Genesis 45:25 – 50:26
De broers keren terug uit Egypte
De broers gaan vanuit Egypte terug naar Kanaän. Op wonderbaarlijke wijze heeft Jozef de verzoening met hen bewerkt: er is een hereniging tot stand gekomen. Méér nog: er is iets tussen de broers en Jozef ontstaan dat er niet eerder is geweest.
Zo gaan ze terug naar Kanaän. Met koren, mooie kleren, kostbare gewaden en met wagens. Jozef wil dat zijn vader naar Egypte komt. Er zijn nog vijf jaren van hongersnood voor de boeg. In Egypte kan Jozef voor zijn hele familie zorgen.
En dan komen de broers terug bij hun vader, vol van het goede nieuws dat zij hem kunnen brengen. Maar hun vader weet nog van niets, hij leeft nog steeds bij de leugen van tweeëntwintig jaar geleden.
Jakob het niet kan geloven
Als zij hem het ongelooflijke, bijna ‘onvoorstelbare’ nieuws vertellen: Jozef leeft nog en hij regeert over heel Egypte, gelooft Jakob hen niet. Hij kan er niet bij. Tweeëntwintig jaar geleden komen ze met een grove leugen bij hem, en die gelooft hij wel. Nu komen ze met de waarheid, en die gelooft hij niet.
Twee stemmen
Hoe komt dat toch? In de geestelijke wereld gaan mensen zo snel mee in een leugen, en komen zij zo moeizaam tot geloof in de waarheid.
Dat komt doordat er in die geestelijke wereld altijd iets meeloopt. Als je iets hoort, hoor je iets in twee werelden tegelijk. Er is nóg een stem, een stem die in je hemel iets toevoegt aan wat de ander zegt en wat jij hoort. Is dat een leugen, dan probeert een macht der duisternis er iets aan toe te voegen, waardoor je het wel moet geloven. Is het de waarheid, dan probeert diezelfde geest je er juist van af te houden.
Genesis 45:25-26 – Zij dan trokken weg uit Egypte en kwamen in het land Kanaän bij hun vader Jakob. Toen zij hem vertelden: Jozef leeft nog en hij is zelfs heerser over het gehele land Egypte, bleef zijn hart er koud onder, want hij kon het niet geloven.
De Naardense Bijbel zegt: zijn hart verkilt. Dat geeft nog duidelijker aan wat er gebeurt. Er treedt een verkilling op vanbinnen, door de werking van die geest in zijn hemel. Er verzet zich iets in hem waardoor hij het niet ontvangt: Jozef leeft nog - dat kán niet. Hij regeert over heel Egypte - kom nou!
Koud voor de leugen, warm voor de waarheid
Misschien herken je het. Misschien gebeurt het jou ook wel eens: leugens van de vijand of leugens die je van mensen hoort, komen onmiddellijk binnen en brengen je van je stuk, terwijl de bevrijdende waarheid buiten moet blijven wachten. Je verkilt, je kunt het niet aannemen, je blijft er koud onder.
Maar weet je wat de bedoeling van de Heer is? Dat je onder invloed van zijn Geest ‘koud’ blijft onder de leugen en je laat ‘verwarmen’ door de waarheid. Daar moeten we naartoe.
Gods Geest wil je verwarmen door de waarheid, die waarheid in je hart bevestigen. Niet als een indringer of een geweldenaar, maar in vrede en rust. Die Geest wil je zó vervullen dat je koud blijft voor de leugen, voor ontkenning en elke vorm van negativiteit, zodat je er niet op ingaat. Bid om ‘onderscheiding’ om die werkingen in de geestelijke wereld te ontdekken en te herkennen wanneer je iets wordt gezegd. Ga alleen in op wat vanuit Gods koninkrijk naar je toe komt. Ga mee in alles wat Jezus je wil aanreiken, of wat Jezus via mensen naar je toe laat komen.
Jakob gaat het zien
De broers geven het niet op. Ze zijn vol van het goede nieuws en zoeken naar mogelijkheden om hun vader uit zijn geestelijke isolement te halen. Ze vertellen nog veel meer over Jozef: over wat hij heeft gezegd. En ze laten hun vader dingen zien. Ook daarin werkt die ‘tweede’ lijn: niet alleen het horen kan je hart verwarmen, ook het zien van dingen kan iets op gang brengen. Ze laten de nieuwe, kostbare kleding zien die ze van Jozef hebben gekregen.
Onmiddellijk reageert er iets in Jakob: de herinnering aan die kostbare jas die ze hem tweeëntwintig jaar geleden hebben laten zien, maar nu met een positieve werking. Jakob ziet de wagens. Hij ziet alles wat vanuit Egypte met zijn zonen is meegekomen.
Genesis 45:27-28 – Maar toen zij hem al de woorden overbrachten, die Jozef tot hen gesproken had, en toen hij de wagens zag, die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob op. En Israël zei: Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.
Jakob spreekt weer als Israël
De geest van vader Jakob leeft weer op; Obbink zegt dat zijn geest weer levend wordt. Jakob staat op uit het doodse, uit alle teleurstelling en verdriet. Genoeg, zegt Israël in vers 28: Jozef leeft nog. Als ‘Jakob’ treedt hij uit het oude weg; als ‘Israël’ gaat hij het nieuwe binnen.
Ik hoop dat je dat ook herkent: dat opstaan uit iets, dat tot leven komen en als een nieuw mens reageren.
Herstel tussen vader en zonen
Dit is maar een schamele weergave van wat zich in de tenten van Jakob moeten hebben afgespeeld. De broers hebben alles aan hun vader opgebiecht. Niet alleen wat er de afgelopen dagen in Egypte is gebeurd, maar zeker ook wat er tweeëntwintig jaar geleden is voorgevallen. Ze hebben hun jaloezie opgebiecht, hun haat tegen een jonge broer, hun list, alsook de angst om ontdekt te worden toen ze weer bij vader thuis waren en merkten dat hij ontroostbaar was. Ze hebben hun geheim al die jaren toegedekt. Ze hebben ook elkaar gedekt en niets ‘losgelaten’. Wat een toestand is dat geweest. Ze hebben hun nood en hun schuld opgebiecht, en verteld hoe Jozef hen in Egypte tegemoet is getreden.
Ik vermoed dat het herstel van de relatie tussen Jakob en zijn zonen een doorwerking is geweest van het herstel dat Jozef met zijn broers heeft beleefd. Die ‘vernieuwing’ werkt nu ook door naar vader Jakob.
En wat is dat nodig. Als een volk tot ontwikkeling mag komen en als een verbondsvolk in hemel en op aarde tevoorschijn mag gaan komen, moeten er goede onderlinge verhoudingen zijn: verhoudingen waar je op aan kunt, waarin waarheid en zuiverheid zijn.
Israël raadpleegt God
Genesis 46:1 – En Israël brak op met alles wat hij had en kwam te Berseba en bracht de God van zijn vader Isaak slachtoffers.
Jakob gaat op weg naar Egypte en bereikt bij Berseba - de plaats waar zijn vader Isaak zo lang heeft gewoond - op de grens van Kanaän. Daar brengt hij God een offer. Hij wil naar Jozef toe. Maar is het wel Gods bedoeling dat hij naar Egypte gaat? Zijn grootvader Abraham is naar Egypte gegaan, en dat ging niet goed. Zijn vader Isaak kwam in de omgeving van Egypte, in het land Gerar, en ook dat ging niet goed. Daarom raadpleegt Jakob - Israël - zijn God. Hij brengt Hem een offer en stelt zich voor Hem open.
God spreekt opnieuw
Op die grens van Kanaän spreekt God opnieuw tot Jakob. Dat spreken van de Heer zie je steeds weer terugkomen in het leven van Jakob. Als hij voor Esau moet vluchten, spreekt God tot hem in Betel en toont Hij Jakob wie Hij is en wat Hij met hem voorheeft. Als Jakob na een lange omzwerving en vele jaren werken bij zijn oom Laban in Haran naar Kanaän terugkomt, openbaart God Zich opnieuw aan hem bij Machanaïm en toont Hij hem de legers in de hemel die naast hem staan. Kort daarop moet Jakob een geestelijke strijd aangaan bij de Jabbok, eveneens op die grens met Kanaän.
En nu spreekt God opnieuw, nadat Jakob zijn hart voor zijn Heer en God opent. Genesis 46:2-4 – En God sprak tot Israël in nachtgezichten, en Hij zei: Jakob, Jakob. En hij zei: Hier ben ik. Toen zei Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken.
De belofte aan Abraham
Dit is een belangrijk moment. Ongetwijfeld herinnert Jakob zich wat de Heer tegen zijn grootvader heeft gezegd. Het staat in Genesis 15. Daar krijgt Abraham een visioen, dat hij heeft doorgegeven aan zijn zoon Isaak, en Isaak weer aan Jakob.
Genesis 15:13-16 – En de Heer zei tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden. Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol.
Vierhonderddertig jaar
In Exodus lezen over die uittocht uit Egypte. Exodus 12:40-41 – De tijd, dat de Israëlieten in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar. En na vierhonderddertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des Heren uit het land Egypte.
We mogen de vierhonderd jaar uit Genesis 15 dus als een ‘afgerond’ getal beschouwen. Exodus 12 geeft het aantal jaren nauwkeuriger aan.
In Galaten spreekt Paulus ook over die tijd: Galaten 3:17 – Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderddertig jaar later is gekomen, maakt het testament, waaraan door God tevoren rechtskracht verleend was, niet ongeldig, zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen.
Paulus noemt hier twee belangrijke momenten in de heilsgeschiedenis. Het moment waarop God de belofte geeft aan Abraham: bij het binnentrekken in Kanaän. En het moment waarop Hij de wet aan zijn volk geeft: bij de Sinaï, als het volk is weggetrokken uit Egypte. Daartussen ligt vierhonderddertig jaar.
Tijdsoverzicht
We pakken het Overzicht van het OT erbij. Wanneer trekt Jakob naar Egypte? In het jaar 1706 vC. Wanneer trekt het volk uit Egypte? In 1491 vC. Hoeveel tijd zit daartussen? 215 jaar.
In Exodus 12 en Galaten 3 wordt gesproken over 430 jaar. Wanneer wordt de belofte gegeven, wanneer trekt Abraham Kanaän binnen? In 1921 vC: 215 jaar voordat Jakob naar Egypte gaat.
De 430 jaar waar Exodus 12 over spreekt, wordt door het vertrek van Jakob naar Egypte precies in tweeën gedeeld. Vanaf het moment dat Abraham Kanaän binnentrekt tot het moment dat Jakob met zijn hele familie naar Egypte vertrekt, is de helft daarvan verstreken: 215 jaar. En weer 215 jaar later trekt Mozes met het hele volk weer weg uit Egypte, op weg naar Kanaän.
Septuagint
De Septuagint vertaalt Exodus 12:40 als volgt: Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in het land Egypte en het land Kanaän gewoond. Dit bevestigt het bovenstaande.
De joodse historicus Flavius Josephus sluit zich bij de lezing van de Septuagint aan. Hij schrijft: Ze verlieten Egypte in de maand Xanthicus (= Nisan) op de 15e dag volgens de maanrekening, 430 jaar nadat onze voorvader Abraham in Kanaän aankwam en 215 jaar nadat Jakobs verhuizing naar Egypte had plaatsgehad.
Eerst voorspoed, dan verdrukking
Van die 215 jaar in Egypte leeft Jozef nog zeventig jaar. In die tijd heeft de familie van Jakob het heel goed: het wordt een groot volk. De laatste tachtig jaar van die tijd in Egypte - de tijd dat Mozes leeft - heeft het volk het zeer zwaar: het moet slavenwerk doen. Ergens halverwege is er een omslag gekomen. Het is dus geen vierhonderd jaar lang ‘ellende’ geweest in Egypte. Hooguit 120 jaar hebben de Israëlieten in Egypte in slavernij gezeten. En vooral de laatste jaren daarvan wordt het heel erg. Desondanks vervult God zijn belofte royaal: Ik zal je maken tot een groot volk.
Van zeventig zielen tot een groot volk
Genesis 46:26 somt op met hoeveel mensen Jakob Egypte binnengaat: zesenzestig. Met Jakob zelf erbij, en met Jozef met zijn twee zonen erbij, komt dat op zeventig. Dat is het aantal zielen aan het begin van die 215 jaar. Aan het einde ervan zijn het er ca. 600.000 - vrouwen en kinderen niet meegerekend (Ex.12:37). In ongeveer zeven generaties is het volk Israël in aantal dus enorm toegenomen. Ik zal u tot een zeer groot volk maken, zegt God. En dat is gebeurd, dwars door alle verdrukking heen. Wat God zegt, gebeurt! Het verblijf in Egypte is niet alleen maar negatief geweest: er is een volk ontstaan, een groot en sterk volk.
Jakob ontmoet Jozef
Op het moment dat Jakob met de zijnen de grens overtrekt, geeft God hem steun in de rug: Ga door. Ik zelf zal met je afdalen, en Ik zelf zal je terugbrengen. Jozef gaat zijn vader tegemoet. Ze ontmoeten elkaar in het land Gosen, in dat mooie stuk van Egypte waar Jakob en zijn familie mogen wonen. Wat een weerzien moet dat zijn geweest: die oude vader, honderddertig jaar, en zijn geliefde zoon, die hij tweeëntwintig jaar niet meer heeft gezien. Jozef was destijds zeventien jaar; nu is hij negenendertig jaar.
Genesis 46:29-30 – Toen hij (Jozef) hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals. Toen zei Israël tot Jozef: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft.
Israël zegt tegen Jozef: Nu ik jou levend en wel heb gezien, kan ik sterven. In Lucas 2:29-32 zegt de oude Simeon iets dergelijks. Wat is Jakob blij. Hij hoeft op dat moment nog niet te sterven, maar hij ziet Jozef, en het is helemaal goed.
Naar de farao
Dan gaat Jozef zijn familie aan de farao voorstellen. Hij neemt eerst vijf broers mee. De farao vraagt wat ze doen. Ze antwoorden: wij zijn schaapherders.
Besef dat schaapherders in Egypte niet geliefd zijn. De Egyptenaren aanbidden koeien als heilige dieren. Als de Hebreeën schaapherders zijn, slachten en eten zij runderen. Daarom moeten ze een afzonderlijk gebied in Egypte krijgen: het land Gosen. Op aanraden van Jozef vragen zijn aan farao: Sta uw knechten toe in het land Gosen te wonen (Gen.47:4). Jozef weet dat farao dit gaat goedkeuren; hij heeft dat al eerder gezegd. Ze krijgen het nu officieel.
Genesis 47:5-6 – Toen zei Farao tot Jozef: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen; het land Egypte ligt voor u open. Wijs uw vader en uw broeders in het beste deel van het land woonplaatsen aan, laten zij in het land Gosen wonen; indien gij weet, dat onder hen flinke mannen zijn, stel die dan tot opzichters over mijn kudde aan.
De farao wil de kennis van de Hebreeën inzetten voor zijn eigen kudden.
Jakob zegent de farao
Dan maakt Jakob zijn opwachting aan het hof van de farao. Een kleine, oude man van 130 jaar loopt naar binnen; hij valt in het niet bij die geweldige farao. En wat doet Jakob als de farao naar zijn leeftijd vraagt? Dan antwoordt Jakob hem en zegent hij de farao. Dat moet toch wat geweest zijn: de oude vader van de man die farao zo waardeert, van Safenat-Paneach, de onderkoning van Egypte, zegent de farao. Schitterend! Jakob laat zien wat Gods bedoeling is: in Israël zijn alle volken gezegend.
Het lijkt de omgekeerde wereld. Je zou denken: Jakob heeft iets nodig van die machtige heerser van Egypte. Maar in werkelijkheid is de farao degene die hier iets ontvangt: de zegen van die eenvoudige herdersvorst, van de man die vol geloof, in naam van zijn God, deze zegen over hem uitspreekt. Israël zegent de volken rondom, vanuit God. En dan loopt Jakob gewoon weer weg. Ik vind dat een stukje humor.
Jozef en het land Egypte
Wat doet Jozef hierna? Je leest het in Genesis 47:12. Zijn familie mag in Gosen wonen, in het beste deel van Egypte. En Jozef onderhoudt hen: zij krijgen alles wat ze nodig hebben.
In die laatste vijf jaren van hongersnood brengt Jozef het hele land Egypte in de hand van de farao. De Egyptenaren moeten brood kopen. Op een gegeven moment is hun geld op, want ze verdienen niets. Dan komen ze met hun dieren, maar die zijn na verloop van tijd ook op. Dan is er nog land, en als ook dát ‘op’ is, kunnen ze alleen zichzélf nog aanbieden. Zo wordt het hele volk van Egypte het eigendom van de farao, de priesters uitgezonderd. Wie daarna op het land van de farao mag werken, dat voorheen van henzelf is geweest, moet voortaan een vijfde deel — twintig procent — van de opbrengst afdragen. Zo beseffen alle Egyptenaren dat Jozef hun leven heeft gered, al kost het hun veel.
Contrast
Jozef zorgt in diezelfde tijd goed voor zijn familie in Gosen. Zij mogen zich verblijden en bezittingen verkrijgen. Zij krijgen volop te eten. Wat een contrast met de inwoners van Egypte.
Genesis 47:27 – Israël dan woonde in het land Egypte, in het land Gosen, en zij werden daar ingezetenen. Zij waren vruchtbaar en vermenigvuldigden zich zeer. De NBV zegt hier: Zo gingen de Israëlieten in Egypte wonen, in Gosen. Ze verwierven er bezittingen, ze waren vruchtbaar en kregen veel nakomelingen.
Je kunt je voorstellen dat dit op een gegeven moment omslaat, en dat de Egyptenaren dit niet langer pikken. Als er na verloop van tijd een andere farao komt, uit een andere dynastie dan de farao van Jozef, gaat er veel veranderen. Maar zover is het hier nog niet.
Jakobs laatste wens
Hoe lang leeft Jakob daarna nog bij Jozef in Gosen? Zeventien jaar: even lang als de tijd die hij in Kanaän met Jozef heeft doorgebracht.
Als Jakob zijn einde voelt naderen, laat hij Jozef bij zich komen. Hij wil niet in Egypte begraven worden, maar in Kanaän, bij zijn vrouw Lea. Op verzoek van Jakob legt Jozef zijn hand onder de heup van zijn vader. Die heup wijst bij de man op het centrum van zijn levenskracht. Daar moet Jozef zijn hand leggen, om te zweren dat hij Jakob, en daarmee zijn zaad, al zijn nakomelingen, terug zal brengen naar Kanaän.
Genesis 47:29-31 – Toen de tijd naderde, dat Israël sterven zou, riep hij zijn zoon Jozef en zei tot hem: Indien gij mij genegenheid toedraagt, leg dan uw hand onder mijn heup, (en zweer) dat gij mij liefde en trouw zult bewijzen: begraaf mij niet in Egypte. Want ik wil bij mijn vaderen liggen, vervoer mij daarom uit Egypte en begraaf mij in hun graf. En hij zei: Ik zal doen naar uw woord. Daarop zei hij: Zweer het mij dan. En hij zwoer het hem. En Israël boog zich aanbiddend neder aan het hoofdeinde van het bed.
Jakob wil terug naar Kanaän. Hij weet dat God dit land aan hem en aan zijn zaad belooft. Jozef zweert het, en daarna knielt Israël neer in aanbidding.
De zegen over Efraïm en Manasse
Als Jakob ziek wordt, wil hij de zonen van Jozef zien en zegenen. Hij wil Manasse en Efraïm aannemen tot zijn eigen zonen. Als ‘eerstgeborenen van Rachel’ wil hij hen stellen op de lijn van Ruben en Simeon, de twee eerstgeborenen van Lea. Jakobs geliefde vrouw Rachel is veel te vroeg overleden. Uit haar is Jozef geboren. En nu neemt Jakob diens twee zonen aan als zijn eigen zonen. Daarmee eert hij Rachel en geeft hij Jozef een dubbel deel. Manasse en Efraïm worden daardoor stamvaders in het volk Israël, net zoals Ruben en Simeon, en Jakobs andere zonen dat zijn geworden. Nog eens vertelt Jakob het hele verhaal: hoe God tot hem spreekt nadat hij de zegen heeft gestolen en uit Kanaän moet vluchten. Dat God bij Betel de hemel voor hen opent en hem grote beloften geeft. Jakob vertelt over zijn verblijf in Haran en zijn terugkeer naar Kanaän. Hij eindigt bij de dood van Rachel.
Jozef, de redder van zijn huis, krijgt een dubbel deel. De naam van Jozef leeft door in zijn twee zonen, in twee stammen. Zo eert Jakob Rachel, door haar en haar zonen op de lijn van Lea en haar zonen te stellen. Had Jakob dat twintig jaar eerder gedaan - toen hij Jozef die prachtige mantel gaf - dan was er onrust gekomen. Nu is er niets van verwijt of verzet bij de broers. Die mannen zijn echt veranderd; ze gaan erin mee en aanvaarden hun neven Manasse en Efraïm als broers, als mede-stamhouders en mede-erfgenamen van hun vader Jakob.
Efraïm boven Manasse
Wanneer Jozef de jongens bij zijn vader brengt en Manasse rechts en Efraïm links van hem plaatst, kruist Jakob zijn handen. Jozef ziet het en zegt: Dit gaat niet goed, vader. Manasse is de eerstgeborene; U moet uw rechterhand op zijn hoofd leggen. Maar Jakob gaat er niet op in; hij weet heel goed wat hij doet. Efraïm, de jongste, krijgt een grotere zegen dan Manasse, de oudste. Wat bij Jakob zélf is gebeurd ten opzicht van zijn broer Esau, herhaalt zich hier: de jongste wordt boven de oudste gesteld. Het gaat niet om natuurlijke rechten, maar om geestelijke zegen.
Genesis 48:14-16 – Toen strekte Israël zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij legde zijn handen kruiselings, ofschoon Manasse de eerstgeborene was. En hij zegende Jozef en zei: God, voor wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Isaak gewandeld hebben; God, die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag; de Engel, die mij verlost heeft uit alle nood, zegene deze jongelingen, zodat in hen mijn naam en die van mijn vaderen Abraham en Isaak voortleven en zij in menigte mogen toenemen in het land.
De engel die mij verloste
In vers 16 spreekt Jakob over ‘de engel die mij van alle onheil heeft bevrijd’. Waar verwijst hij naar, denk je? Naar Pniël. Daar heeft Jakob een enorme bevrijding beleefd van de machten der duisternis die zijn leven lang onheil wilden bewerken. Hij heeft een zware strijd gevoerd tegen een engel, een engel van Satan. En wie stond aan zijn zijde? God. En wie heeft in de geestelijke wereld met hem meegestreden? De engel die hem verloste. Jakob verwijst naar zijn strijd aan de Jabbok. Hij heeft samen met de engel van God, samen met de engelen van God, tegen die andere engel uit het rijk van Satan gevochten. Jakob vecht niet tegen God, maar met God, met die engel van God, tegen zijn belager, tegen die andere engel, die occulte geest uit het voorgeslacht die hem in het onheil wilde storten.
Ook nu bij ons
En zo is het nog steeds. Ook wij mogen met engelen van God aan onze zijde strijden tegen onze vijanden. Waar wij loskomen van de (occulte) machten uit ons voorgeslacht, mogen onze kinderen daarin delen. Want de engel die ons heeft verlost, wil ook onze kinderen vrijhouden van de invloed van die geest. Het onheil mag bij ons stoppen, en onze kinderen mogen in die zegen verder. Hier zie je dit geestelijke principe staan, tussen de regels door. Ik vind het prachtig.
Jullie zullen groot worden, zegt Jakob. En de God die mijn herder is geweest, mag jullie herder zijn. De engel die mij van het onheil heeft verlost, mag ook jullie verlossen van elk onheil, en jullie helemaal laten functioneren zoals God bedoelt.
Efraïm en Juda worden groot
In het volk Israël is de stam Efraïm inderdaad heel groot geworden. Als het volk uittrekt, telt de stam Manasse nog twintigduizend mannen meer dan de stam Efraïm. Maar in de tijd van de richters neemt de stam Efraïm steeds grotere vormen aan en wordt Efraïm het hoofd van de noordelijke stammen. Als in de tijd van de koningen het grote rijk van David en Salomo uiteenvalt in een tweestammenrijk en een tienstammenrijk, krijgt het tweestammenrijk de naam Juda en het tienstammenrijk de naam Efraïm.
Jozef krijgt Sichem
Jakob geeft ook iets aan Jozef. Genesis 48:21-22 – En Israël zei tot Jozef: Zie, ik ga sterven, maar God zal met u zijn en u terugbrengen naar het land uwer vaderen. En ik geef u, boven uw broeders, een bergrug, die ik met mijn zwaard en mijn boog aan de Amorieten heb ontrukt.
Jakob geeft Jozef de bergrug, die hij met zijn zwaard en zijn boog op de Amorieten heeft veroverd. Welke plaats hoor je daarin doorklinken? Sichem. En wat is er met Sichem? Dat is het enige stuk land dat Jakob in Kanaän heeft gekocht en heeft verdedigd tegen de aanvallen van buitenaf. Dat stuk land krijgt Jozef.
Jakob spreekt hier profetisch. Toen het volk Israël terugkeerde in Kanaän is er om Sichem nog veel gevochten. Dat bergachtige gebied bij Sichem is aan de nakomelingen van Jozef toebedeeld. Daar is Jozef uiteindelijk ook begraven. Dat lees je Jozua 24:32.
De zegen over de twaalf zonen
Dan roept Jakob al zijn zonen bijeen en geeft hij ieder een zegen. Dat staat allemaal beschreven in Genesis 49, een moeilijk hoofdstuk. In die zegen spreekt Jakob eerst alle zonen van Lea toe, dan de zonen van Bilha, de zonen van Zilpa, en ten slotte Jozef en Benjamin. Juda krijgt prachtige beloften, en Jozef ook. Maar bij anderen hoor je iets doorklinken van herinneringen — wat ze gedaan hebben, en waarom ze aan bepaalde dingen niet zijn toegekomen. Veel zonen van Jakob worden in de zegen van hun vader vergeleken met dieren: de een met een leeuw, de volgende met een lastdier, een ander met een slang, dan weer een met een hinde, en ten slotte Benjamin met een wolf.
Terwijl Jakob zijn zonen zegent, vertelt hij wat hij in hen ziet en wat hij in hun nageslacht tevoorschijn ziet komen. Het zijn profetische zegeningen. Tussen al die uitspraken door zegt Jakob: Op uw hulp hoop ik, Heer. Hij hoopt op hulp van de Heer voor al zijn zonen en voor heel hun nageslacht, hoe het ook gaat en wat er ook gebeurt.
Het koningschap aan Juda
Laten we lezen wat hij van Juda zegt. Genesis 49:8-12 – Juda, u zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden, voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen. Een leeuwenwelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivenbloed zijn gewaad. Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk.
Hier wordt in profetische termen het koningschap aan Juda toegezegd. De heersersstaf zal van Juda niet wijken, de scepter zal bij hem blijven totdat Silo komt, totdat hij komt die er recht op heeft, zegt de NBV. Dat wil zeggen: totdat de Messias in de volheid des tijds uit de stam van Juda geboren wordt.
Juda wordt gezien als de geestelijke ‘eerstgeborene’ van Jakob, de man die het koningschap mag gaan ontwikkelen. Uit zijn lendenen zullen koningen voortkomen: David en zijn zonen, allemaal uit de stam Juda. Uiteindelijk komt uit dat Davidische koningschap de Christus voort, de leeuw van Juda, de grote zoon van David.
Hier ziet Jakob al dat de lijn van Abraham, Isaak en Jakob richting de Messias doorloopt via Juda. Waarom dat zo is, hebben we eerder gezien: hoe Juda in zijn leven is veranderd en tevoorschijn komt als een man die inderdaad de leider van zijn broers genoemd mag worden.
De zegen over Jozef
Ook over Jozef doet Jakob een prachtige uitspraak, die we lezen in Genesis 49:22-26 – Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit; de boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige Jakobs, daar de Steenrots Israëls zijn herder is; door de God uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot. De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders.
Jozef wordt gezegend door de Machtige van Jakob, door de nabijheid van de Herder, de Rots van Israël, door de God van zijn vader, de Ontzagwekkende. Hij moge je helpen, Hij moge je zegenen met zegeningen van de hemel daarboven (NBV).
Jozef is een vruchtbare wijnstok. Hij heeft geput uit de bron die bij hem was. Hij bleef staan, richtte zich op, en God stond hem terzijde. Zijn boog bleef gespannen door de hulp van de Machtige van Jakob, de Rots van Israël, de Ontzagwekkende.
Jakobs dood en begrafenis
Jakob eindigt met de opdracht aan zijn zonen dat hij begraven wil worden in de spelonk van Machpela. Dan gaat hij liggen, trekt zijn voeten op het bed en blaast de laatste adem uit. Hij heeft zich nog opgericht om zijn zonen te zegenen, en trekt daarna zijn voeten op en sterft. Hij weet precies wat er gaat gebeuren, en heeft met zijn laatste kracht zijn zonen toegesproken. Wat een man, deze aartsvader, deze patriarch! Hij is 147 jaar geworden.
Omdat het lichaam van Jakob vanuit Egypte naar Kanaän moet worden overgebracht, laat Jozef hem balsemen; dat duurt veertig dagen. Daarna is er een rouwtijd voor Jakob in Egypte van zeventig dagen. Heel Egypte rouwt mee om het sterven van Jakob, en dat is een groot eerbewijs aan deze man. Voor hun farao’s rouwen de Egyptenaren tweeënzeventig dagen. Zo hoog staat Jakob in aanzien, als vader van Safenat-Paneach.
Dan vraagt Jozef de farao toestemming om zijn vader in Kanaän te begraven. De hongersnood voorbij. Na toestemming van de farao trekt een hele stoet vanuit Egypte naar Kanaän om Jakob daar te begraven.
Genesis 50:7-14 – Toen trok Jozef heen om zijn vader te begraven, en met hem trokken alle dienaren van Farao, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten van het land Egypte, benevens het gehele huis van Jozef, zijn broeders en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, hun schapen en hun runderen lieten zij in het land Gosen achter. Ook trokken met hem zowel wagens als ruiters, zodat de stoet geweldig groot was. En toen zij gekomen waren bij de Doornen-dorsvloer aan de overzijde van de Jordaan, hielden zij daar een grote en zeer plechtige rouwklacht, en hij liet over zijn vader zeven dagen rouw bedrijven. Toen de inwoners van het land, de Kanaänieten, de rouw op de Doornen-dorsvloer zagen, zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom gaf men daaraan de naam Abel-Misraïm, dat aan de overzijde van de Jordaan ligt. En zijn zonen deden met hem zoals hij hun geboden had. Zijn zonen vervoerden hem naar het land Kanaän, en zij begroeven hem in de spelonk van het veld van Machpela, welk veld, tegenover Mamre gelegen, Abraham tot een eigen grafstede had gekocht van de Hethiet Efron. Na zijn vader begraven te hebben, keerde Jozef naar Egypte terug, hij en zijn broeders en allen, die waren meegegaan om zijn vader te begraven.
De stoet trekt om het zuiden van Kanaän heen om confrontaties met de Kanaänieten te vermijden. Bij de Jordaan trekken ze Kanaän binnen, maar voordat ze oversteken houden ze nog wacht en zijn ze zeven dagen bezig om hun vader te eren. Jozef is inmiddels zesenvijftig jaar. Ze begraven hun vader in de spelonk van Machpela en gaan daarna weer terug naar Egypte.
Jozefs broers vrezen wraak
Je zou nu kunnen denken: en ze leefden nog lang en gelukkig. Maar de broers krijgen het op een gegeven moment op hun heupen. Hun vader is dood; nu zal Jozef zich toch wel wreken voor wat er vroeger is gebeurd. Al die tijd heeft hij dat niet gedaan, want hun vader was er nog. De vijand komt terug bij de broers: ze worden doodsbang. Ze durven niet eens naar Jozef toe; ze laten hem een boodschap brengen. Na zeventien jaar zijn ze nog niet gerustgesteld: Als Jozef zich nu maar niet tegen ons keert en zich wreekt voor alle ellende die wij hem hebben aangedaan. Als Jozef dat hoort, huilt hij. Dat kan ik me voorstellen.
Vrees niet
Genesis 50:17-21 – En Jozef weende, toen men zo tot hem sprak. Ook kwamen zijn broeders zelf, wierpen zich voor hem neer en zeiden: Zie, wij zijn u tot slaven. Maar Jozef zei tot hen: Vreest niet, want ben ik in Gods plaats? Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden. Vreest dus niet, ik zal u onderhouden en ook uw kinderen. Zo troostte hij hen en sprak tot hun hart.
Jozef stelt zijn broers gerust en troost hen: God heeft het allemaal ten goede gekeerd, opdat een groot volk in leven blijft. Wees niet bang. Ik zal zelf voor jullie en jullie kinderen zorgen.
Jozef blijft bij zijn geloof in God en bij zijn visie op het hele gebeuren, want dit heeft hij al eerder gezegd: God heeft mij vooruitgestuurd. Jozef blijft de positieve lijn voor ogen houden. Gods Geest is nog steeds op hem. Aan die Geest houdt Jozef vast. Vanuit die nabijheid van God en zijn verbondenheid met God troost Jozef zijn broers en neemt hij hen opnieuw in zijn armen. Mannen, we gaan samen verder!
De dood van Jozef
Jozef is dan zesenvijftig jaar. Na dit moment leven ze nog ruim vijftig jaar samen verder. Op een gegeven moment voelt ook Jozef zijn einde naderen. Hij is dan honderdtien jaar oud. Hij heeft dus nog ruim zeventig jaar met zijn broers en zijn familie in Egypte geleefd, en na de dood van zijn vader nog vierenvijftig jaar. Ook Jozef wil in Kanaän begraven worden. Hij zegt dat ook tegen zijn broers. Genesis 50:24-26 – En Jozef zei tot zijn broeders: Ik ga sterven; God zal zeker naar u omzien en u uit dit land voeren naar het land, dat Hij Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofd heeft. En Jozef deed de zonen van Israël zweren: God zal zeker naar u omzien; dan zult gij mijn gebeente van hier meevoeren. En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud, en men balsemde hem, en hij werd in een kist gelegd, in Egypte.
Einde van Genesis
Hier eindigt het bijbelboek Genesis. De uittocht uit Egypte laat dan nog honderdvierenveertig jaar op zich wachten. Al die tijd wacht Jozefs lichaam, gebalsemd in een sarcofaag in Egypte, op vervoer. En als ze uittrekken, nemen ze het lichaam van Jozef mee. Veertig jaar lang gaat de kist mee door de woestijn: een gedane belofte moet je immers inlossen. Uiteindelijk, als ze Kanaän zijn binnengetrokken, wordt hij begraven op dat stuk land bij Sichem dat hem door zijn vader Jakob is beloofd (Joz.24).
Vooruitblik
Voordat we aan die uittocht toekomen, komen eerst andere verhalen aan de orde. De volgende keer staan we stil bij het verhaal van Job. Hij leeft in de tijd van de aartsvaders. Daarna gaan we verder met het boek Exodus.