaardige dieren: de Behemot en de Leviatan. Dit zijn Hebreeuwse woorden, Hebreeuwse namen. In Job 40:15 spreekt God over die Behemot. In de NBG staat: het nijlpaard. Maar dat is heel zwak uitgedrukt; het gaat om een reusachtig dier. De Naardense Bijbel zegt: het beestbeest. Sommige uitleggers denken dan aan een dinosaurus of iets dergelijks. Het beest zélf bestaat niet meer, als het ooit heeft bestaan. Het is een voorstelling van iets in de geestelijke wereld: een geweldig krachtig beest, levend in het water - vandaar de omschrijving ‘nijlpaard’.

En dan wordt in 40:25 ook nog gesproken over de Leviatan, de krokodil (NBG), en de enorme krachten van dit dier. Beide dieren - de Behemot en de Leviatan - zijn hoogmoedig: ze kunnen ‘alles’ aan, ze beschikken over enorme krachten en ze zijn bedreigend voor de mens. Treed daar eens tegenop, Job…

Is dit een uitnodiging van God om gericht te gaan oefenen over deze dieren - dat wil zeggen: over de grootvorsten uit het rijk van Satan waarvan zij een beeld vormen? Zou God hiermee Job zicht willen geven op de werkelijke veroorzakers van het lijden? Het staat er niet letterlijk, maar je kunt het eruit halen.

De Behemot wordt alleen in Job 40:15 genoemd. De Leviatan wordt vaker genoemd. In Psalm 74:14 en in Jesaja 27:1 - Op die dag zal de HEER ingrijpen: hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviatan, de snelle, kronkelende slang, hij zal Leviatan doden, het monster in de zee.

Het gaat om beest met meerdere koppen, om een kronkelende slang. Waarschijnlijk een beeld van Satan, of een beeld van Belial: het beest met zeven koppen en tien hoorns dat vanuit de zee opkomt (Op.13:1).

Job vernedert zich en ontvangt genade

God wederstaat de hoogmoedige, maar geeft de nederige genade (1Pe.5:5b NBG). Na het spreken van God komt Job tot dit besef. Hij vernedert zich voor Gods aangezicht, hij belijdt zijn zonde. Hij beseft dat hij hoogmoedig en onverantwoord heeft gesproken, en verootmoedigt zich. Hij komt daardoor op een plaats bij God die hij nog niet had. Hij spreekt dat uit: Eerder had ik slechts over U gehoord, maar nu heb ik U met eigen ogen aanschouwd, en daarom herroep ik mijn woorden, en buig ik mij zoals ik hier zit in het stof en het vuil. Ik doe boete in stof en as (42:5-6 NBG). Je mag dit ook lezen als: Daarom wend ik mij af van stof en as, ik keer mij om, ik wil mij niet langer richten op de dood, maar op het leven. Job ziet op naar zijn goede God, vol van licht en leven. Hij heeft berouw en ontvangt genade en vergeving. Hij wendt zich af van alles wat geweest is en slaat de hand aan de ploeg.

God, de gans Andere

Job heeft geleerd dat zijn God niet de God is van Elifaz, niet de God is van Bildad en van Sofar, en ook niet de God van Elihu. Zijn God is geheel anders; Hij is de ‘gans Andere’. God laat het niet regenen over mensen als beloning voor hun goede daden, en onthoudt die regen niet als straf op zonde. Want het regent ook over onbewoond land, over woestijnen en wildernis. Dat hele denken in termen van ‘beloning’ en ‘straf’ gaat niet op. Job breekt ermee, hij laat het helemaal los. Job leert de ware God kennen, hij ziet meer van Gods wezen dan ooit. En hij gelooft in Hem omdat Hij God is en vol van liefde. Niet omdat God dan zegent of voorspoed geeft of dingen wél of niet doet. Job wil het goede doen omdat het goede goed is, niet omdat het beloond wordt.

Voor Jobs geloof maakt het voortaan niet meer uit of het hem goed of slecht gaat. Dat is de winst die Job uit dit lijden haalt, en dat is blijvende winst in zijn leven. Door zijn keuzes en opstelling werkt dat kwade mede ten goede, en draagt de hele situatie waar hij doorheen is gegaan bij aan zijn groei: hij leert God kennen zoals nooit tevoren. Job komt er helemaal bovenuit, terwijl hij nog in het stof en de as zit en alles nog rot en ellendig is. Hij ziet wie God is, hij verheft zich tot zijn God, keert zich tot Hem en hangt Hem aan.

Herstel en voorbede

Dan spreekt God ook tot Elifaz, Bildad en Sofar. Wonderlijk genoeg wordt Elihu niet meer genoemd. Jullie hebben niet juist gesproken, zegt God, jullie hebben niet recht gesproken. Breng een offer voor jullie zonden en vraag Job of hij voor jullie wil bidden; dan zal Ik jullie gelaat weer opheffen, dan zal Ik jullie zegenen.

En zo geschiedt het: Job geneest van zijn kwalen en bidt voor zijn vrienden. Hij stuurt hen niet weg met ‘bekijk het maar voortaan, ik heb niets meer met jullie te maken’. Hij bidt voor zijn vrienden, want ze komen tot erkenning. Ze doen wat God zegt, ze halen de dieren voor het offer en Job bidt voor hen. Ook zij mogen hun gelaat weer opheffen.

Dan brengt de Heer een complete ommekeer in het lot van Job: hij krijgt het dubbele van wat hij vroeger bezat. Had Job dat dubbele nodig? Nee, helemaal niet, maar hij krijgt het toch. Niet om de ‘heb’, maar omdat hij God dient.

Leven door geloof

In dit boek ligt voor ons een enorme les: het verband tussen ‘geloof’ en ‘leven’. Wij mogen leven door ons geloof, niet als een theoretisch verhaal van wetten en principes, maar in een persoonlijke relatie met God, mogelijk gemaakt door het werk van Jezus Christus. Wij mogen ons op Hem richten, Hem beter leren kennen - in allerlei omstandigheden. Wat er ook gebeurt. En zo alles laten meewerken ten goede.

Besef of erin jouw leven, in jouw hart een heilloze weg is. Als er zonde is, moet je dat niet ontkennen: je mag ermee naar de Heer. En als je vergeving van zonden heb ontvangen, weet dat je zonden vergeven zijn, en je weet en belijdt: mijn verlosser leeft – maar de situatie waarin je verkeert verandert niet, zie dan vol geloof en vertrouwen op naar je Heer en God, in liefde en dankbaarheid dat Hij bij je is. Dat Hij je nooit verlaat, ook al ga je door een dal van diepe duisternis en schaduwen des doods (Ps.23).

Verwacht het niet van mensen, want mensen kunnen je vreselijk teleurstellen - vooral als ze tegen je gaan redeneren zoals de vrienden van Job dat hebben gedaan. Richt je op je God en neem in de naam van Jezus de strijd op tegen de geest die je hoogmoedig wil maken, je tegenover God wil stellen. Want dan kom je pas echt in de ellende terecht, als je van je God gescheiden wordt. Laat dat nooit gebeuren.

Ga de Heer niet ter verantwoording roepen voor de dingen die niet leuk zijn. Ga ook niet in je omgeving verhaal halen waarom het allemaal niet zo prettig is. Je krijgt dan te maken met wettische, veroordelende, verwerpende geesten die je alle vrede en rust willen ontnemen. En als je dat merkt, neem dan de strijd op en leer denken zoals Jezus je leert, zoals Jezus je voorleeft: met oorzaak en gevolg in Gods koninkrijk, met verheffing vanuit zijn hemel, vanuit zijn liefde. Leer Jezus volgen om niet, niet om de zegen, maar alleen om Hem zélf, omdat je Hem liefhebt, omdat je Hem steeds beter wil kennen, omdat Hij het gewoon voor je ‘is’. Leer leven vanuit Gods genade. Die genade is jou genoeg, zegt God tegen Paulus. En dat zegt Hij ook tegen ons. Vestig je hoop daarop. En zing met heel je hart, uit volle borst: Mijn hoop is op U, Heer, mijn kracht is van U, Heer, want mijn hart is van U.